Het beste boek van 2019

“Heb je nu nog altijd geen boeken genoeg over de Bourgondiërs? Wil je er nu dit ook nog bij?” Zo klonk de vermaning van Mieke nadat ik in de boekenbijlage van m’n krant in vette lijnen grote cirkels rond een bespreking had gedraaid. De omcirkeling van zo’n recensie is voor Mieke het stille signaal dat dit boek bij de eerstvolgende passage in de buurt van onze vertrouwde boekenwinkel meteen gekocht, zo niet toch dringend besteld moet worden. Natuurlijk had ze wel groot gelijk – zoals meestal – over de late Middeleeuwen in onze gewesten zijn niet veel boeken verschenen of ze staan hier wel ergens op mijn boekenschelf. Tja, het is natuurlijk ook een van de meest boeiende periodes uit onze geschiedenis: de opkomst van de steden, de finale spartelingen van de feodaliteit, het ontstaan van de Nederlanden.9789403139005.img

Goed, geen week later lag hier dus dat gewenste boek op de tafel, namelijk “De Bourgondiërs, Aartsvaders van de Lage Landen” van Bart Van Loo. Omdat ik naar slechte gewoonte meestal met twee, drie boeken tegelijk bezig ben, bleef dit meesterwerk van Van Loo nog een tijdje op de ‘schuldstapel’ liggen, dat is de constant aangroeiende hoop boeken die ik nog dringend lezen moet maar wat altijd op de lange baan wordt geschoven. Uiteindelijk ben ik er recent aan begonnen en jawel hoor, het is weer zo’n boek waarvan je achteraf spijt hebt dat je aan de laatste pagina bent toegekomen. Van Loo is weer in beste doen.

Uiteraard begon ik er met enige voorkennis aan maar per pagina groeide het besef je bij andere auteurs blijkbaar veel gemist hebt. Bart Van Loo daarentegen houdt je bij de les en drukt je met de neus op verbanden die je niet vermoedde of niet gelegd had. Zonder daarbij het totaalplaatje uit het oog te verliezen. De Bourgondische hertogen waren wel altijd ergens in een oorlog verwikkeld, was het niet tegen Frankrijk dan toch om hun eigen, wel altijd tegenspartelende steden onder de knoet te houden. Daarbij gingen ze niet bepaald zachtzinnig te werk; in ons huidig wereldbeeld zouden vergelijkingen met Assad, Maduro of Kim Yong-un niet veraf zijn. Waren ze niet bezig met politiek gekonkel of het plannen van moordlustige aanslagen, dan probeerden ze toch hun kinderen aan gunstige partijen uit te huwelijken, voor zover ze niet zelf een rijke bruid aan de haak probeerden te slaan. Zaten ze niet in de kerk godvruchtige devotie te veinzen, dan kropen ze toch wel ergens onder vreemde lakens. Filips de Goede zou zoveel bastaarden hebben verwekt dat “historici zijn opgehouden met tellen”. Waren de ambitieuze hertogen niet constant met hun mobiele hofhouding onderweg dan staken ze wel de benen onder rijk gevulde tafels. Alles wat de hertogen ondernamen, stond in functie van hun public relations en ging gepaard met pracht en praal, met veel schone schijn en nog meer glitter. Bedoeling: concurrenten op het politieke toneel en de eigen onderdanen met verstomming slaan en zo ontzag en respect afdwingen. Als erfgenaam van het rijke Vlaanderen kon Filips de Stoute zich wel meer dan een “folieke” permitteren; het waren toch de steden van Vlaanderen en Brabant die voor de exuberante kosten opdraaiden.

Van de grote Bourgondische banketten zijn helaas geen menukaarten overgebleven. Om een idee te geven van de omvang van dergelijke uitspattingen, hierbij de ingrediënten voor een feestje van Filips VI op 29 mei 1328, met daarbij de opmerking dat die koning van Frankrijk nogal op zijn centen moest letten terwijl het voor de hertogen van Bourgondië niet òp kon: 82 ossen, 85 kalveren, 289 schapen, 78 varkens, 13 paarden, 824 konijnen, 10.700 kippen, 850 kapoenen, 345 roerdompen en reigers, 40.350 eieren, 736 snoeken, 3.150 palingen, 2.279 karpers, 4.000 rivierkreeften, 243 zalmen, 3.342 vleespasteien, 492 palingterrines en 2.000 kazen.

