Een maandag om te lachen

Wanneer u dit te lezen krijgt, weet ik ook niet. Nadat m’n MacBook door een pisher totaal onbruikbaar werd gemaakt (gelukkig heb ik nog een reserve in huis) is het nu de beurt aan Belgacom (of is het nu Proximus?) om me elk contact met de buitenwereld te ontzeggen. Natuurlijk kun je voor enig contact ook een poot buiten de deur zetten en de weinige mensen in de straat aanspreken. Helaas, deze grijze maandagochtend regent het net iets te veel naar mijn zin en vanwege de aanhoudende werkzaamheden is mijn straat in een modderpoel omgetoverd. Wat uiteraard bevorderlijk is voor fabrikanten van regenkledij en gummilaarzen maar toch iets minder voor een vlotte sociale omgang. Hoe dan ook, Mieke probeerde met haar iPhone op het nummer 0800-22 800 de dienst ‘Storingen’ te bereiken. Nadat ze misschien wel tien minuten lang doorheen het keuzemenu had gejongleerd – kan die telefoonmaatschappij nu echt niet voor betere wachtmuziekjes kiezen? – kreeg ze eindelijk een medemens in levende lijve aan de lijn. En jawel hoor mevrouw, ik zie hier dat er een verstoring op uw lijn zit. Wanneer we dat kunnen herstellen? Niet voor woensdag kan er een technicus gestuurd worden, mevrouw. U mag wel kiezen of die in de voor- of namiddag bij u terecht kan. Voilà, daar moet je het dan maar mee doen. Hoop doet leven.

Nu maakt het mij persoonlijk – ondanks mijn kijkverslaving – niet zo erg veel uit om enkele avonden zonder televisie door te spartelen. Dat vullen we wel op met een spelletje Rummikub, desnoods met Vier Op Een Lijn, en er liggen hier toch alweer enkele boeken om mijn aandacht te smeken. Dat we via de vaste lijn geen enkel telefoontje kunnen plegen of ontvangen, noem ik eerder een zegen dan een nadeel. Dat ik dit schrijfsel pas binnen enkele dagen zal kunnen posten, bwah, dat zullen we wel overleven. Net zo voor het niet kunnen ontvangen van mailberichten. Dat ik enkele dagen geen enkele keer iets van “wat-ik-absoluut-nu-op-dit-eigenste-moment-moet-te-weten-komen” kan opzoeken, is al iets minder leuk. Dat ik mijn Nederlandse kranten niet kan lezen, is wel helemaal niet te verteren. Net vandaag, verdomme. Uitgerekend nu in de Volkskrant de giftige column van Sheila Sitalsing moet verschijnen, iets waar ik elke maandagochtend reikhalzend naar uitkijk. Sheila heeft dan een heel weekend de tijd gehad om haar geschreven stukje nog eens na te lezen en enkele passages een nog in meer vitriool gedrenkt tintje mee te geven. Heerlijk proza om de te verwachten droeve week heelhuids door te komen. Dàt moet ik nu missen, zie. Waarvoor mijn dank, beste Belgacom/Proximus.

Tussen alle hedendaagse technische vooruitgang en mezelf zal het wel nooit helemaal goed komen. Zoveel is wel zeker. Hoewel hier ook voor mij ergens een iPhone verloren op gebruik ligt te wachten, vertik ik het om dat ding met een SIM kaartje op te zadelen. Ik kan het wel stellen met mijn ouderwetse Nokia. Voor meer dan een zeldzaam telefoontje of een nog zeldzamer sms’je heb ik zo’n ding toch niet nodig. Bovendien vergeet ik dat ding stelselmatig mee te nemen en als dat al eens zou gebeuren, zul je altijd wel zien dat de batterij hopeloos leeg gelopen is.

 

KIJK, TOT HIER WAS IK GEKOMEN en in één klap is alles wat ik al geschreven had alweer achterhaald. Of toch een gedeelte daarvan.

¿Que pasa? Na drie stakingsdagen (waarvoor hartelijk dank B-Post!) kreeg ik vandaag eindelijk weer een gedrukt exemplaar van m’n krant in de bus. Heerlijk is dat toch, zo’n gedrukte krant. De geur van drukinkt opsnuiven terwijl je het wereldnieuws doorneemt, met je van diezelfde drukinkt zwart geworden vingers in een breed gebaar de bladzijden omslaan alsof je met die geste het wereldschokkende karakter van dat nieuws nog wat kracht bijzet. Daar een kopje net gezette koffie en een eerste sigaretje bij en je bent bij voorbaat alweer verzoend met wat de rest van de dag je nog te bieden heeft. Aan die kleine geneugte gaf ik me nog volop over terwijl Mieke de bijstand van Proximus inriep en even later voor de zoveelste keer het pand verliet om vriendin Gerda te bezoeken. Die was net terug uit Argentinië en zou dus wel weer veel te vertellen hebben. Als die twee hun “klapje” doen, kun je daar maar beter tussenuit blijven en dus sloeg ik na het meest recente epistel van Carl Devos de krant dicht, werkte een doorloper af die hier gisteren was blijven liggen en begon daarna aan mijn eigen epistel van hierboven.

Een tijdje later (nu ja, wat heet een tijdje) komt Mieke weer naar binnen gestormd. “Probeer onmiddellijk of je op het internet kunt,” klinkt het bevel. Hier achter het hoekje stonden toevallig twee bestelwagens van Proximus en werklieden hadden haar gerust gesteld: “We hebben alle kabels vervangen, mevrouw. Intussen moet alles weer aangesloten zijn.” En jawel hoor, alles verloopt weer als voorheen. Het wordt vanavond dus weer ‘University Challenge’ op BBC2 en daarna ‘Extra Time’ op Canvas, dat alles ten koste van een potje Rummikub. En al het voorgaande moet dus alweer onnodig schrijfsel beschouwd worden.

Wat niet wegneemt dat er vandaag weer wat te lachen viel tijdens het lezen van de krant. Eerst pagina’s verslagen over de 11 Novemberviering en daarover heb ik hier in de voorgaande aflevering al voldoende geleuterd. Misschien wil er dit nog aan toevoegen ter attentie van president Macron: wil je in het vervolg een beetje opletten wie je op je invitatielijstje inschrijft a.u.b. Op een herdenking in het teken van ‘Nooit meer Oorlog’ kun je maar beter geen kerels uitnodigen die in hun achtertuin oorlogjes zitten op te poken. Iemand die Syrische burgerwijken of steden in oostelijk Oekraïne laat bombarderen of de Krim met enig geweld annexeert, iemand die in het uitmoorden van de Koerden zijn levenstaak ziet of iemand die 15.000 soldaten de toestemming geeft om met scherp te vuren op een vreedzame stoet burgers uit Midden-Amerika, wel zo’n leiders kun je maar beter een schop onder de kont geven in plaats van het een erekrans te laten neerleggen.

Dan had je een uitgebreid stuk over de meest stijlvolle presidentvrouw ooit, Michelle Obama, die een boek heeft geschreven en daarin Trump als een pathologische en xenofobe leugenaar omschrijft. Nu, om daarachter te komen, hoef je geen boek te schrijven noch in Witte Huis te hebben gewoond. Wat ‘den Donald’ niet heeft tegengehouden om dat boek nog vòòr het verschijnen tot tegen de grond af te breken.

