Sluipweg

Niet één grijs haar op mijn hoofd dat eraan denkt om ook maar een spatje sympathie op te brengen voor de partij van Lorin Parys. Wat zijn fractie in de Leuvense gemeenteraad uitvreet, gaat veelal niet verder dan berekend populisme en goedkoop hengelen naar nog goedkoper applaus uit het publiek. In zijn kritiek op de nieuwste ontwikkelingen in het circulatieplan ben ik het evenwel in grote lijnen hartsgrondig met hem eens.

Dat je in een stad als Leuven, met zijn middeleeuwse stratenpatroon dat totaal ongeschikt is voor het autoverkeer van de 21ste eeuw, iets moet verzinnen om het verkeer vlot te laten verlopen, staat boven elke betwisting. Dat die opdracht bijzonder moeilijk is, waarbij je soms op onoplosbare knelpunten botst, is vrij aanvaardbaar. Dat je daarbij bepaalde belangengroepen tegen de haren in strijkt en massaal tegenkantingen oproept, is de evidentie zelf. Je kunt nu eenmaal niet altijd goed doen voor iedereen. Maar… dat alles veronderstelt wel enige bestuurskracht en heel veel wijsheid. Helaas, in het stadhuis is het vaak danig speuren naar dat laatste.

Nog niet zo lang geleden kregen we in alle brievenbussen van Leuven een plannetje gedropt waarbij het verkeerscirculatieplan verduidelijkt werd. Leuven werd opgedeeld in zeven zones, die elk hun eigen kleurtje kregen. Artistiek zag dat grondplan er best aardig uit maar het ontbrak wel totaal aan elke vorm van legende. Het was dus raden naar de betekenis van die zwarte streepjes en de witte pijltjes in een rood cirkeltje. En die kleurtjes? Was het bedoeling om de stad in wijken op te delen om binnenkort, net zoals in Siena een jaarlijkse palio te organiseren? Op het Ladeuzeplein, bij voorbeeld. Zo’n paardenrace tussen zeven wijken, elk in hun eigen kleurtje, zou ongetwijfeld uitgroeien tot een toeristische hoogvlieger.

Toch niet. Elk kleurtje krijgt een eigen lus die stelselmatig van de ring terug naar de ring leidt. Een gemiste kans is wel dat die kleurtjes enkel zichtbaar zijn op de ring. Eens je de stad bent ingereden, worden die nergens meer herhaald. Je wordt aan je lot overgelaten en mag het zelf uitzoeken. “Gebruik de ring” is het nieuwe toverwoord in Leuven. Een prachtig idee dat duidelijk ontsproten is aan het brein van iemand die dat zelf nooit hoeft te doen, en al helemaal niet tijdens de spitsuren. Onze warm aanbevolen en veelgeprezen ring is immers geen ringweg in de ware betekenis van het woord maar een stedelijke verkeersader en dus niet geschikt en/of bedoeld voor doorgaand verkeer. Een echte ringweg zou toch minstens in een straal van vijf kilometer buiten het stadscentrum moeten liggen. In Leuven spreken we over ‘vesten’ en ‘singels’, oudere Leuvenaars over de ‘boelvaar’ en dat is ook wat die huidige ring is: een boulevard. Niet meer of niet minder.

Haast maniakaal heeft men zijn uiterste best gedaan om elke verbinding tussen die ‘kleurtjes’ onderling totaal onmogelijk te maken. Ik zie het zò voor mij: knappe koppen die over hun tekentafel gebogen staan met slechts één vraag: waar kunnen we een barrière opzetten om te verhinderen dat Guy Missotten vanuit zijn gele zone naar de oranje wijk kan rijden zonder een omweg over de ring. Hopsa, daar kunnen we nog een knip geven; we plaatsen er een verkeersbord C1 of C3, eventueel paaltjes of een bloemenbak. Als ik nu bij vrienden, hier drie straten vandaan maar in een anders ingekleurde zone, iets met de auto moet ophalen, dien ik eerst een halve ring rond te rijden en ben ik minstens een half uur onderweg. Voorheen was dat een klusje van nog geen 5 minuten, inclusief een kopje koffie. Als ik m’n broer in de rode zone of vrienden in de groene wil bezoeken, moet ik nu eerst langdurig nadenken en puzzelen om uit te vinden hoe ik er moet komen. Meer iets voor getrainde expeditieleiders.

Als onze goede stede de doelstelling “klimaatneutraal tegen 2050” wilt halen, zal men toch wat anders moeten verzinnen dan mensen nutteloos extra kilometers te laten rijden.

Helemaal te gek wordt het met wat men aan het Engels Plein, de Havenkant en het Sint-Jacobsplein van plan is. Dit is klooiwerk dat me doet denken aan de ‘bricolage’ uit de jaren 70 en 80, in het gouden tijdperk van Georges Sprockeels zaliger, zeg maar. Toen werd er geëxperimenteerd dat het een lieve lust was. Oei, zo werkt het niet goed, zullen we eens wat anders proberen. De grootste verkeersknoop in het Leuven van destijds was de oneindige ‘autocarrousel’ rond de Sint-Pieterskerk en de Grote Markt. Men staarde zich blind op dat ene punt in het centrum, zonder erbij stil te staan dat elke denkbare ingreep voor repercussies in héél de stad zou zorgen. De problemen werden niet opgelost maar gewoonweg naar elders verplaatst. In het wilde weg werden straten afgesloten of rijrichtingen aangepast, weliswaar naar de wensen van de meest luidruchtige roepers of de beste politieke vriendjes. In de Rijschoolstraat is dat ooit twee keer in één week tijd gebeurd om het uiteindelijk bij het oude te laten. Het voordeel daarvan was wel dat je geen tijd kreeg om je aan de nieuwe situatie aan te passen.

Wat men nu van plan is, wijst op nog meer nattevingerwerk, hetzelfde knip- en plakwerk op kleuterschoolniveau als destijds. Nu staart men zich weer blind op “doorgaand verkeer” en het magische “sluipverkeer” veroorzaakt door problematiek op de E314. Ook wel omdat – jawel – de ring rond Leuven stilaan verzadigd raakt. Om dat te verhinderen, geeft men een knip aan het Engels Plein, de Vaartstraat (Havenkant) en wilt men elke verbinding tussen de Brusselsestraat en Sint-Jacobsplein onmogelijk maken door een knip in de Kruisstraat. Waardoor de druk op de ring nog zal toenemen wat dan weer tot nieuwe sluipwegen leidt. En wie is daar het slachtoffer van? Juist ja, de doorsnee Leuvenaar.