Van Loo maakt heel duidelijk dat de hertogen ook hun positieve kanten hadden. Het waren niet alleen – of toch niet altijd – onverbiddelijke machtswellustelingen, fanatieke schuinsmarcheerders, onverzadigbare vreetzakken, gewiekste intriganten en ijdele praalhanzen. Ze hadden een extreem fijne neus voor politieke buitenkansjes en wisten waar de economische zwaartepunten lagen. Daar hadden ze wel alle belang bij; Vlaanderen draaide grotendeels op voor hun weelderige bestaan en droeg minstens de helft bij in de oorlogskas. Anderzijds moet je het toch maar doen om tijdens de Honderdjarige Oorlog gelijktijdig de toevoer van Engelse wol voor de Vlaamse lakennijverheid veilig te stellen en daarnaast ook nog eens vriendjes te blijven met het Franse hof terwijl je in Parijs toch een troonpretendent van kant laat maken.

De klassieke geschiedenislessen bestaan meestal uit het klakkeloos opdreunen van lijstjes op elkaar volgende machthebbers en de datums van de veldslagen die ze leverden. Alsof het leven van de gewone man er eigenlijk niet toe deed. Ook het enge verband tussen macht en kunsten komt daarin veel te weinig aan bod. Dat is wellicht de grootste verdienste van Van Loo. Bij hem vloeien internationale en lokale politiek, dagelijkse leven en kunst en cultuur vlekkeloos in elkaar over. Zoals het hoort te zijn, nietwaar. De Bourgondische hertogen en tijdgenoten waren bepaald fijnzinnig artistiek bezield. Ze bestelden rijk geïllumineerde manuscripten en getijdenboeken en stelden daarmee grote bibliotheken samen. Later steunden ze hartstochtelijk de opkomst van de boekdrukkunst. Zonder de hertogen geen Klaas Sluter, wellicht ook geen Vlaamse Primitieven, geen Van Eyck, geen Rogier van der Weyden, geen Hugo van de Goes, geen Dirk Bouts. Zonder de hertogen ook geen Franco-Vlaamse Polyfonisten, geen Dufay, geen Gilles Binchois, geen Josquin des Prez. De Bourgondiërs waren immers de allereerste vorsten die deze artistieke ambachtslui – want zo werden ze beschouwd – ook als erkende kunstenaars beschouwden. Die werden tevens ingezet als rondreizende ambassadeurs en daar rijkelijk voor vergoed.

In deze tijd waarin een hoop politici een grote kwek opentrekken over “nationale identiteit” kan ik iedereen warm aanbevelen om dit boek te lezen. Dan weet je meteen waar dat nationalistische geleuter vandaan komt en hoe vals het klinkt. Het zat wel allemaal veel ingewikkelder en minder romantisch in elkaar dan men dat graag wilt laten uitschijnen.

Mocht geschiedenis onderwezen worden zoals Van Loo die benadert, namelijk als één boeiende vertelling, zouden de universiteiten een schrijnend tekort hebben aan professoren-historici. Ik heb alvast het (voor mij althans) beste boek van 2019 gelezen.

Bart Van Loo, De Bourgondiërs, aartsvaders van de Lage Landen, De Bezige Bij, 607 p., 34,99 euro.

Afbeelding_23

 

Advertenties

Mattheus 25:29

Test Aankoop wilde van 3.000 Belgen wel eens weten hoe de gezondheidstoestand van hun portemonnee eruit ziet. Het rapport daarover doet een mens toch even slikken. Zowat 60 % van de gezinnen heeft het elke maand moeilijk om één of meerdere facturen te betalen. Dus wordt bespaard en dat gebeurt vooral in de uitgaven voor vrije tijdsbesteding, maar veel erger, ook in gezondheidszorg. Een bezoek aan tandarts of oogarts wordt steeds meer op de lange baan geschoven. Een weekendje kust zit er niet meer in, een concert of een theaterbezoek nog veel minder.

Vorige week verschenen ook al alarmerende berichten in de pers dat steeds meer werkende mensen, mensen met een vaste baan dus, beroep moeten doen op het OCMW omdat ze met hun krappe inkomen niet rond kunnen komen. Intussen lees ik in diezelfde pers ook dat een zekere Carlos Brito, CEO van AB Inbev, in 2017 een jaarsalaris uitbetaald kreeg van € 6,55 miljoen, of € 545.833 per maand. Dat was blijkbaar nog niet voldoende want Brito kreeg er nog eens 359.606 aandelenopties bovenop met een potentiële waarde van zo’n € 34 miljoen. Intussen betaalt AB Inbev in ons land niet eens 1 % belastingen op de miljarden winsten die gemaakt worden. Terwijl elke loontrekkende of kleine zelfstandige een gat in de lucht springt als er maar 40 % van zijn loon of winst wordt afgeroomd.