Ook een lachertje was de controverse die bij de Leuvense Groenen is ontstaan vanwege de keuze voor Thomas Van Oppens als nieuwe schepen ten koste van Eva Platteau. Die laatste had 6 (zes!) voorkeurstemmen méér dan Van Oppens maar daar voor deze keer telde dat niet mee. Van de tien gemeenteraadszetels van Groen, gingen er zeven naar vrouwen. Dat van de slechts drie verkozen mannen er nu twee in het schepencollege zetelen, is voor velen een doorn in het oog. Een beetje sterk in tegenspraak met de standpunten van de partij, heet het. Daar valt dus niet te lachen maar het argument waarmee lijsttrekker David Deckers zich eronderuit probeert te wurmen, is dat wél. “Maar we wisten wel dat de rest van het schepencollege voldoende vrouwen zou hebben,” heet het in zijn visie. Dat is toch zoveel als: ‘Tja, we zullen in Leuven rond het milieu niets doen want we weten wel dat er in Herent, Holsbeek, Bierbeek en Oud-Heverlee rond dat thema al voldoende gedaan wordt.” Beleidsmatig belooft dat zeer veel voor de volgende zes jaar. Nauwelijks verkapte ‘tsjeverij’ noem ik dat.

En dan had je de onappetijtelijke klucht rond de nieuw gevormde coalitie in Zelzate. Daar heb ik eigenlijk geen mening over. Hoewel mijn hart links klopt ( sinds 9 december 2014 in Gasthuisberg wetenschappelijk vastgesteld en schriftelijk bevestigd door prof. dokter Rik Willems) was ik wellicht niet zo ver gegaan, maar 1) ik woon niet in van Zelzate en 2) ik ben in die gemeente geen verkozen mandataris van sp.a noch PVDA. Sedert de jaren 60 sta ik nogal huiverig tegenover mensen die hun lading dekken onder de vlag van Lenin, Stalin, Trotski of Mao of welk –isme dan ook. Als PVDA die lugubere helden uit hun verleden hebben geschrapt en afgezworen en zichzelf nu verkoopt als een marxistisch geïnspireerde partij, laat ik dat volledig over aan Peter Mertens cum suis. In een vlaag van geforceerde onpartijdigheid heb ik enkele punten uit de beleidsnota van die nieuwe coalitie gelezen en hoe sterk ik er ook naar gezocht heb, er is niets in te vinden waarvan ik denk ‘oei, hier wordt stevig met hamer en sikkel gezwaaid’.

Maar… Plots geven NV-A, Open VLD en CD&V aan begrippen zoals racisme, klassenstrijd; extremisten, communisten en Cordon Sanitair een nieuwe invulling. Naar gelang het hen goed uitkomt, natuurlijk. Dat de Grote Kletsmajoor uit Antwerpen zich meteen op zou gooien als laatste verdedigingsbastion van de westerse beschaving, stond vast. Nu ja, als historicus mag hij wel even vergeten dat het Cordon Sanitair in 1989 werd overeengekomen terwijl zijn eigen clubje pas in 2001 is gesticht maar hij mag de inhoud daarvan geen geweld aandoen. Toen journalist Hugo Gijsels het begrip lanceerde was dat compleet en enkel gericht tegen het voor racisme veroordeelde Vlaams Blok. Dat cordon nu opentrekken naar de uiterst linkse PVDA is intellectueel oneerlijk. Tenzij men me meteen kan aantonen in welke mate je het programma van die partij als racistisch kunt bestempelen. Ja, maar het zijn communisten en waar die aan de macht zijn, heerst meestal armoede en dictatuur, gaat BDW dan verder. De laatste tijd niet goed opgelet, Bartje? Moet je maar eens nagaan wat er in Polen, Hongarije, de USA en de Filippijnen gaande is. Daar wordt het beleid niet meteen door communisten uitgestippeld. Vrijheid is er een relatief begrip en van rijkdom lopen die landen nu ook niet meteen over. Moet je maar eens in mijn straat komen kijken waar de smerigste en gevaarlijkste klussen door onderbetaalde Poolse onderaannemers worden uitgevoerd. Zou het niet kunnen dat jouw verbolgen protest meer inhoudt dan wat je zegt? Een rookgordijn, zeg maar. Om een eventueel samengaan met het Vlaams Belang nu al goed te praten, bijvoorbeeld. Zo van: ja maar, de socialisten hebben het cordon doorbroken, dus waarom zouden wij dat dan niet doen. En dan maar tetteren over “democratische hygiëne”. Vertel mij dan eens wat er ondemocratisch is aan het verminderen van het aantal schepenpostjes en besparen op iPods en dienstwagens? Wat is er onhygiënisch aan de strijd tegen de armoede? En bovendien Bartje, zal je volgende keer weigeren om het glas te heffen met een vertegenwoordiger van de Chinese communisten als die nog eens een zware investering in de Antwerpse haven willen doen?

Natuurlijk kon de blauwe Kakelkip uit Aarschot niet achterblijven. Het Vlaams Belang zorgt voor rassenhaat, de PVDA zorgt voor klassenhaat, orakelt meisje R. Hoe moeten we dan spreken over de tijdbom die ze onder de Vlaamse regering legt omdat haar favoriete Carina Van Cauter een gouverneurspost is misgelopen? Zorgen voor provinciehaat? En beste Gwen, ook aan jou de vraag hoe je zou reageren als morgen een klassenhatende Chinees een nieuwe fabriek wilt neerpoten op Nieuwland-Meetshoven? Zal jij dan zeggen: Neen bedankt, ga maar naar Haasrode?

Over het hypocriet opgestoken, belerend vingertje uit Leopoldsburg zal ik maar niets zeggen want over tjeverij hebben we het al gehad.

En à propos: Sheila Sitalsing had het in de Volkskrant over de nefaste invloed van het molentoerisme in Kinderdijk en het mensjeskijken in Giethoorn. Met iets minder vitriool als verwacht mocht worden maar toch weer vlak in het midden van de roos.frank-zappa-quotes1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Wapenstilstand? Voor even maar

11 November. Een feestdag die me nog altijd opzadelt met meervoudige gevoelens van huivering en afschuw. Meervoudig omdat die gevoelens gedurende mijn levensloop verscheidene fases hebben ondergaan. In een eerste stadium heb ik er een nog altijd geldend jeugdtrauma aan overgehouden. Een beetje uitleg.

In mijn geboortestadje Borgloon (algemeen gekend als “een gat op een berg”) werd het als vanzelfsprekend beschouwd dat je, van zodra je een beetje zonder over je voeten te struikelen kon lopen, lid werd van de Loonse Turnkring. En wel helemaal als je – zoals ik – uit een deftig katholieke familie ontsproten was. Nu was er aan die turnkring ook een trompetterkorps verbonden, dat zich in de loop der jaren een stevige reputatie had opgebouwd, waarin mijn ooms Jean, René, Henri en Jef een dragende rol speelden. Daardoor kon mijn moeder moeilijk weerstaan aan hun aandringen om mij, ondanks luid protest mijnentwege, bij die kring in te lijven. Mijn toen al ingeboren afkeer voor alles wat met geforceerde lichaamsbewegingen te maken had, werd niet als een afdoend tegenargument beschouwd. Zodoende werd ik als zesjarige snotneus uitgedost in een wit hemdje (mét opgenaaid embleem), een zwarte korte broek en hagelnieuwe ‘turnsloefen’ die zowat overal knelden.