Op het stadhuis is men blijkbaar vergeten dat niet elke Leuvenaar een afgetraind atleet is die moeiteloos van de Tervuurse Poort naar het station loopt. Er bestaan toevallig nog mensen die voor de minste verplaatsing hun auto nodig hebben. Niet alleen amechtige senioren zoals ikzelf, maar ook thuisverplegers, vaklui, winkeliers. Toen mijn vrouw nog gemeenteraadslid was, stelde ze daar omheen een vraag aan een ambtenaar/verkeersdeskundige die niet van Leuven is en niet in Leuven woont. Zijn antwoord: “Dan moet je de fiets maar nemen.” Kijk, hoe sterk ik het soms eens kan zijn met bepaalde punten uit het groene gedachtegoed, van iemand die betaald wordt met mijn belastingsgeld om mij als burger dienstbaar te zijn, verwacht ik wel een andere opstelling. Dezelfde dienstbaarheid verwacht ik ook van de ‘verkozenen des volks’ op het stadhuis, van welke partij dan ook. En dus vraag ik de dames en heren gemeenteraadsleden op te houden met “zever in pakjes” te verkopen en in de allereerste plaats aan het welzijn van de Leuvenaars te denken bij het uittekenen van nieuwe circulatieplannetjes. Dàt zijn tenslotte de mensen die al of niet voor hen moeten kiezen en niet de toevallige sluipwegzoeker uit Beringen o of Hasselt.

Er is natuurlijk nog een alternatief. Maak van de vesten, de boulevards en de singels een harde buitengrens, bouw een nieuwe omwalling met stadspoorten wachttorens, en laat de politie streng controleren op de toegang voor niet-Leuvenaars. Binnen de muren zijn alleen verplaatsingen met paard en koets, of met een riksja toegelaten. Desnoods zet je alle Leuvenaars in quarantaine. In dit barre tijdperk van coronavirus kan dat alleen maar gunstig uitvallen. Bovendien hoeven we dan niet te wachten tot we in 2050 de doelstellingen van Leuven Klimaatneutraal halen; tegen volgend jaar zetten we dan al een stevige stap in die richting.

10968368_960838553956809_2625430599202335607_n

 

 

What do you want to do ?

New mailCopy

What do you want to do ?

New mailCopy

Dilemma

Of deze blog na 5 maart nog zal voortgezet worden, is een open vraag. Die dag moet ik namelijk naar UZ Gasthuisberg voor een ‘intake gesprek’ over een dringend rookstop programma. Een gevolg van het feit dat ik de voorbije weken zowat vaste klant ben op de dienst pneumologie. Daar heeft men vastgesteld dat er van mijn longinhoud maar een derde meer rest van wat bij een gezonde mens mag verwacht worden. Longemfyseem heet dat dan. Ongeneeslijk en onomkeerbaar. In mijn persoonlijk geval komt dat ongetwijfeld en helemaal op het conto van de 60 jaar lange verslaving aan Tigra, blauwe Bastos en Gauloises.

Of ik ook daadwerkelijk aan dat programma zal deelnemen, en zo ja, of het me dan zal lukken om definitief met roken te stoppen, zullen we later wel zien.

Wat in godsnaam mag dat dan wel met deze blog van doen hebben? Niets en toch veel. Het is namelijk zo dat ik er maar niet in slaag om een behoorlijke zin neer te pennen zònder een sigaret binnen handbereik en dan nog liefst van al dat die tussen de lippen steekt. Dat was dertig jaar geleden al zo en dat is het nu nog altijd. De voorbije weken heb ik mezelf een beetje getest in het vooruitzicht van dat programma en het rokertje zo veel mogelijk aan de kant proberen te laten. Begon ik dan aan een stukje voor deze blog, stropte het schrijven al na de eerste zin. Na tien minuten zenuwachtig op de stoel heen en weer wriemelen, was het dan uiteindelijk toch weer grabbelen naar de drie vertrouwde accessoires: Gauloises tabak, JOB vloeitjes en de Zippo. Wil ik mezelf dan eens overtuigen om wat karakter te tonen, blijft het meestal wel steken bij wat staren naar een blanco scherm. Vandaar dat het in deze kolommen hier nu al dertien dagen droog staat.

Zodoende zit ik met een zwaar dilemma opgeschoteld. Of het is na 5 maart volledig gedaan met de saffies met het gevolg dat ik geen letter meer geschreven krijg. Tenzij natuurlijk mocht ik inspiratie opdoen uit het sabbelen op zoethout of tandenstokers. Ofwel doen we nog een beetje verder met ongezond leven en we zien wel verder welke onderwerpen hier nog behandeld worden, en op welke manier. Tenslotte: niet-rokers moeten vroeg of laat ook sterven.lisica

 

What do you want to do ?

New mailCopy

Voetbal een feest (voor sommigen toch)

“Voetbal wil niet raken aan voordelen” bloklettert mijn maandagochtendkrant. Kijk, dan wordt het je toch zwart voor de ogen. Voor zover alle Belgen al verondersteld worden gelijk te zijn voor de wet, geldt dat duidelijk niet voor profsporters en wel helemaal niet voor profvoetballers. Gelijk welk loon die betaald krijgen, moeten ze daarvan maximaal € 895,5 per maand bijdragen aan RSZ. Als je dan nagaat dat de bankrekening van nogal wat voetbalvedettes ELKE WEEK gespekt wordt met een som waarmee ze een kast van een huis kunnen kopen waar Jan met de Pet nauwelijks durft van te dromen, word je toch woedend. Nemen we Kevin De Bruyne als voorbeeld. Die heeft een maandloon van om en nabij € 1,8 miljoen en als die daar dan maar € 900 RSZ-bijdrage op moet betalen, betekent dat slechts 0,05 % van zijn inkomen. Poetsdames, bouwvakkers, verpleegsters, landbouwers, leerkrachten, havenarbeiders, of andere zware beroepen… zouden daar wat blij mee zijn want van loontrekkers wordt nu gemiddeld 13,07 % ingehouden als RSZ-bijdrage. Van onrechtvaardigheid en discrepantie gesproken.

Sportclubs hoeven maar 20 % van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing door te storten. Het resterende bedrag mogen ze naar eigen goeddunken in hun sportclub aanwenden. Hetzelfde regeltje mogen ze toepassen voor de sociale lasten. Een regelgeving waarvoor elke zelfstandige in dit land een gat in de lucht zou springen. Grosso modo betekenen deze gunstmaatregelen een jaarlijks gat in de staatskas van ruim € 150 miljoen. Nog is deze gulle staatssteun voor voetbalclubs niet genoeg. Het is een openbaar geheim dat in het voetbal de witteboordencriminaliteit weelderig tiert. Het is een uitgelezen circuit van zwart geld, witwaspraktijken, wedstrijdvervalsing en omkoping. Dat trekt niet alleen bedenkelijke figuren aan zoals een Zheyun Ye, de befaamde Gokchinees, maar ook algemeen gerespecteerde zakenlui, bouwpromotors, geheimzinnige buitenlandse investeerders, malafide makelaars, omhoog gevallen ondernemers of andere machtswellustelingen. Zum kotzen, zouden onze oosterburen zeggen.