Ziezo vrienden, dat zijn dus de verhoudingen in één van de rijkste landen ter wereld, dit België dus. En dan maar schrikken dat er constant gemord wordt, dat er acties ontstaan zoals die van de Gele Hesjes, dat er stakingen uitbreken zoals die van 13 februari j.l. En toch durven onze politici nog altijd beweren dat er geen vuiltje aan de lucht is, in  tegendeel zelfs, de economie draait bijzonder goed. Daarin worden ze bijgestaan door de ondernemers van VOKA die luidop roepen dat alle statistieken uitwijzen dat de Belgen aan koopkracht winnen. Tja, volgens de statistieken kun je verdrinken in een vijver van gemiddeld tien centimeter diep en de Belgen waarover VOKA het heeft, ken ik toevallig niet en ze wonen beslist niet in mijn straat.

Wie wel in mijn straat woont zijn jonge gezinnen die na de twintigste van de maand nauwelijks nog durven naar buiten komen omdat elke stap buiten de deur geld kan kosten. In mijn straat wonen wel alleenstaande moeders die bij de minste hoest- of niesbui van hun kinderen groen van angst uitslaan voor de mogelijke artsenrekening. In mijn straat wonen wel jonge mensen die geen dag rust meer kennen in de vrees dat ze hun veel te hoge hypotheek niet meer kunnen afbetalen. In mijn straat wonen wel zorgbehoevende oude mensen die moeten wachten tot hun pensioentje gestort is vooraleer ze in de apotheek hun voorgeschreven en strikt noodzakelijke medicijnen kunnen ophalen. De koopkrachtige Belgen van VOKA en de Brito’s van deze wereld wonen duidelijk op een andere planeet.

Voor zover onze politici al niet in hun ruimteschip zitten, ook op weg naar die andere planeet van VOKA en Brito, staan ze toch niet met de voeten op vaste bodem. CD&V, de partij die er recent nog alles aan deed om de nationalisten uit de regering te krijgen, steekt nu een schijnheilig handje uit naar datzelfde N-VA met een al even lauw als wazig voorstel tot staatshervorming. Verder dan een moderne variante op ‘Lijmen’ van Elsschot reikt deze potentiële samenwerking niet. Diezelfde CD&V werd in Michel I nog beschouwd als het linkse blok aan het been, het stootkussen tussen de sociale partners, als stoorzender tussen de rechtse kapitaalverdedigers. Kris Peeters moest daarvan het uithangbord zijn en in een onbewaakt ogenblik liet die ooit iets fladderen over kapitaal- of vermogensbelastingen. Niet zozeer omdat een dergelijke verdelende rechtvaardigheid volledig overeenstemt met de christelijke principes van CD&V, noch om de exuberante belastingdruk bij loontrekkers te verlichten maar wel om met de opbrengst daarvan zijn eigen kieskring te plezieren, namelijk om de vergoeding te bekostigen aan ARCO-slachtoffers. Van de anderen in de regering kreeg hij de grote middelvinger, hoe hard hij ook “Over mijn lijk” mocht roepen. Na veel blabla over mogelijke kapitaalsvlucht, dat de grote bedrijven hier zouden wegtrekken en vooral met de dreiging van catastrofaal jobverlies, frommelde Van Overtveldt in zijn vrije tijd iets amateuristisch ineen dat de ronkende naam ‘Kaaimantaks’ meekreeg. Met dit kluitje stuurde hij Kris Peeters en heel de CD&V in het riet. Opbrengst van die Kaaimantaks: onbekend. Wel bekend is dat, ondanks het gewrocht van Van Overtveldt nog geen enkel multinationaal bedrijf dit land is ontvlucht en dat nog geen enkele welstellende rentenier, met een aanhangwagen vol geld achter de auto, naar Rusland is uitgeweken.

Dus blijven wij in dit landje het Mattheuseffect verdedigen; dat wie heeft nog meer zal krijgen. En dus blijven wij het in dit land de meest normale zaak vinden dat rijke mensen slapend nog veel rijker worden zonder er ook maar één poot voor hoeven uit te steken. Dat ze hun kapitaal zonder veel moeite naar hun kinderen kunnen doorsluizen die daarmee al stinkend rijk zijn zonder er ook maar één druppel zweet bij te laten. Wij blijven het vanzelfsprekend vinden dat iemand die zijn geld verdient door bijvoorbeeld te speculeren met vastgoed, door veel geluk op de aandelenbeurs of door een vette erfenis mag rekenen op een gunstig fiscaal regime terwijl de werkende mens zich blauw betaalt aan belastingen. Blijkbaar hebben onze politici nog altijd niet begrepen dat deze onrechtvaardige verdeling tussen lusten en lasten misschien wel de grootste onderhuidse maatschappelijke wrevel van deze tijd veroorzaakt. Dat probleem wordt door hen zo niet genegeerd dan toch dood gezwegen. Oef, denken ze, voor ons betekenen die klimaatmarsen een zegen uit de hemel. Ik verdenk hen ervan dat ze in stilte hopen op een nieuwe terroristische aanslag. Kunnen ze er bij het kiesvee weer een paniekreacties en angstgevoelens injagen zodat ze het vooral niet over een fiscaal gelijke behandeling van inkomsten moeten hebben.