Nu kon er in Borgloon geen scheet gelaten worden of de Turnkring diende er met de neus bovenop te zitten. Er kon geen kermis worden geopend, geen jubileum gevierd of geen processie uitgaan (en dat waren er nogal wat) zonder die trompetters erbij, met een delegatie fiks marcherende turners voorop. In dat drukke programma was de jaarlijkse herdenking van Wapenstilstand op het Speelhof vaste koek. Bij die gelegenheid kreeg je eerst een toespraak van de deken en van de burgemeester, waarna ook nog afgevaardigden van vaderlandslievende verenigingen en oud-strijdersbonden hun zegje mochten doen. En dat bleef maar duren. Al die sprekers hadden een heel jaar lang hun eigen onbelangrijkheid opgespaard om die nu dan, in een orkaan van woorden, voor één dag van zich af te schudden. En maar rinkelen met die medailles, en maar ernstig voor zich uit staren, en maar zwaaien met die nationale driekleur.

Al die tijd diende jij, als trotse turner, op de eerste rij bewegingloos en strak in het gelid al dat geleuter over je heen te laten komen. Bijkomende ergernis: in die naoorlogse jaren, en lang voor er sprake was van klimaatwijziging, kon je er donder op zeggen dat de winter al met Allerheiligen zijn intrede maakte. Je kon erop rekenen dat het uitgerekend op 11 november vroor dat het kraakte, of dat je minstens een kille plensbui over je heen kreeg. Stond jij daar, lichtjes gekleed in je net gestreken hemdje en in die flodderende korte broek, op je blauw uitgeslagen spillebenen te trillen van de kou. En die ‘turnsloefen’ die maar bleven knellen. Dat je achteraf, eens weer thuis, in de keuken naast een speciaal voor jou extra opgestookte kolenkachel mocht zitten ontdooien met een dampende kop chocomelk + beschuit kon je nauwelijks als troostpunt beschouwen. Tenslotte, je had dan wel een vrije schooldag maar wat schoot je daarmee op als je de rest van die dag niets anders kon uitsteken dan in de keuken verkleumd zitten te rillen? Toen we op een 11 november, in 1953 geloof ik, ook nog gemarteld werden door neerslaande hagel, met korrels als duiveneieren zo dik, was voor mij de maat vol. Voor mijn moeder gelukkig ook. Drijfnat en nog nauwelijks in staat een teken van leven te geven, heeft ze me toen urenlang zitten droog wrijven en dikke lagen Vicks-zalf op borst en rug uitsmeren. Eens ontvroren mocht ik op bevel van de huisdokter pas drie dagen later weer m’n bed uit. Longontsteking. De argumenten van mijn nonkels “daar wordt hij man van” maakten vanaf toen geen indruk meer op mijn moeder. Hoe dan ook: nooit meer heb ik in het uniform van de Loonse Turnkring Wapenstilstand moeten herdenken; in een ander uniform trouwens ook niet. Het trauma voor die specifieke dag is wel gebleven.

Toen we naar Brabant verhuisden en ik in Mechelen op internaat vloog, was het ook gedaan met de alles verpletterende strenge Limburgse sociale controle. OK, je kreeg in de geschiedenisles nog wel wat te horen over Wereldoorlog I maar de draagwijdte van 11 november raakte niet meer verder dan je kouwe kleren.

In 1962 begon ik in Brussel te studeren en als je daar gewoon een winkel binnen ging, een pintje wilde drinken of op de tram stapte, werd je wel automatisch een tikkeltje flamingant. Daarop liet je voor heel even jezelf lichtjes meeslepen in de mooie praatjes en valse romantiek over het ontstaan van wat geslepen politici de ‘Vlaamse Beweging’ noemden en dat we alle ellende in België aan WO I en zijn nasleep te danken hadden. Zij hadden alleen de mond vol van de ‘Belgische ziekte’ en dat die Wapenstilstand niet meer of niet minder betekende dan een verraad van de Vlaamse soldaten aan de IJzer. Zo kreeg mijn jeugdtrauma voor 11 november er nog een ideologisch sausje overheen. Nieuwsgierig als altijd, kwam ik er na enig studiewerk wel achter dat al die verhaaltjes over de Fronters, VOS, het gedoe rond AVV/VVK, de Keltische kruisen en de eentalig Franse bevelen aan het front berustten op historische kwakkels. Opvallend was wel dat die onheilsprofeten verdacht stil bleven over hun eigen rol tijdens en na de daaropvolgende wereldoorlog.

Veel later pas, eens de jaren van discretie en verstand bereikt, ga je in Leuven toch wel wat vragen stellen bij de gelijkvormige herdenkingsstenen in talrijke huisgevels. Daarop het gekroonde schild van Leuven, een vlammende toorts, een bajonet en het jaartal 1914. Dan ga je toch wat snuffelen in de geschiedenis van je adoptiestad. Wel helemaal als je uiteindelijk in het pand Het Moorinneken op de Grote Markt terecht komt. Helemaal boven in de gevel daarvan prijkt een vreemde cartouche met de Latijnse tekst “Quibusdam invitis gloriosor ex cinere consurgo”. Dan wil je toch weten dat die woorden zoveel betekenen als “Door velen benijd, zal ik nog grootser uit mijn as verrijzen”. Dus ga je nog wat dieper in die geschiedenis graven tot je uitkomt op die verschrikkelijke datum 25-26 augustus 1914. Als toppunt van cultureel barbarisme ging toen de universiteitsbibliotheek in de vlammen op, met zo’n 300.000 boeken, een duizendtal handschriften en 800 incunabelen. Fosforbommen werden in zo’n 1.100 panden gegooid. Honderden Leuvenaars werden aan het station bijeengedreven en dan maar tellen: één, twee, drie, pang! Niet minder dan 248 burgers werden lafhartig vermoord, honderden in concentratiekampen opgesloten, duizenden op de vlucht gedreven. Louvain Ville Martyre, klonk het overal in de wereld, net zoals Visé, Aarschot, Andenne, Tamines, Dinant, en Dendermonde. De waanzin!

En nu herdenken we dus dat er een eeuw geleden een einde kwam aan die periode van mondiale totale verdwazing, die orgie van verstandsverbijstering. Dat heeft dan toch maar heel eventjes geduurd. Niet langer dan de tijd die nodig was om in Compiègne enkele handtekeningen neer te kribbelen. De gefêteerde massamoordenaars – want zij waren de zogenaamde winnaars – die de afgezanten van de piepjonge Weimarrepubliek hun onmogelijke vredesvoorwaarden door de strot ramden, wisten maar te goed dat ze bij het verlaten van de Wagon-Lits 2419D al het licht op groen hadden gezet voor Wereldoorlog II. En dus krijgen we op tv weer niets anders te zien dan beelden van somber kijkende machthebbers met in hun kielzog een regiment sabelslepers en met hun medailles rammelende oud-strijders uit andere oorlogen. Gesneuvelden worden weer eens bedolven onder loze woorden en verheerlijkt als onbaatzuchtige helden. Wat een operettevertoning…

En dan maar roepen: Nooit meer Oorlog! Bij ons dan toch, denken we daar dan in stilte bij, want we doen verder geen enkele moeite om het constante wapengekletter elders in de wereld een halt toe te roepen. Dat is immers een ver-van-ons-bed-show. Erger nog: FN Herstal blijft wapens uitvoeren, wij kopen een resem F35’s maar voor de slachtoffers van al dat geweld bouwen we hogen muren aan onze grenzen en klappen we doodsbang de voordeur dicht. Wat een hoop hypocrisie.