Dan hebben we het nog niet gehad over de steun die uit stads- of gemeentekassen naar het voetbal vloeit. Zo kende de stad Leuven in de periode 2004-2011 drie leningen toe aan voetbalclub OHL voor een totaal bedrag van 6,2 miljoen euro. Die moesten pas 20 jaar later terugbetaald zijn, uiterlijk tegen 2031. Tijdens een van de laatste gemeenteraden die ik beroepshalve bijwoonde (en dat is intussen meer dan tien jaar geleden) werd aan diezelfde voetbalclub jaarlijks een subsidie van € 360.000 goedgekeurd. Voor de jeugdwerking, heette het. Helaas, een kind dat op Bruineveld graag een balletje wilt trappen maar waar OHL geen hoge doorverkoopwaarde in ziet, mag uitkijken naar een andere club. Of een andere sporttak.

In die vetpot zijn dan de onkosten voor veiligheid nog niet inbegrepen. Om de heetgebakerde supporters (?) tijdens een doodgewoon spelletje ‘potteke-stamp’ uit elkaar te houden, moet je welhaast een half politiekorps mobiliseren. Tegen weekend-tarief, weliswaar. Erger nog als het een zogenaamde ‘risicowedstrijd’ betreft. Wat dat aan ordehandhaving uit de stadskas hapt, staat bijna gelijk aan het jaarbudget dat een middelgrote gemeente aan zijn politie spendeert.

Om mijn vriend Omer H. te snel af te zijn: ik ken inderdaad geen snars van voetbal. Maar ik ben wel al heel lang een belastingbetaler, zoals de meeste Belgen. In die hoedanigheid heb ik dus wel het recht om daarover een mening te hebben. Heb ik daarom iets tegen voetbal? Bwah neen. Wie graag achter een balletje aan wilt hollen, moet dat voor mij niet laten. Wie daar graag wilt naar kijken, evenmin. Alleen kan ik maar niet snappen waarom ik, en met mij die 95.000 andere Leuvenaars die niet naar OHL gaan kijken, moeten opdraaien voor het financiële gesjoemel binnen alle voetbalclubs en de onkosten die hun thuiswedstrijden met zich meebrengen. Ik begrijp alleen niet waarom een bende randdebielen, zogenaamde ‘voetballiefhebbers’, na een wedstrijd telkens een spoor van vernielingen moeten achterlaten. Het raakt er bij mij maar niet in waarom mensen met een modaal inkomen bergen geld uitgeven om elf over het paard getilde en egocentrische ‘fafoelen’ (*) toe te juichen die al een honderdvoud van hun loon verdienen maar voor wie het nooit genoeg kan zijn. Voetbal een volksfeest? Het zal wel, toch voor zover je die voetballers niet vraagt om solidair te zijn met dat volk en evenveel aan de maatschappij bij te dragen als dat volk.

Hallo politici, er is werk aan de winkel. Ruim die stal eens dringend uit a.u.b.

 

(*) Fafoel: Brabants voor schijnheilige snoever.

vos 2

What do you want to do ?

New mailCopy

Leeftijd & vriendschap

Zonder absurd dramatisch te doen, raak ik er steeds meer en meer van overtuigd dat Jacques Brel zijn bijzonder mooie ‘Les Vieux’ speciaal voor mij heeft geschreven. Uiteraard is dat niet zo; toen hij het nummer uitbracht, moest ik nog twintig worden. In een onverdacht tijdperk, dus, waarin niemand van ons eraan dacht om oud te worden. En kijk, ondertussen ben ik officieel toegetreden tot de categorie ‘Oude Knarren’ en nu pas begint de inhoudelijke essentie van ‘Les Vieux’ wel echt tot me door te dringen. Laat het nog zijn dat mijn zondagse hoogtepunt (nog?) niet uit een glaasje muskaatwijn bestaat en dat hier in huis geen pendule hangt/staat die mij er constant aan herinnert dat ik al een geruime periode in geleende tijd leef. Voor het overige begint het wel allemaal zo’n beetje te kloppen met wat Brel in dit lied wilde uitdrukken.

Met de jaren heb je inderdaad minder noodzaak om te praten. Immers, alles wat moest gezegd worden, zou intussen al gezegd moeten zijn. En als een enkele keer toch de behoefte ontstaat om woorden te gebruiken, is het vooral om over vroeger te praten, diep weg gemoffelde herinneringen weer op te halen. Als ouwe knar heb je immers meer verleden dan toekomst en elk etmaal wordt dat verleden weer wat groter en slinkt de weinig resterende toekomst nog iets meer. Zoals een ijsberg met de dag steeds meer water wordt.

Met de jaren wordt de wereld inderdaad weer wat kleiner. Wat je wilde zien, heb je gezien. En wat nog oningevuld op je verlanglijstje stond, hoeft eigenlijk niet meer per se. De ideeën die je doorheen de jaren voor jezelf hebt gevormd, zijn niet meer te beïnvloeden. De interesses in de buitenwereld verschrompelen tot straatniveau, vriendenkring en familie. Je haalt je schouders op bij de nieuwste ontwikkelingen want de zin daarvan ontgaat je totaal. Je voorraad illusies is op. Je droomwereld wordt tot een strikt minimum beperkt. Je klampt je vast aan vroeger want dat ken je. Vroeger… dat was de zorgeloze tijd dat je nog kon dagdromen, dat je nog onbevangen je tanden durfde te zetten in de wereld. Vroeger had je nog geen liefde(s) verloren, had je nog geen beminden moeten begraven, je stond niet stil bij hormonale omwentelingen of prostaatklachten, het woord kanker werd toen nog discreet uitgesproken met een enkele hoofdletter K. Vroeger is ook de tijd van de onopgeloste vragen, van de gemiste kansen, dat je bepaalde dingen beter niet of juist wèl had gedaan. Het mooiste beeld dat Brel in zijn nummer ‘Les Vieux’ uittekent is dat oudjes “met tranen en verdriet het heden oversteken”. Zoals je een zebrapad oversteekt. Hopla, en daar denk je automatisch weer dat iconische beeld bij van de vier Beatles die naar de overkant van Abbeye Road lopen. ‘Vroeger’ is nooit ver weg.data49383924-cd83c0-e1568818186904Vous les verrez parfois/ En pluie et en chagrin/ Traverser le présent.

 

Och ja, na deze ietwat morose inleiding haast ik me om duidelijk te stellen dat ik persoonlijk het begrip ‘oud worden’ helemaal niet zo zwaar belastend ondervind als hierboven afgespiegeld. Meer nog, van mezelf vind ik het al een hele prestatie om zonder al te veel kleerscheuren de kaap van 75 gerond te hebben. Och ja, de knoken willen iets minder meewerken, het hart weet alleen nog met de externe hulp van een implantaat het normale ritme te houden en de longen voeren nog maar een fractie van het nodige zuurstofgehalte aan. Je moet al wat langer zoeken naar de naam van een verre bekende of naar het juiste woord maar voor het overige zit het in de bovenkamer nog wel allemaal op een rijtje. Je kunt nog altijd de meest interessante boeken lezen en genieten van Bach en Mozart. Als je zoals een bekwame boekhouder de balans van je leven opmaakt en tot het besluit komt dat de rekening klopt met winst op het einde van de rit, heb je eigenlijk niets om over te klagen? Het is wat het is, en daarmee uit.