Geef mij dan maar een echte pacifist zoals onze Louis Tobback. Die kreeg zowat heel de stad over zich heen toen hij onze Place Foch absoluut wilden veranderen in Rector De Somerplein. Gelijk had hij, verdomme. Een gewetenloze schurk die elke ‘poilu’ alleen als kanonnenvlees beschouwde en zijn soldaten met honderdduizenden tegelijk de vuurlinie van nutteloze slagen instuurde, hoeven wij onze stad niet te eren met een straatnaambordje. Een andere opmerkelijke gebeurtenis. Al heel lang voor op 28 juli 2014 wereldwijd het begin van WO I werd herdacht, had Tobback al Fred Brouwers onder de arm genomen om samen na te denken over de meest geschikte manier om dat feit ingetogen te eren en met Leuven te verbinden. Die contacteerde daarop componist Piet Swerts die aan de opdracht meer dan een jaar de handen vol had. Dat gezwoeg resulteerde in het indrukwekkende oratorium ‘The Sack of Louvain’. Dat muzikale meesterwerk kreeg zijn première op 25 augustus van dat jaar op het Ladeuzeplein – op exact hetzelfde tijdstip als honderd jaar daarvoor de Duitse furie over onze stad werd losgelaten – en werd daags nadien herhaald. Wie mij een beetje kent, weet dat mijn muzikale voorkeur vooral naar Monteverdi, Bach en Mozart uitgaat, hooguit tot Richard Strauss en Rachmaninov reikt. Hedendaagse composities liggen me niet makkelijk in het oor, om niet te zeggen helemaal niet. Maar bij wat ik die avond van Piet Swerts te horen kreeg, kon ik de tranen van ontroering onmogelijk tegenhouden. Wat spijtig toch dat het bij die twee uitvoeringen gebleven is.

Net zo min als Tobback denk ik graag in termen als ‘helden’. Samen met W.F. Hermans blijf ik nog altijd vinden dat een held iemand is die straffeloos onvoorzichtig is geweest. Die 248 gefusilleerde Leuvenaars aan het station waren niet onvoorzichtig en straffeloos zijn ze niet gebleven. Dus zijn zij misschien wel échte helden. Samen met die miljoenen onschuldige burgerslachtoffers elders in de wereld.

Met genoegen laat ik 11 november over aan en wie er belang in stelt. Met of zonder jeugdtrauma. Persoonlijk buig ik elke 25-26 augustus nederig het hoofd.

turners

Kijk eens hoe trots en fiks in de stap deze knaap meeloopt met de Loons Turnkring.

Claque en klapvee

Blokken, Van Gils & Gasten, Kalmte kan U redden, De Ideale Wereld, Extra Time, The Voice Kids, De Slimste Mens, De Zevende Dag, Switch, Twee tot de Zesde Macht, De 3 Wijzen, Beste Kijkers, Het Lichaam van Coppens, Belgium’s got Talent, Gert Late Night, Comedy Kings, Zo Man Zo Vrouw…

Het Mes of Tafel, TV-kijker van het Jaar, Kassa, Sterke Verhalen, Thank you for the Music, RTL Late Night, Dance as One, Jinek, De Hofbar, De Wereld Draait Door, Pauw, Laat Op Een, Wie ben ik, Podium Witteman, Ranking the Stars, Tijd voor Max, Radar, Voetbal Inside, De Kwis, Zondag met Lubach, Een tegen 100, De Rijdende Rechter…

En met dit lijstje kunnen we nog wel een tijdje doorgaan.

Elke televisiezender die zich een beetje respecteert – en waarom zouden ze dat niet doen – pakt wel uit met een programma waarbij het aanwezige publiek verondersteld wordt een belangrijke inbreng te hebben. Nu ja, belangrijk? Er een beetje bij zitten als kippen op de roest, lachen als een rode lamp gaat branden en/of luid applaudisseren als een opgewonden en druk met de armen zwaaiende publieksopwarmer je daartoe aanzet. Voor sommige mensen zou dat wel eens een mijlpaal in hun leven kunnen betekenen maar mij ontgaat het wel een beetje waarom je absoluut bij zo’n opname aanwezig wilt zijn. Ieder zijn meug, moet je dan maar denken.

Met de wildgroei aan commerciële zenders in ons taalgebied (VTM, Vier, Vijf, Zes, CAZ, Q2, Vitaya in Vlaanderen; RTL 4, RTL5, RTL7, RTL8, Veronica, Net 5, Zes, SBS9, ONS, FOX in Nederland) is de wildgroei aan programma’s met publiek recht evenredig toegenomen. In die mate zelfs dat bepaalde programmamakers het echt wel moeilijk krijgen om een representatief publiek bijeen te scharrelen. Vooral als het een nieuw programma betreft dat nog niet algemeen bekend is en dat zijn waarde nog niet bewezen heeft. Je zult dan maar een tribune opgebouwd hebben voor een honderdtal toeschouwers en er komt nauwelijks vier man en een spreekwoordelijke paardenkop opdagen. Tja, dat kun je niet maken. Zodoende blijkt dat er nogal regelmatig beroep gedaan wordt op speciaal daarvoor opgerichte castingbureaus die figuranten verhuren om enkele uurtjes in de studio te komen zitten. Tegen betaling, uiteraard. Dat klapvee kan er zo’n 50 euro aan verdienen, met een kom soep en een boterhammetje er bovenop. In Nederland schijnt dat volgens NRC al jaren een compleet ingeburgerd gebruik te zijn. Hoe dat bij ons zit, weet ik niet.

Televisie heeft intussen veel van zijn oude magie verloren want met de huidige technologische mogelijkheden kan zowat iedereen zijn eigen programma in elkaar steken, gelijktijdig hoofdrolspeler en regisseur zijn. Kijk maar eens op Youtube. Voor productiehuizen is het al langer geen evidentie meer om de zitplaatsen vol te krijgen. Vooral niet voor programma’s waarin geen achterneef of rechtstreeks buurmeisje meedoet. Dus hoor je het publiek danig in de watten te leggen; zelfs als je dat publiek ook nog moet betalen voor de aanwezigheid. Zo deed de Nederlandse journalist Herman Roggeveen een tijdje geleden al een onderzoek bij acht programma’s naar de manier waarop toeschouwers in de watten werden gelegd en deed daarover verslag onder de noemer ‘Klapvee Keuring’ (te zien op zappen.blog.nl). Wat zijn voor die toeschouwers de meest doorslaggevende argumenten om zo’n programma uit te zitten? Wel, dat gaat van een warme ontvangst, over comfortabele stoelen en schone toiletten, tot de een boeiend programma en de hapjes achteraf. Vooral het aantal en de kwaliteit van de gratis aangeboden consumpties blijken een grote rol te spelen. Wie na de uitzending dan ook nog een pintje of een borrel mag achterover slaan in het bijzijn van de televisiesterren, en als er eventueel nog een selfie met die beroemdheden in zit, beleeft zowat de gelukkigste ogenblikken uit zijn/haar bestaan. Met een 8,5 op tien haalt Matthijs van Nieuwkerk (De Wereld Draait Door) de beste score omdat hij de aanwezigen het gevoel geeft erg welkom te zijn en dat je iets méér bent dan een decorstuk.

Eigenlijk weet ik niet of er bij ons ooit een dergelijk onderzoek is gedaan. Het laat me tussen haakjes ook wel ijskoud. Hoewel ik wel eens graag zou willen weten of Jo met de Banjo en/of Sven De Leijer (onze meest professionele publiekopwarmers/applausmeesters) tussen twee opnames door naar de meest nabij zijnde supermarkt moeten hollen om daar mensen te vragen of ze eventjes willen komen in de handen te klappen. Of andere kunstgrepen moeten toepassen om toch maar voldoende volk bijeen te krijgen.

In een heel ver verleden heb ik wel eens vernomen dat de Muntschouwburg een ‘claque’ inhuurde die geïnstrueerd werd na welke aria er toch wel verwacht werd dat er een ovatie mocht uitbreken. Die begon dan enthousiast te applaudisseren in de hoop dat zijn voorbeeld aanstekelijk werkte. Zelf is me dat nooit opgevallen maar je weet natuurlijk nooit. Soms krijg je, vanwege een verkeerde beeldwisseling van de regie of een te laat uitgevoerde camerazwenking, een druk gesticulerende Jo of Sven in beeld, om het publiek aan te sporen tot applaus, en dan denk je: zo’n ‘claque’ zal wel van alle tijden zijn.

Waarmee ik nog altijd niet begrijp waarom televisiezenders absoluut programma’s willen maken mét publiek erbij, laat staan dat ik snap waarom dat publiek er al even absoluut wilt bij zijn. Net zo min als ik ooit begrepen heb – en ooit zal begrijpen – wat mensen destijds bezielden om op vrijdagavonden naar het Moorinneken af te zakken. Die avond was mijn café zo’n beetje een afspraakplaats voor nogal wat televisiegezichten van wat toen nog de BRT heette. Dan kreeg je al om 19 u mensen over de vloer die zich luilekker installeerden in de hoop een glimp op te vangen van hun geliefkoosde televisievedette. Het zal wel van alle tijden zijn, moet je dan maar denken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bastille

Dit had al drie dagen geleden moeten verschijnen. Als u verder leest, zult u wel begrijpen waarom het nu pas komt…

Deze morgen – we lagen nog in bed – rinkelde de telefoon. Een Engelstalige boodschap: mijn Mac is gekaapt; bijzonderheden zouden volgen. Toch maar even controleren en jawel hoor, het is van dattum. Hoopvol start je het ding op en kijk, helemaal zoals het hoort floept de startpagina aan, maar daar houdt het dan ook mee op. Voor het overige is je er geen beweging meer in te krijgen. Een vreemd gevoel overvalt je. Ben ik nu helemaal afgesloten van de rest van de wereld?

Nu had ik in het begin van dit jaar – in volle Spaanse overwintering – toch al een waarschuwing gekregen dat er wat aan de hand was. Op een bepaalde dag kwam ik niet verder dan naar een zwart scherm te staren. Gelukkig worden bepaalde campings aan de Costa Blanca bevolkt door even oude knarren als ik met dit verschil dat zij wél goede connecties met het thuisfront hebben. Zij hebben kennissen met enig verstand van het ingewikkelde digitale wereldje waarin we tegenwoordig noodgedwongen moeten leven. Via die weg kwam ik erachter hoe je de fabrieksinstellingen weer moest inladen. Dat lukte behoorlijk maar hoe zat het met al mijn toepassingen, met mijn archief, met mijn mailadres? Gelukkig had ik een harde schijf in reserve mee zodat ik eerder bewaarde gegevens weer kon inladen. Dat had ik waarschijnlijk maar beter niet gedaan want plots zat ik opgescheept met software die al ettelijke jaren geleden voorbij gestreefd was. Nu ja, voor even kon ik weer verder met het goede voornemen om van zodra ik weer in Leuven was meteen de mij vertrouwde Mac-shop op te zoeken. Immers, om het ginds in Spanje op te lossen, zou ik al zo goed als naar Madrid moeten rijden. Dichterbij kon je met je Mac nergens terecht. Bovendien zag ik me de problemen niet meteen klaar en duidelijk in het Spaans uitleggen. Helaas, intussen ben ik intussen al vijf maanden terug in Leuven en met mijn spreekwoordelijk uitstelgedrag ben ik nog altijd niet tot bij de technische knobbels van de Mac Store geraakt. Je went aan beperkte(ere) mogelijkheden; zo lang het ding werkt, zal het wel al goed genoeg zijn, zeker.

Heb ik in het verleden misschien duistere sites bezocht waarbij elk weldenkend mens een vermanend vingertje zou opsteken? Bwha neen, maar het kan wel zijn, natuurlijk. Mijn niet aflatende nieuwsgierigheid naar het gedrag en het taalgebruik van bepaalde personen brengt me namelijk nogal eens in verlegenheid. Je surft van de ene site naar de andere; een beetje onvoorzichtig klik je links en rechts op een verwijzing naar een desnoods nog meer louche pagina. Zo verzeil ik iets te makkelijk op extreme sites die een gedachtegoed verdedigen dat volledig in tegenspraak is met het mijne maar waarvan ik absoluut wil weten wat hen er toe drijft om zo te denken, te spreken en (soms) te handelen. Ik kan je verzekeren dat je er op sommige ogenblikken echt wel met rode oortjes bij zit en dat je onder het motto “Si tous les dégoutés s’en vont, il n’y a que les dégoutants qui restent” verder leest of diep beschaamd voor zoveel bagger je MacBook dichtklapt.

Heb ik in de tussentijd misschien te veel door mij veelvuldig gebruikte applicaties laten open staan zodat iedereen met een beetje handigheid in de materie op mijn MacBook kon zitten snuffelen en er malware op installeren? Ik weet het niet.

Heb ik met mijn beperkte kennis over het correcte gebruik van internet te vaak op verkeerde knopjes gedrukt, waarmee ik ongewild de deur wagenwijd heb open gezet voor misbruik. Ik weet het niet. Verdomme, ik ben tenslotte geen lid van de Amerikaanse Republikeinen of Democraten die grote kans maakt om verkozen te worden en zo nodig door de Russische geheime dienst moet geïnfiltreerd worden. Dedjuu toch, ik ben ook maar een gewone boerenpummel die niets of toch maar weinig te verbergen heeft, getuige daarvan al dit gelul op deze blog.

De vraag is niet of té veel willen weten wel goed is voor je mentale gezondheid. Roken is ook niet gezond en toch blijf ik het hardnekkig doen. Ondanks alle waarschuwingen. Ook deze ervaring zal me er niet van weerhouden om blijven vragen te stellen en naar antwoorden te zoeken. Zelfs als me dat hoogst waarschijnlijk een nieuwe laptop zal kosten want aan dit soort chantage zal ik nooit toegeven. Wat me in deze vooral krenkt, is dat er hier ergens op deze wereld een minkukel, een goedkoop gangstertje rondloopt dat voor een of andere reden me nu probeert te verhinderen om meer te begrijpen, meer te weten. Eigenlijk is dat zoveel als een inbreker over de vloer krijgen. Het niet zozeer de door hem veroorzaakte wanorde die je stoort, noch het verlies van wat hij mogelijk heeft meegenomen, maar wel dat hij totaal ongevraagd zijn vuile poten in jouw leven heeft gezet. Dat hij je privacy heeft geschonden.