Het enige wat ik na al die tijd wel erg betreur, zijn de intussen talrijk verloren vrienden. Elke verloren vriendschap is toch zoiets als de amputatie van een stukje van jezelf. Vriendschap is het allermooiste wat je als mens kunt en mag geven en wat je nadien nog eens honderdvoudig terugkrijgt. En verdorie, al die ‘gevers’ hebben mij uiteindelijk toch gekneed tot wie ik nu ben.

Ondertussen is mijn collectie gedachtenisprentjes bijzonder uitgebreid geworden. Van vrienden die verongelukt zijn of bezweken onder een kwalijke ziekte, blijft alleen nog prentje met foto over. Je bent ook vrienden kwijt geraakt omdat je er ooit welbewust mee gebroken hebt omdat ze op een bepaald ogenblik niet meer voldeden aan jouw normen van vriendschap. Helaas namen die even goed een stevige hap uit je eigen leven mee. En dan heb je – en gelukkig maar – nog die weinige resterende vrienden die het, net als jij, tot nu toe hebben weten vol te houden.

Vaak moet ik terugdenken aan het theoretische systeem van mijn overleden vriend Eddy W. de man die ik altijd aansprak met ‘tonton’. Die deelde vriendschap op in concentrische cirkels. In het kleinste, centrale cirkeltje stonden maximum vijf, zes namen. Hij beschouwde die als ‘onvoorwaardelijke vrienden’. In de daar omheen liggende cirkel zat de categorie ‘vrienden mits enkele voorwaarden’ en in de derde cirkel plaatste hij mensen die, mits extreme inspanningen hunnerzijds eventueel kans maakten op zijn vriendschap. Alles wat daar buiten lag, waren gewoonweg ‘kennissen’.

Zelf ben ik niet zo strikt in mijn indeling van vriendschap. Hoe ga je daarbij te werk? Met een puntensysteem, of wat? Eigenlijk bestaat er voor mij maar één cirkel en daar zit je in ofwel niet. Uiteraard verloopt de omgang met de ene al iets meer intens dan met de andere; ben je met de ene meer intiem dan met de andere. Uiteraard kan vriendschap verwateren; niets is eeuwig. Maar ook in dat geval blijft de gouden stelregel: wie mij ooit lief was, blijft me lief. Voor mij persoonlijk is vriendschap de hoogst haalbare vorm van liefde.

En dat brengt me dan weer naadloos bij het 21ste hoofdstuk van het wellicht mooiste boekje dat ooit geschreven is, namelijk ‘Le Petit Prince’ van Antoine de Saint-Exupéry. Daarin zegt de vos dat hij niet samen met het prinsje kan spelen omdat hij niet getemd is. Dan vraagt het prinsje wat dat betekent ‘getemd zijn’. Waarop de vos de – volgens mijn bescheiden mening – de meest gevoeglijke definitie van vriendschap weergeeft:

– Bien sûr, dit le renard. Tu n’es encore pour moi qu’un petit garçon tout semblable à cent mille petits garçons. Et je n’ai pas besoin de toi. Et tu n’as pas besoin de moi non plus. Je ne suis pour toi qu’un renard semblable à cent mille renards. Mais, si tu m’apprivoises, nous aurons besoin l’un de l’autre. Tu seras pour moi unique au monde. Je serai pour toi unique au monde…

En daarom zal ik hier zo snel mogelijk – morgen kan het al te laat zijn – hulde brengen aan al die mensen die mij hebben ‘getemd’ waardoor zij voor mij in deze wereld uniek zijn.

magnet-3d-le-petit-prince-et-le-renard

 

 

 

 

What do you want to do ?

New mailCopy

Weg zijn wij…

Met steeds verder openvallende mond van ongeloof en groter wordende ogen van stomme verbazing kijk ik regelmatig naar “Ik Vertrek”. Een spelletje ‘Mens Erger Je Niet’ haalt het niet bij dit halfuurtje televisie. Al na dertig seconden hoor je mij dan vertwijfeld uitroepen: “Maar godverdomme, hoe is dat nu toch mogelijk” of iets in de aard van “Hoe kun je nu zò dom zijn”. Dat Nederlands televisieprogramma wordt binnenkort trouwens door de kopieerzender VTM nageaapt want onze Vlaamse commerciële, zichzelf als ‘familiezender’ in de markt zettende omroep heeft constant nood aan dergelijke vormen van uitlachtelevisie om de eigen creatieve bloedarmoede te verstoppen. Zelf heb ik niet zo’n nood aan dit soort programma’s waarin sluwe producenten de goedgelovige en ietwat bête medemens te kakken zet. Waarom kijk ik er dan naar?

Wel, voor de eenvoudige reden dat het me grenzeloos boeit dat er toch nog altijd mensen met dromen bestaan, en dat die hun gezapige en veilige leventje willen en durven op te geven om die droom ook te realiseren. En zo zie je bijvoorbeeld een schoenmaker naar Noorwegen vertrekken, probeert een boer uit Drenthe het in Australië, is er eentje die droomt van een naturistencamping in een afgelegen gat ergens in het Boheemse woud, wilt een ander dan weer een yoga- en meditatiecentrum opzetten ergens plompverloren in de Hongaarse poesta. Een ander heeft dan weer zijn zinnen gezet op een chocoladewinkeltje in de Duitse Alpen, nog een ander begint aan een Bierstube in Oostenrijk.

De meerderheid van onze vertrekkende noorderburen kiest er voor om richting het zuiden uit te zwermen. Vooral Frankrijk is populair, en in mindere mate Spanje en Italië. Laat het nu zijn dat de naald van mijn innerlijke kompas ook wel altijd het zuiden uitwijst en dat een optrekje in Frankrijk al levenslang een droog gebleven droom van mij is geweest. Alleen moest ik daarvoor dan weer een andere droom opgeven, namelijk reizen naar Azië en Afrika. Ik koos voor het tweede en daar heb ik tot nu toe maar weinig spijt aan overgehouden. Och ja, intussen heb ik leren leven met het principe “Als je zelf geen eigen huis in Frankrijk hebt, moet je er maar voor zorgen voldoende vrienden te kennen die dat wél hebben”. En dat zijn er nogal wat.

Met het recente bezoek van kameraad JP en zijn teerbeminde zat ik de daarop volgende dagen constant te denken aan vergelijkingspunten met de lieden uit ‘Ik Vertrek’. Om uiteindelijk tot de slotsom te komen dat er geen vergelijking mogelijk is, behalve misschien het feit dat JP op een bepaald ogenblik ook besloten heeft om hier alles achter te laten en te vertrekken. Alleen had hij dat vertrek al jaren lang voorbereid, bij hem was het geen impulsieve ingeving van het moment. De kansen op totaal onvoorziene omstandigheden of niet ingecalculeerde ongelukjes worden daarmee toch al sterk verminderd.

Een belangrijke moeilijkheid waar JP al niet mee diende af te rekenen was de taalbarrière, iets wat menig Nederlander toch wel serieus parten speelt. Je zou er zelfs medelijden mee krijgen als je ziet hoe ze taalkundig moeten spartelen bij de lokale bakker of kruidenier. OK, voor een drieweekse vakantie aan de Côte d’Azur hoef je voor mijn part niet per se vooraf een cursus Frans te volgen, maar als je naar ginds wilt emigreren met de bedoeling er een nieuw leven te beginnen en niet meer terug te keren, is het toch wel aangewezen om eerst de taal van Molière min of meer onder de knie te krijgen.