Nu mag ik al een oude zak zijn, met ouderwetse principes en achterhaalde ideeën, maar enig gevoel voor “het mijn en het dein” is mij nog niet helemaal vreemd. Dat is gewoon een kwestie van respect. Helaas, dat respect verdwijnt sneller dan het voorspelde uitsterven van gewervelde diersoorten. Om de introductie van nummerplaatherkenning, bewakingscamera’s, vingerafdrukken op identiteitskaarten, enz. er ongehinderd door te drukken, zadelen onze machthebbers de goegemeente op met angstgevoelens onder het motto “Wie niets te verstoppen heeft, heeft ook niets te vrezen.” Daar moet je vooral goed voor opletten want die gezagdragers hebben het nooit over jouw RECHT om iets van jezelf niet in de openbaarheid te gooien. Daarin worden ze natuurlijk zeer geestdriftig geholpen door wat gemeenzaam ‘sociale media’ wordt genoemd. Hoe die er in een recordtempo in geslaagd zijn om ‘Big Brother’ te benaderen, zoniet voorbij te steken, is nauwelijks te vatten. In tegenstelling tot de overheid, die er met smoezen als veiligheid en oorlog tegen drugs en/of terrorisme wegkomen, doen zij doen gewoon uit platte commerciële verzuchtingen. En winst.

De dystopische romans ‘Fahrenheid 451’, 1984 of ‘A Clockwork Orange’ zijn intussen al helemaal verouderd en voorbij gesneld door de realiteit. Bradbury, Orwell en Burgess hebben, misschien gelukkig voor hen, niet meer moeten beleven hoe hun macabere voorspellingen ook bewaarheid zijn. Zelfs nog erger dan zij het zich konden voorstellen.

Dit is geen klaaglied omdat ik me danig in m’n kruis getast voel. Hoewel. Het is eerder een vaststelling dat we onder de voorwendsels “opening naar de wereld”, “vrijheid van meningsuiting” en “algemene bereikbaarheid van wetenschappen” (verzin hier nog maar enkele holle slogans bij) en ander gezwets, helemaal verslaafd zijn geraakt aan Google, Facebook, Twitter & C° en daarbij een flink deel van onze persoonlijkheid zo maar afstaan. We accepteren dat. Zo maar klakkeloos, zonder morren, zonder protest. Hoewel 1789 al een tijdje achter ons ligt, moeten we er misschien toch eens aan denken om deze nieuwe Bastille te bestormen…

Allerheiligen & andere zielen

Net zoals honderdduizenden landgenoten naar begraafplaatsen holden, reed Mieke dezer dagen naar het verre Limburg om daar het graf van haar ouders wat kleur te geven. Zelf doe ik niet mee aan die jaarlijkse bloemenshow. Die doden zelf hebben er immers niets aan. Het is vooral een kwestie van sociale controle en dito concurrentie. Zo van: ‘Heb je al gezien wat een armoedig plantje die op het graf van zijn moeder durft te zetten’. Nu ja, er zijn mensen die Allerheiligen/Allerzielen nodig hebben om hun dierbare overledenen te herdenken; ik heb daar geen vaste datum voor nodig. Dat is een dagelijkse reflex. Daarnaast zal heel dat gedoe wel goed zijn voor de economie, denk ik dan. Bloemenkwekers en -verkopers kunnen er maar beter een goede boterham aan verdienen.

Net als bij zoveel generatiegenoten heeft de manier waarop het katholicisme er tijdens onze jeugdige jaren werd in geramd – met het kruis in de vuist – zeer lang diepe sporen getrokken. De erfenis van die opgedrongen kwezelarij en stupide indoctrinatie heeft een groot deel van ons jonge leven vergald. Wellicht daarom waren de jaren zestig zo belangrijk; alleszins voor mij persoonlijk. Die periode betekende een kantelpunt. Pastoors verloren hun macht, de kerkelijke hiërarchie daverde op zijn grondvesten en de belofte van hemelse zekerheden bleek ook maar een twijfelgeval.

De kerk van Rome is er zowat overal en ten allen tijde in geslaagd om oeroude dingen naar het eigen handje te zetten. Joodse en heidense/animistische feestdagen en symboliek werden schaamteloos ingepikt om er katholiek sausje overheen te gieten. Wie ziet er nog het verband tussen O.L.-Vrouw Lichtmis en het Germaanse midwinterfeest? Wie weet nog dat Pasen gelinkt is aan het verschijnen van de Morgenster, de planeet Venus (= heidense godin) of het Joodse Pesach? Kerstmis kwam in de plaats van de Germaanse zonnewende en/of het Joodse Chanoeka. Aswoensdag is onlosmakelijk verbonden aan carnaval, een traditioneel lentefeest waarbij de laatste restjes uit de vleespotten werden geschraapt. Zelfs de naam Christus verwijst naar ‘Chrestos’ een naam die ook werd gegeven aan de Perzische god Mithras en de Egyptische Osiris. Het kruis was bij de Babyloniërs een verwijzing naar de zonnegod en het chi-ro teken (P en X in elkaar verweven) bestond 2.500 jaar geleden al bij Perzen, Meden en Egyptenaren als verwijzing naar zonnegod en vader. Dus samengesteld Vader Zon. Zelfs het Latijnse woord ‘Amen’ verwijst naar Amon-Ra, alweer de Egyptische zonnegod. Ook het woord ‘bijbel’ verwijst naar Byblos, de kleindochter van de Griekse zonnegod Apollo. Er werd daar in het Midden-Oosten dus duchtig leentjebuur gespeeld.

Alleen de namen van dagen en maanden hebben de roomse pausen niet weten in te palmen. Die verwijzen nog altijd naar Germaanse of Romeinse godheden. Voor het overige hebben ze zowat alles van oude natuurvolkeren gestolen wat er te halen was. Met enig leedvermaak – maar ook met steeds toenemende ergernis – zie ik nu dat de omgekeerde beweging gaande is. Loontje komt om zijn boontje.

Volgens historicus prof. em. Van Uytven telden onze middeleeuwse voorouders minstens 60 kerkelijke feestdagen per jaar. Dagen dat er absoluut niet gewerkt mocht worden. Daar zijn er officieel nog zes van overgebleven en er is nauwelijks nog een mens, jonger dan dertig jaar, te vinden die de godsdienstige achtergrond ervan haarfijn weet uit te leggen. Die kerkelijke feestdagen zijn nog weinige restanten van 20 eeuwen alles overheersend christendom en hebben elke religieuze connotatie verloren. Pasen wordt overheerst door de paashaas en eieren rapen. Pinksteren betekent een verlengd weekend en wie de kalender goed in de gaten houdt, kan mits enig rekenwerk en spaarzame opname van enkele dagen verlof met Ons Heer Hemelvaart een hele week thuis blijven. Idem dito bij Halfoogst en Allerheiligen. Kerstmis is al veel eerder uitgegroeid tot een orgie van consumentisme en slemperij. Het kerstekind heeft al langer de duimen moeten leggen tegenover de Coca-Cola Father Christmas.

Aan al die rommel moest ik weer heel hard denken toen ik hier enkele verkleedde kinderen door de straat zag lopen om hun Halloween snoepjes op te halen. Die weten al heel lang niet meer waar Allerheiligen voor staat; tenzij voor griezel. Voor het overige hoop ik dat de chrysantentelers en –verkopers goede zaken hebben gedaan. En laat nu de sint en de Kerstmannen maar alvast aanrukken. Heeft u al een Abies nordmanniana, een Picea omorika of een Picea abies in huis gehaald? Haast u dan maar…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rule, Britannia, rule the waves

Het moet iets met dat verdomde Halloween van doen hebben, vrees ik. Waarom anders zou ik dan plots aan mijn Engelse buren op mijn winters verbanningsoord camping Benisol zitten denken?” Nu moet je weten dat ik op mijn vaste stekje aldaar vanuit alle windstreken door Britten omsingeld wordt. Ten oosten is dat een zekere James die er in het begin van dit jaar is neergestreken en er al die tijd in geslaagd is om met niemand uit de omgeving ook maar één woord te wisselen. In het zuiden zitten Angela en Dave, vriendelijke mensen en brave baasjes van Gibbs, een Welsh Springer spaniel. Die sukkelaar mag/kan geen vin verroeren zonder een terroristische tegenreactie van mijn Pyrenese herder Huub. Westelijk van mij hokt John, ooit gitarist bij een Britse popgroep op retour en nu bijna potdoof na een leven naast te sterk opgejaagde Marshall versterkers en slachtoffer van decibels spuwende luidsprekers. Aan mijn noordelijke grens tenslotte hokten tot halfweg dit jaar het in deze kolommen welbekende koppel Onslow & Daisy. Hoe die erin geslaagd zijn om hun krot voor overdreven veel geld te verlappen aan een buitengewoon luidruchtig koppel uit Manchester, snap ik nu nog altijd niet.

Dan heb ik het nog niet gehad over al die andere Britten, verspreid over de camping. Meer dan de helft van mijn campinggenoten komen van de overkant van het Kanaal. Het kunnen er ook meer zijn. Ook wil ik het niet hebben over de invasie van miljoenen Engelsen die jaarlijks de Costa Blanca onveilig maken. Dat ‘onveilig’ is wel letterlijk te nemen. Dagelijks strijken in de luchthaven van Alicante duizendkoppige horden neer vanuit Londen, Birmingham, Liverpool of Leeds, enkel gekleed in sandalen, T-shirt en bermuda om enkele dagen later compleet doorgezopen, kreeftenrood verbrand en zonder uit de kleren te zijn geweest, in identieke maar gorig vies geworden outfit weer naar hun eilandenrijk te vertrekken.

En wat mag dan wel het verband zijn tussen die Britten en Halloween? Wel kijk, de laatste dag van oktober proberen die zich massaal te verkleden als toverheks, wandelend geraamte, Edward Scirrorhands, een lid van de Addams Family, Freddy Krueger, Hannibal Lector of iets anders waarvan zij zich voorstellen dat het andere mensen de angst op het lijf jaagt. Ik zeg wel degelijk ‘proberen’ want uitgerekend die ene dag lopen ze er alleszins beter gekleed bij dan in hun doordeweekse plunje en ze zien er minder griezelig uit dan de rest van de tijd. Eens helemaal opgetut en geschminkt, trekken ze met hele busladingen naar het centrum van Benidorm waar ze met de rest van de dolgedraaide Britse kolonie de boel op stelten zetten. In het holst van de nacht strompelen ze dan ladderzat weer de camping op, struikelend over hun meegenomen macabere attributen maar meestal over de eigen voeten. Eentje doet een magere poging om een nachtelijk “Rule, Britannia, rule the waves” aan te heffen, en pas als ze er van overtuigd zijn dat héél de camping nu wel wakker zal zijn, nemen ze met veel kabaal afscheid van elkaar om dan in hun hok te kruipen.

Identiek scenario en gelijkaardige verkleedpartij herhaalt zich bij Saint-George’s Day (Engeland), Saint-David’s Day (Wales), Saint-Patrick’s Day (Noord-Ierland) en Saint-Andrew’s Day (Schotland). Alleen het kleurenschema in de kledij verandert: rood/wit, rood/groen, helemaal groen, of donkerblauw. Het zuipen en lawaaierige thuiskomst blijven hetzelfde.

Zo kende ik – altijd een beetje anglofiel  – de Britten toch niet. In de jaren 60 spoorde ik toch minstens om de drie weken naar Londen, want daar brandde de lamp. De nieuwste platen en je kleren kocht je in Carnaby Street, je boeken bij Foyles, voor de beste concerten moest je in Hammersmith zijn. Je kende John Mayall en zijn Bluesbreakers al lang vòòr je in Leuven ook maar een elpee van hem kon vinden, je zag er trends opduiken die pas een jaar later in België gemeengoed werden. Londen was één groot vat creativiteit. The place to be. Na mijn studies tuin- en landschapsarchitectuur, dweilde ik Kent, Dorset, Sussex, Surrey en Devon af, geen kasteeltuin wilde je overslaan. Je wist wie Capability Brown of W.A. Nesfield was.

Weer later verdwaalde ik in de Angelsaksische folkmuziek en je leerde die muzikanten van zeer nabij kennen. Bij jou waren ze kind aan huis en daarna werd je door hen voor een tegenbezoek uitgenodigd. In hun lokale ‘favourite pub’ goten ze je vol ‘pints of bitter’ en nadat ‘Last call for drinks’ had geklonken (toen moesten de pubs nog om 23 u sluiten) ging het feestje gewoon elders verder.

En toen werd ik veertig en ging bij de Mannen van het Jaar, een onstoffelijk werelderfgoed volgens UNESCO dat enkel en alleen in Leuven bestaat. Gewoonlijk moet je in je stichtingsjaar uitpakken met een onvergetelijke stunt en bij ons stond die in het teken van de bevrijding in 1944, ons geboortejaar. We haalden de overlevende oud-strijders van de Grenadier Guards – de eerste geallieerde soldaten die Leuven binnen trokken – weer naar hier en die brachten heel het huidige regiment mee, muziekkapel incluis. Onder massale belangstelling werd toen een “Trooping the Colour” georganiseerd op de Grote Markt. Uit dat alles volgden nieuwe vriendschapsbanden en herhaaldelijke passages tussen Oostende/Calais en Dover. Daar leerde je dan weer dat die kerels in hun rode tunieken, glimmende schoenen en berenmutsen (kolbaks) geen onderdeel waren van een frivool operettelegertje en niet enkel bedoeld om de toeristische aantrekkingskracht van Buckingham Palace te verhogen, maar gedrild werden tot fanatieke vechtmachines die zelfs nu nog een belangrijke rol spelen in openlijke en minder in het oog springende gewapende conflicten zowat overal in de wereld.

Hoe dan ook, je zat met het idee-fixe dat alle Britten zo maar uit hoofd Shakespeare en Keats konden reciteren (mét stiff upper lip), in de huiskamer het verzamelde werk van Purcell en Dowland konden spelen, dat ze allemaal alumni waren van Oxford of Cambridge, dat elke Engelsman zo grappig was als John Cleese en Michael Palin, dat ze allemaal woonden in een idyllisch dorpje van de Cotswolds. Waren het tenslotte niet de Britten die al in 1215 de Magna Charta wisten af te dwingen? Hadden zij niet het oudste parlement uit de wereldgeschiedenis? Ach ja, ze hielden er enkele rare gewoonten op na, waarvan een ontbijt met worstjes, bonen en tomaten nog het minst hinderlijke is. Ze hanteren eigenaardige wetten waarbij links rijden nog het minst kwaadaardige is. Ze wentelen zich halsstarrig in achterhaalde tradities zoals bier tappen zonder schuimkraag.