Het kan nog erger want veel emigrantengezinnen nemen hun nog schoolplichtige kinderen mee. Van vandaag op morgen moeten die zich dan maar uit de slag zien te trekken in een hen totaal vreemd onderwijssysteem, in een hen totaal vreemde taal. In de kortst mogelijke tijd wordt zo’n kind een vat van opgekropte frustraties. Dat was dan toch al één factor die bij JP en zijn kinderen niet het geval was. JP was thuis tweetalig opgevoed omdat zijn ma een volbloed Française was. Die tweetaligheid kregen zijn kinderen van jongs af mee, en zo bleef hen toch al het scholentrauma bespaard.

Wat ook opvalt bij onze Nederlandse landverhuizers is dat hun motivatie beperkt blijft tot “ontsnappen uit de ratrace van de carrière” en “lekker genieten van het prachtige weer” om dan, duizend kilometer verderop naar het zuiden, zichzelf uit de naad te werken om van de door hen goedkoop aangekochte puinhoop ook nog iets te maken wat enigszins op een woning lijkt. Meestal hebben ze zich, in volle vakantiestemming, laten leiden door de idyllische omgeving en zijn ze, na een eerste oppervlakkige rondleiding door de makelaar, meteen naar de notaris gehold om het koopcontract te ondertekenen. Pas achteraf slaat de ene na de andere verrassing hen rond de oren en worden de verborgen gebreken zichtbaar. Dan pas moeten ze wanhopig vaststellen dat ze de meest noodzakelijke renovaties niet eens kunnen verwezenlijken met hun uitermate schraal uitgemeten budget.

Dat was bij JP niet het geval. Die ging niet naar Frankrijk om er van het mooie weer te genieten – wat hij uiteraard wél doet – maar ook en vooral om er ongeveer hetzelfde proberen te doen als in België, namelijk tuinaanleg, eventueel aangevuld met algemene bouwwerken. Reken maar dat die zich maar al te bewust was van de toestand waarin zijn pas verworven eigendom verkeerde en dat hij exact wist waar hij aan begon. Zoals ik hem van vroeger ken, weet ik dat hij al tijdens een eerste bezoek elk detail in zich opgenomen had, het kleinste gebrek opgemerkt, uit het hoofd al een prijsofferte berekend, plus een tijdschema opgesteld van de termijn die nodig was om de klus te klaren. Bijkomende troeven: hij kende het verschil tussen een betonmolen en een staafmixer, beschikte over alle noodzakelijke materieel en had ervaring zat opgedaan tijdens de ingrijpende totale renovatie van een enorme vierkantshoeve in Korbeek-Lo.

Nog een opvallend verschil: bij de Nederlandse landverhuizers gaan de hogere doelstellingen quasi altijd uit naar een B&B, door hen lekker tot ‘sjamberdoot’ verknoeid, eventueel aangevuld met enige campingfaciliteiten. Dat je voor dat laatste toch enigszins moet voldoen aan de strikte regelgeving die daaromtrent in Frankrijk wordt toegepast, is hen tot eigen verbazing en gramschap enigszins vreemd gebleven. Tja, hoe is het toch mogelijk dat in Frankrijk verboden is wat ook in Nederland niet mag… Oeps, waren we toch wel vergeten om voor het grote vertrek ook maar enige gedetailleerde informatie in te winnen. Daar hadden ze niet bij stil gestaan. Daar tegenover staat dan weer dat, nog voor de eerste hamerslag is gegeven, de eerste steen is gemetseld of het eerste onkruid is gewied, de website van hun “bedrijf” al online staat en zitten ze vol ongeduld reservaties af te wachten want “er moet nog wat geld in het laatje komen”. Gegarandeerd komen ze met de afwerking van hun pand in tijdnood te zitten en de eerste gasten dienen ze te verwelkomen in een bouwwerf.

Nu ken ik toevallig een stapel Belgen die in meer onverdachte tijden met hetzelfde idee van een B&B naar Frankrijk zijn getrokken. Slechts bij één daarvan weet ik met zekerheid dat die onderneming ook winstgevend is, en dus levensvatbaar. Daar staat dan weer tegenover dat de constante bezetting, de opvang van de gasten en het daarbij horende werk hun boven het hoofd groeit en dat was uiteindelijk de bedoeling ook weer niet. Bij sommige is het een kleine bijverdienste en betekenen die tijdelijke gasten een leuke onderbreking in de dagelijkse sleur. Helaas hebben de meeste het intussen met een lichtjes verbitterde nasmaak al weer opgegeven. Tja, eens de familie en de meest intieme vriendenkring is gepasseerd, valt het niet mee om een regelmatig terugkerend cliënteel op te bouwen. Bij JP zat het anders. Bezetting van de gastenkamers was voor hem geen noodzaak; in zijn kasteel had hij ruimte op overschot en daar kon hij misschien toch wat mee doen.

Wat me wel het meest opvalt bij onze Nederlandse vrienden – enkele uitzonderingen daar gelaten – is hun schrijnend gebrek aan inleving- en aanpassingsvermogen aan de “Franse slag”. De kleuren van de Nederlandse en de Franse vlag zijn weliswaar dezelfde, zij het nog in een andere rangschikking, maar voor het overige staat men ginds helemaal anders tegenover het leven dan in het Hollandse polderland. Eens voorbij de Loire krijgen uren, dagen en maanden, en het begrip ‘horaire‘ een andere invulling. Als een Franse loodgieter “demain” zegt, bedoelt hij daarmee “misschien in de loop van volgende maand”. Een elektricien die belooft een klus in twee dagen te klaren, heeft daar minstens zes weken voor nodig; voor zover je hem al over de vloer krijgt. Een telefoonaansluiting aanvragen, betekent een procedure van minstens zes maanden en je mag al blij zijn als een bouwvergunning binnen de twee jaar wordt afgeleverd. Een winkel kan gesloten zijn terwijl er aan de deur een bordje “Ouvert” hangt. Wie met die mentaliteit niet overweg kan, heeft binnen de kortste keren last van haaruitval, hartklachten en gierende zenuwen.

Bijzonder lachwekkend is het wanneer de ingeweken Nederlanders in een gulle buit hun nieuwe buren verwelkomen en hen trakteren op versnaperingen die “typiquement Hollandais” zijn, zoals bijvoorbeeld beschuit met muisjes, stroopwafels, bitterballen, frikandel, patat of kroket en dat alles laten wegspoelen met een Heineken, Amstel of goedkope maar totaal ondrinkbare wijn. De Fransen hebben te veel cultuur om daarbij meteen de middenvinger in het keelgat te wringen en zeggen zeer beleefd “Ah bon” en “merçi beaucoup” maar ze kijken naar die dingen alsof je hen konijnenkeutels wilt opdissen, overgoten met verdunde terpentijn en gaan voorzichtig op zoek naar een plantenbak waarin ze dat goedje discreet kunnen laten verdwijnen.

Het mag vreemd klinken maar ik ben altijd verheugd als na een jaar vier, vijf weer een cameraploeg bij de betrokken emigranten neerstrijkt. Sommige zijn er tot mijn opluchting finaal toch in geslaagd om hun droom ook gerealiseerd te zien, ook hadden ze in het begin de wind volledig tegen. In een enkel geval krijg je ook mensen te zien die met hangende pootjes en een stapel illusies armer weer noordwaarts zijn getrokken en in de hen meer vertrouwde omgeving weer van nul af moeten herbeginnen. Bij die mensen klinkt steevast dezelfde verklaring: OK, het is ons niet gelukt maar ik zou mezelf heel mijn leven lang kwalijk nemen het niet geprobeerd te hebben. En dat is, denk ik toch, de enige juiste benadering. Dus zijn ze in mijn ogen allemaal met glans in hun opzet geslaagd.

En vooraleer ik door mijn Nederlandse vrienden weer overstelpt wordt met verwijten als zou ik “constant Hollanders zit af te zeiken” nog dit: wacht eventjes tot het flutkanaal VTM met zijn eigen versie begint. Ik durf erom te wedden dat er in België evenveel semi-geflipte dagdromers te vinden zijn als in Nederland en of die het er beter vanaf zullen brengen, laat ik hier voorlopig nog graag in het midden.

Waarmee ik nog altijd met de prangende vraag zit: wat drijft mensen ertoe om aan dergelijke programma’s deel te nemen?zivali_lisica

 

 

 

 

What do you want to do ?

New mailCopy

Een goede fictiereeks, deel II

En kijk, nog maar een uurtje nadat ik mijn respect voor Karin Brouwers heb opgezegd, publiceert De Tijd de volgende reconstructie van de feiten. Een ideaal scenario voor de door Brouwers gewenste “goede fictiereeks over de VRT”. Alleen is dit geen fictie maar verdomde harde realiteit. Met een bijzonder duistere hoofdrol voor supertsjeef Luc Van den Brande. Oordeel zelf maar…

 

Woensdag 29 januari

RECONSTRUCTIE

Wie deed kop rollen van VRT-topman Lembrechts?

Aan de top van de VRT heeft zich een opmerkelijke machtsstrijd afgespeeld die deze week de kop kostte van CEO Paul Lembrechts. Wat begon als een intern conflict in het directiecomité groeide uit tot een koningsdrama vol intriges, manipulatie en intimidatie. Een reconstructie in zes bedrijven.

I: Een opportunistische mail

Een vrijdag in het najaar van 2019. In de mailbox van Lieven Vermaele, directeur financiën en operaties van de VRT, komt een bericht binnen. Of hij dringend het budget – 1,3 miljoen euro – kan goedkeuren voor de talkshow van de Olympische Spelen in Tokio, die Woestijnvis zal produceren. Uiterlijk om 18 uur moet de toezegging binnen zijn. De afzender is Peter Claes, directeur media en productie en de feitelijke nummer twee aan de Reyerslaan.

Vermaele aarzelt. Omdat het om een belangrijk contract gaat met een grote financiële impact, antwoordt hij dat dit op het directiecomité moet worden besproken. ‘We moeten ons niet onder druk laten zetten’, vindt hij. In de volgende uren komt het tot een botsing tussen Vermaele en Claes, waarbij beiden elkaar intimiderend gedrag verwijten.

Twee dagen later krijgt Vermaele zijn collega opnieuw aan de lijn, die nu op iets meer zalvende toon zegt: ‘Een medewerker van mij heeft hier heel het weekend van wakker gelegen. Sommigen op mijn afdeling vragen zich af of ze nog voor zo’n bedrijf kunnen werken. Je hebt me verkeerd begrepen. Ik vroeg een risicoinschatting.’

Vermaele heeft er genoeg van. Hij is sinds begin 2019 actief in het directiecomité en in die periode zag hij diverse deals van Claes passeren die hem de wenkbrauwen deden fronsen. Deals die voor een termijn van vijf jaar werden afgesloten, hoewel de publieke omroep de komende vier jaar 40 miljoen euro moet besparen en op het punt staat over een nieuwe beheersovereenkomst te onderhandelen met de Vlaamse regering. Onverantwoord, vindt hij.

De details van een contract met De Mensen kreeg hij naar eigen zeggen pas te zien toen Claes alle details met het productiehuis had afgerond. De impact van die deal voor de VRT is niet gering. Ze komt neer op een uitgave van 40 miljoen euro voor de komende vijf jaar, ongeveer 12,5 procent van het totale budget voor externe producties. Bovendien werd de deal gekoppeld aan een exclusiviteitscontract voor de tv-vedette Tom Waes en ging de kostprijs voor het programma ‘Blokken’ van Ben Crabbé fors de hoogte in.

Ook de andere directieleden zijn het volgens hen eigengereide en weinig transparante handelen van Claes beu. Ze vinden dat hij niet alleen polarisering in de hand werkt door collega’s te intimideren. Hij zou ook ‘subtiel’ de digitale strategie van de VRT tegenwerken en gesprekken voeren met rivalen, zoals DPG Media en politici bij de N-VA en het Vlaams Belang, zonder daarover af te stemmen met de rest van het directiecomité.

Een mail die Claes op 3 oktober naar de andere directieleden had gestuurd, zonder voorafgaand overleg met CEO Paul Lembrechts, had de spanningen al op de spits gedreven. Het Vlaamse regeerakkoord was toen enkele dagen oud. Claes beschreef het akkoord, dat de VRT opdroeg te evolueren naar een ‘moderne, slanke en slagkrachtige mediaorganisatie’, als een ‘DPG-akkoord’, verwijzend naar de commerciële groep van Christian Van Thillo. In de mail wees hij op de urgentie en stelde hij voor de gesprekken voor een nieuwe beheersovereenkomst zelf te leiden.

Lembrechts vond dat ongepast en liet dat meteen aan Claes weten. Ook de andere directieleden lieten de VRT-CEO weten er geen vertrouwen in te hebben. Ze waren ook verontrust door andere signalen: Claes had gesprekken gehad met DPG Media en andere spelers, onder het mom van de opstart van een Vlaams Netflix, en hij zou dat doen met een andere agenda. Hij zou daar hebben laten blijken dat de VRT met hem aan het hoofd er helemaal anders zou uitzien.

Voor Lembrechts is de maat vol. Hij vermoedde al langer dat Claes op zijn stoel aast. Vier jaar geleden was die de enige interne kandidaat om CEO te worden van de VRT, maar de job ging toen naar Lembrechts. Door nu zo openlijk te hengelen naar de topfunctie is er voor hem sprake van een vertrouwensbreuk, die verdere samenwerking in het directiecomité onmogelijk maakt.