Spreekwoordelijk staan de beste paarden op stal. Eens daarbuiten is het al direct veel minder. Net zo goed kun je een Brit maar beter op zijn eiland laten. Van zodra hij ook maar één teen op het vasteland zet, wordt het een totaal ander verhaal. Dan raken die zogenaamd fijnbesnaarde, gedisciplineerde, wellevende en begripvolle Engelsen zichzelf totaal kwijt. De glitter van Downton Abbey wordt in één ruk de bagger van Trainspotting. Aan deze kant van het Kanaal moeten ze zich dan ook nog eens onderwerpen aan hemeltergende veranderingen zoals hun stevige ponden omzetten in armzalige euro’s, moeten ze aan de verkeerde kant van de weg rijden en in kilometers beginnen rekenen. Ze staan stomverbaasd als in een afgelegen Spaans dorp niemand een mondje Engels verstaat en indien dat uitzonderlijk toch het geval mocht zijn, vinden ze dat doodnormaal. Elke Fransman is een ‘frog’, elke Duitser een ‘jerry’, en al wat daartussen zit, zijn ‘bloody bastards’. Vertoeven ze ergens langer dan een dag, steken ze – in de beste kolonialistische tradities – meteen de Union Jack uit het raam. Blijven ze ergens langer dan een week gaan ze meteen op zoek naar landgenoten waarmee ze een samenscholingsakkoord sluiten om zich verder hermetisch van die vreemde buitenwereld af te sluiten. Een Engelsman die langer dan een jaar op dezelfde plek verblijft, eist meteen Britse producten in de naburige supermarkt. O wee, als ze ergens in een verloren dorp een vaste stek verwerven. Na dertig jaar hebben ze hun woordenschat al zeker met tien woordjes Spaans/Frans/Portugees aangevuld; voor zover de rest van de conversatie maar in het Engels kan verlopen, nietwaar.

Ze zingen wel altijd vol hartstocht ‘God save the Queen’ maar dat is dan nog altijd met Queen Victoria in het achterhoofd. Voor hun part is die nog altijd keizerin van India + verre omgeving en beheerst de imperiale vloot nog altijd de wereldzeeën. Hoe langer Britten in de negentiende eeuw – desnoods nog verder terug in de historie – kunnen hangen blijven, hoe minder ze aan de toekomst moeten denken. En kijk, die toekomst, daar wringt het schoentje. Probeer maar eens een open gesprek aan te gaan over de nakende Brexit. In hun ogen verzinken wij Europeanen in de kortst mogelijke tijd, van zodra zij uit de EU stappen, in schrijnende armoede, chaos en wetteloosheid. Zijzelf daarentegen belanden in een Hof van Eden 2.0 nadat Brussel het niet meer voor het dicteren heeft. Juist ja, denk je dan. Daarom is Groot-Brittannië nu al volop bezig zijn vierde wereld naar Frankrijk en Spanje te exporteren. Hier, op dit verduivelde continent, kunnen die mensen met hun povere uitkering of luizig pensioentje toch nog de indruk hoog houden tot een betere wereld te behoren.

Op 31 maart volgend jaar hang ik aan m’n caravan een spandoek met de eenvoudige boodschap: Goodbye! Met enig leedvermaak, bijna zeker. Misschien ook met een lichte pijn in de hartstreek. Met wie anders moeten we dan schouderophalend de spot drijven? Hopelijk grabbelt premier May niet in de goocheltrommel van Margaret Thatcher onzalige gedachtenis. Die moest tijdens haar regeringsperiode ook afrekenen met politieke, sociale en economische instabiliteit. Ze ontketende prompt een oorlog op de Malvinas (Falkland eilanden) die zowat 3.000 inwoners tellen en honderdduizend keer méér schapen. Het enige positieve aan die snertoorlog was dat de Argentijnse junta erover gestruikeld is. Was dat optreden geen goede zaak voor de 258 Britse gesneuvelden en hun families, dan toch goed voor Thatcher die heel Groot-Brittannië weer achter zich kreeg. De mensen verdronken hun ellende in opgeklopt patriottisme en enkele grootkapitalisten uit het militair-industrieel complex wreven zich in de handen. En het inspireerde Elvis Costello voor het prachtige lied ‘Shipbuilding’.

Stel je voor dat die betoeterde Boris Johnson, met die nog meer knotsgekke Nigel Farage in zijn zog,  zich hetzelfde in het hoofd halen, Brussel laten bombarderen en de kust tussen Nieuwpoort en Knokke belegeren. Ik hoor die twee nu al joelen: Rule, Britannia, rule the waves.

Voor het overige: cheerio old fellows.

 

Vlado (1970-2002)

Dag zoon. Proficiat. Vandaag zouden we jouw 48ste verjaardag vieren. Als en indien…

De hele vorige week heb ik geprobeerd jou een brief te schrijven. Of liever gezegd: geprobeerd de gevoelens waar ik de afgelopen 16 jaar op zitten kauwen heb van me àf te schrijven. Verdorie, wat was ik goed op dreef. Nog voor ik het me realiseerde zat ik aan zes A4-tjes en ik vond mezelf nog maar halfweg zijn. Het was een litanie van allerlei herinneringen, goede en vooral kwade, maar veel te uitgebreid, veel te lang uitgesponnen, en een volhardend lezer ben je toch al nooit geweest. Dus: select all & delete. Herbeginnen van vooraf aan.

Eigenlijk wil ik alleen maar iets zeggen, iets wat ik in het verleden altijd heb nagelaten te verwoorden, namelijk dat ik mezelf een enorme geluksvogel vind omdat jij in mijn leven geweest bent. OK, we hebben er alle twee een behoorlijke rotzooi van gemaakt maar dat laatste jaar van je bestaan maakte niet alles maar dan toch heel veel goed.

Misschien leken we te veel op elkaar, Vlado. Wederzijds veel te karig met liefde omgesprongen. Botsing van uitgesproken ego’s. Alle twee eeuwig zoekend naar een betere zelf, naar wie we eigenlijk zijn en hoe met elkaar om moesten gaan. Verloren gelopen dolers in deze warrige wereld en hoe harder we naar het juiste spoor zochten, hoe meer we de weg kwijt raakten. Elkaar verwijten naar het hoofd slingeren; het ene al meer terecht dan het andere. Te veel moeite gedaan om in alle omstandigheden de stoere bink uit te hangen. Onszelf verschuilen achter een grote bek. Grijnzende grootspraak naar buiten, huilen in stilte. Ergens in een afgelegen hoekje.

Nog altijd zit ik regelmatig in zo’n hoekje, maar wel steeds minder lang en met minder natte ogen, want eigenlijk was jij, wat stoere bink-gehalte betreft, nog veel straffer dan ik. Ik had je verdomme nog zo gewaarschuwd dat er uit die getroebleerde gedachtegang van jou maar één besluit te trekken was. Maar ja, je wilde toch al nooit naar me luisteren en koppig heb je die consequentie aanvaard. Mijn respect!

Dag zoon…

vlado