Met die boodschap stapt Lembrechts op woensdag 27 november naar zijn voorzitter, de CD&V-politicus Luc Van den Brande. Hij vraagt hem om het ontslag van Claes, een beslissing die volgens de VRT-statuten moet worden genomen door de raad van bestuur. Lembrechts suggereert Van den Brande om zijn oor ook te luisteren te leggen bij de leden van het directiecomité. De voorzitter beseft dat hij een explosief dossier in handen heeft en brengt nog dezelfde week de minister van Media, zijn partijgenoot Benjamin Dalle, op de hoogte.

Er volgen persoonlijke gesprekken van elk directielid met de voorzitter. Daarop stelt Van den Brande een meeting met de CEO en het hele directiecomité voor om te zien of de breuk nog hersteld kan worden. Maar zover komt het niet. Claes pikt de verwijten aan zijn adres niet en laat dat zijn collega’s duidelijk merken. De onrust in het directiecomité neemt toe. Lembrechts moet een privéreisje naar New York halsoverkop afbreken. Als hij op dinsdag 3 december op de luchthaven landt, contacteert hij meteen de voorzitter. Die laat hem weten dat er in de raad van bestuur geen draagkracht is voor het ontslag van Claes. Nochtans heeft er nog geen zitting van de raad plaatsgevonden. Enkele bestuurders bevestigen aan De Tijd dat ze op dat ogenblik nog niets over het conflict hadden vernomen.

Diezelfde dag gaat Lembrechts samenzitten met de voorzitter en Claes en vraagt hij die laatste of hij denkt nog te kunnen functioneren in het directiecomité. ‘Ja,’ zegt Claes, ‘maar niet meer met u.’ Op de vraag of hij nog met de anderen kan functioneren, luidt het antwoord: ‘Ja, dat wel.’ Waarop Lembrechts zegt: ‘Ik vrees van niet.’ Het wordt duidelijk dat de breuk tussen de nummers één en twee niet meer te lijmen valt.

II: De confrontatie

Op donderdag 5 december roept Van den Brande het benoemings- en remuneratiecomité bijeen om over het conflict aan de top te oordelen. Lembrechts en Claes komen er hun verhaal doen. Ook de andere directieleden willen aanwezig zijn, maar de VRTvoorzitter weigert dat. Hij wenst alleen een tegensprekelijk debat te houden tussen de CEO en zijn directeur media en productie.

‘Die documenten horen hier niet thuis’, klinkt het ongeduldig. Er volgt een heftige discussie waarbij Luc Van den Brande boos het papier verscheurt.

Om hun argumenten toch aan de leden van het comité voor te leggen vraagt Lembrechts aan directeur informatie Liesbet Vrieleman, technologiedirecteur Stijn Lehaen, hr-chef Hans Cockx en CFO Vermaele hun bezwaren op papier te zetten. Hij neemt de documenten mee naar de vergadering en wil ze aan de leden overhandigen, maar de VRT-voorzitter verhindert dat. ‘Die horen hier niet thuis’, zegt hij ongeduldig. ‘Formeel gezien is enkel de CEO de gesprekspartner van het remuneratiecomité.’ Er volgt een heftige discussie waarbij de voorzitter boos het papier verscheurt.

Dirk Sterckx, die voor Open VLD in de raad van bestuur van de VRT zit, kijkt verbouwereerd toe. ‘Ik heb nog één vraag’, zegt hij tijdens de vergadering. Hij richt zich tot Claes, en vraagt: ‘Ziet u zichzelf nog functioneren in het directiecomité?’ Het antwoord luidt: ‘Nee, in deze omstandigheden acht ik dat niet meer mogelijk.’

Een kleine week later komt het remuneratiecomité opnieuw bijeen. Daar laat Sterckx de vergadering weten: ‘Ik denk dat Claes moet vertrekken op basis van de informatie waarover we beschikken.’ Maar hij wordt niet gevolgd door voorzitter Van den Brande en N-VA-bestuurder Nico Moyaert, het andere lid van het remuneratiecomité.

In de aanloop naar de belangrijke raad van bestuur van 16 december, waar het ontslag van Claes zal worden voorgelegd, doet Lembrechts nog een ultieme poging om de zaak in der minne te regelen. In overleg met Van den Brande stelt hij Claes voor op het einde van het jaar ontslag te nemen, met behoud van zijn uitstapvergoeding. Hij wil hem een tijdelijke rol als strategisch adviseur aanbieden zodat hij de nodige tijd heeft om andere horizonten te verkennen. Claes antwoordt dat hij daar nog geen beslissing wil over nemen.

III: Claes op non-actief

Op 16 december geeft Van den Brande de VRT-bestuurders een korte beschrijving van de feiten. Hij deelt een nota uit waarin sprake is van een positieve evaluatie die Claes van zijn CEO kreeg voor het halen van zijn doelstellingen in 2018. Er wordt ook vermeld dat de juridische basis voor een ontslag te zwak is, maar er staat niets in over de vertroebelde relatie tussen Claes en zijn collega’s en over zijn betwiste zakelijke demarches.

Lembrechts wordt op zeker ogenblik gevraagd de zaal verlaten. Als hij weer binnenkomt, krijgt hij te horen dat de raad niet op het ontslag ingaat. Tijdens de kerstdagen zal men alles rustig bekijken en proberen het vertrouwen te herstellen. Lembrechts reageert boos en besluit diezelfde avond Claes op non-actief te zetten.

Als de overige directieleden door de VRT-voorzitter worden ingelicht dat Claes niet ontslagen wordt, staan ze perplex. Na onderling overleg besluit het viertal het heft in eigen handen te nemen. Ze maken een samenvatting van de nota’s die elk van hen over Claes heeft geschreven, en mailen ze in de vorm van een brief naar alle bestuursleden.

Aan het begin van de kerstvakantie barst de bom. De brief van de directieleden lekt uit, het conflict ligt op straat.

Ondertussen begint de geruchtenmolen in en rond de VRT te draaien. Op vrijdagavond 20 december, het begin van de kerstvakantie, barst de bom. De brief van de directieleden lekt uit, het conflict ligt op straat. Van den Brande probeert de crisis diezelfde avond te bezweren met een mail aan enkele journalisten, waarin staat dat de raad van bestuur ‘unaniem’ het vertrouwen in Claes herbevestigt. Dat klopt niet, want op zich is die vertrouwensvraag nooit ter stemming voorgelegd. Een dag later moet Van den Brande bijsturen. Via het persbureau Belga beperkt hij zich tot de mededeling dat de raad ‘niet is ingegaan op de vraag tot ontslag van Claes’.

Bij de VRT tekenen zich al snel twee ‘kampen’ af – rond Claes en Lembrechts – min of meer volgens bepaalde contouren. Claes heeft aanhang bij enkele tv-vedetten, bij externe productiehuizen en bij managers die nauw met hem samenwerken. Lembrechts krijgt steun van de vakbonden en de personeelsvereniging Iedereen VRT, waar hij zich populair heeft gemaakt met zijn verzet tegen de door de Vlaamse regering opgelegde besparingen. In beide kampen worden de vermeende negatieve karaktertrekken van de twee tegenstanders zwaar uitvergroot. Claes wordt omschreven als een sluwe manipulator, een arrogante man zonder empathie. Lembrechts wordt weggezet als een impulsieve en op macht beluste CEO, die niet echt met zijn dossiers bezig is en geen daadkracht vertoont.

Van enige poging tot verzoening is in de eerste kerstweek geen sprake. Lembrechts noch Van den Brande probeert opnieuw met Claes om de tafel te zitten. De voorzitter pleegt wel overleg met individuele mensen in de VRT en daarbuiten, die hem diverse adviezen geven. Er worden voorstellen geformuleerd om het takenpakket van Claes te verkleinen of te veranderen, maar de voorzitter doet er niets mee.

IV: Een verdeelde raad

Op vrijdag 27 december stuurt Van den Brande een uitnodiging voor een nieuwe bijeenkomst van de raad van bestuur op 30 december. Enkele bestuursleden zakken die maandag af naar Brussel in de overtuiging dat Claes zal worden ontslagen. Dat lijkt hen het meest logische scenario, gezien de vertrouwensbreuk met zowel de CEO als het directiecomité. Anderen delen die mening niet. Ze zijn verontwaardigd over de demarche van het directiecomité en vermoeden er een poging in van Lembrechts om zijn ondergeschikten te mobiliseren tegen Claes. Dat de vakbonden de kant van de CEO kiezen, maakt hen nog bozer. ‘We hadden om toenadering gevraagd en die heeft hij niet gezocht’, klinkt het.

De bestuurders raken het tijdens de vergadering niet eens over de vraag of de brief van de directieleden nieuwe elementen aanbrengt. Sterckx en de vertegenwoordigers van de oppositie vinden van wel. Uit die hoek komt de vraag naar een snelle en doortastende beslissing – lees: het ontslag van Claes – te nemen en zo verdere reputatieschade te vermijden.

De bestuurders van de meerderheidspartijen willen daar niet op ingaan en hebben vooral kritiek op Lembrechts, wiens positie almaar meer in vraag wordt gesteld. ‘Hij heeft niets ondernomen om te verzoenen en alleen meer onrust gezaaid’, luidt het verwijt. Dat Lembrechts begin december genoemd werd als kandidaat-voorzitter van Belfius wordt door CD&V-bestuurder Chris Verhaegen ook op tafel gegooid. Is hij nog wel voldoende gefocust op zijn job?

Van den Brande blijft aansturen op een verzoeningspoging en tovert een wit konijn uit zijn hoed: de aanstelling van een bemiddelaar. Dat wordt Fabiaan Van Vrekhem, de topman van het rekruteringsbureau Accord. De man heeft in 2016 Lembrechts ook geselecteerd als CEO. De raad aanvaardt het voorstel, zij het niet unaniem. Twee bestuurders onthouden zich – wat maar zelden voorkomt in een orgaan dat doorgaans een consensus zoekt. Ze begrijpen niet waarom de zaak nog langer gerekt wordt.

V: Dalle grijpt in

De VRT-CEO wordt ontboden op het kabinet. ‘U hebt uit te voeren wat de raad van bestuur heeft beslist’, krijgt hij daar te horen.

Intussen zit de politieke wereld niet stil. Officieel luidt het standpunt dat de Vlaamse regering ver weg wil blijven van het conflict aan de top van de VRT. Maar op 7 januari verzoekt Dalle Lembrechts om naar zijn kabinet te komen. ‘U hebt uit te voeren wat de raad van bestuur heeft beslist’, krijgt hij daar te horen. De minister vraagt hem ook wat hij zal doen als de bemiddelaar beslist om Claes terug te laten komen. ‘Laat ons eerst afwachten’, antwoordt de VRT-topman.

De geruchten over een exitscenario voor Lembrechts worden luider. De CEO van de publieke omroep heeft zijn hand overspeeld, is te horen in Vlaamse regeringskringen. Door zijn openlijk verzet tegen de besparingen wekte hij de indruk dat de onderhandelingen over een beheerscontract erg moeilijk zouden worden. Dat werkte bij de N-VA en CD&V als een rode lap op een stier.

Om het explosieve dossier in goede banen te leiden zonder dat het in politiek vaarwater komt, rekent CD&V op oude rot Van den Brande. Er wordt afgesproken dat de 74-jarige politicus er nog eens twee jaar mag bijdoen als voorzitter van de raad van bestuur. Zo wordt zijn droom vervuld: aan het roer blijven van de VRT tot de nieuwe beheersovereenkomst is getekend. In ruil mag de N-VA na zijn exit een opvolger aanduiden.

VI: Exit Lembrechts

Zaterdagavond, 18 januari, krijgt Lembrechts van Linde De Corte, de kabinetschef van Dalle, telefoon. Of hij zondag om 19 uur naar het kabinet kan komen. Daar krijgt hij van de minister te horen dat die is ingelicht over de inhoud van het rapport van de bemiddelaar. De CD&V-politicus gaat er niet verder op in. Hij zegt wel aan Lembrechts dat hij de volgende dag niet meer op de VRT moet verschijnen. Hij is ontslagen. Dat hij er als VRT-topman niet in geslaagd is de rangen te sluiten in zijn directiecomité, wordt als reden gegeven.

De dag daarna maakt Dalle op een persconferentie het nieuws van het ontslag bekend. VRT-oudgediende Leo Hellemans wordt als CEO ad interim het veld ingestuurd. Zijn taak is een ‘afkoelingsperiode’ in te lassen en de directie weer op één lijn te krijgen. De Vlaamse regering zet de zoektocht naar een nieuwe CEO in. Maar eerst moet alle puin worden geruimd voor die aan zijn opdracht kan beginnen.

Diezelfde dag komt ook de raad van bestuur van de VRT bijeen. Maar eerst is er nog een sessie met het remuneratiecomité. Daar komt Van Vrekhem het rapport, dat hij vijf dagen eerder aan Van den Brande heeft bezorgd, mondeling toelichten.

Uit het rapport van de bemiddelaar blijkt dat de gedragsproblemen van Claes geen nieuw fenomeen zijn, maar al meerdere jaren bestaan.

De leden van het remuneratiecomité krijgen er te horen dat de gedragsproblemen van Claes geen nieuw fenomeen zijn, maar al meerdere jaren bestaan. En dat de aandachtspunten op dat vlak aanzienlijk zijn. Het remuneratiecomité verneemt er ook dat bij de andere leden van de directie ‘geen fundamentele aandachtspunten’ zijn vastgesteld die oorzaak zijn van het conflict. Die problemen zijn echter veel te laat ter sprake gebracht.

Ook Lembrechts had in het conflict meer daadkracht mogen tonen, het probleem sneller moeten aankaarten en de feiten vroeger moeten duiden, luidt het rapport.

Het conflict heeft geleid tot een vertrouwensbreuk die niet meer kon worden hersteld. Claes krijgt het advies zijn loopbaan te ‘heroriënteren’. Voor Lembrechts adviseert het rapport alleen dat hij zijn functie kordater en met meer zichtbaarheid kon uitdragen. Van een ontslag is geen sprake.

Zowel Van den Brande als voogdijminister Dalle weigert de inhoud van dit rapport vrij te geven.

 

What do you want to do ?

New mailCopy