Al in de jaren zestig riep AMADA “Laat de rijken betalen”, nu hebben we de PVDA die voorstander is van een miljonairstaks, en in Amerika is Alexandria Ocasio-Cortez (de algemeen voor haar gebruikte afkorting AOC staat niet voor Appellation d’ Origine Contrôlée) openlijk voorstander voor 70 % belasting op hoge inkomens. Zo ver hoeft het voor mij allemaal niet te gaan. Maar… op 26 mei ga ik wel zo ver om op gelijk welke partij te stemmen die ondubbelzinnig  van vermogensbelasting een hoofdzaak maakt, of toch minstens streeft naar een meer rechtvaardige verdeling tussen belasting op kapitaal versus belasting op werk. Grazige weilanden zijn niet het privilegie van luxepaarden; ook werkpaarden hebben daar recht op.

Afbeelding_37

 

 

 

 

 

 

 

 

100.000 voor 10 miljoen

Dan worstel je jezelf helemaal doorheen je krant – inclusief overlijdensberichten – en uiteindelijk blijkt er slechts 1 (één) berichtje van wereldschokkende betekenis gedrukt te staan. Graag geef ik het hier integraal weer.

Online shoppen blijft groeien. In 2018 gaven Belgische shoppers 10,67 miljard euro uit op het internet, een half miljard meer dan in 2017. Dat blijkt uit een studie van BeCommerce. De Belg kocht ook vaker online: gemiddeld 11,6 keer, tegen 10,3 keer in 2017. Aan al die aankopen gaf hij gemiddeld in totaal 1.273 euro uit. (Belga)

Oeps! Meteen moest ik denken aan al die Leuvense grote muilen die zich de keel schor blijven roepen tegen het verkeerscirculatieplan. Dat plan betekent de doodsteek voor de Leuvense middenstand, blijven ze totaal ongefundeerd orakelen, verwijzend naar het hoge aantal leegstaande winkelpanden. Durf het niet aan om de wurgend hoge huurprijzen als tegenargument in te brengen, want zover wilt/kan men niet nadenken. Voor hen blijft de auto het gouden kalf waarmee je overal moet komen en die je overal kunt achterlaten. Durf ook niet te suggereren dat de internethandel de lokale neringdoeners de strot dicht knijpt want dat wordt gewoonweg weggewimpeld. Wel kijk, bovenstaande cijfers beginnen die stelling toch aardig aanvaardbaar te maken.

Laat ons stellen dat de neerwaartse spiraal een gevolg is van de combinatie van al deze factoren. Allen dit: de gevolgen van het circulatieplan worden binnen de kortste keren uitgevlakt. Dat is intussen al bewezen door het frequentere gebruik van openbaar vervoer, de fiets en meer mensen die gewoon te voet gaan. Van die andere factoren kun je dat niet zeggen. Online shoppen zal nog aanzienlijk toenemen en de huurprijzen van winkelpanden zullen nog lang niet een neerwaartse duik nemen.

Nogal wiedes ga ik er vanuit dat niet iedereen zijn inkopen online doet en dus raam ik ruwweg dat elke van de 10 miljoen Belgen, van peuter tot eeuweling, van die 10,67 miljard gemiddeld 100 euro per jaar via zijn computer aankoopt. Voor een stad als Leuven met zijn pakweg 100.000 inwoners betekent dat een totaal van 10 miljoen euro, som die NIET bij de lokale handelaars wordt besteed. Niet zo weinig geld, denk ik dan maar. Die winkeliers zijn intussen wel gedegradeerd tot vooruitgeschoven informatieverstrekkers van de online bedrijven. Eerst in de winkel gaan kijken, passen, meten en weten, en dan thuis weer lekker vanaf het scherm van de laptop datzelfde artikel bestellen bij Amazon, Zalando, Bol.com, Coolbleu of Alibaba. En dan maar schrikken, zo van “Oei, is ook die winkel nu plots verdwenen?”

Ondertussen worden verkeersopstoppingen in het stadscentrum vooral veroorzaakt door elkaar in de weg rijdende bestelauto’s van verdeelbedrijven die zo dringend hun pakketje ‘Made in China’ ergens moeten afleveren.

CF060564BLR

Nog een week en dan mag deze dame weer vrolijk in Leuven rondhuppelen en niet langer in natuurgebied Torres del Paine (Patagonië/Chili). Hopelijk ben ik tegen die tijd helemaal verlost van alle koorts-, hoes-, en niesbuien die me nu al een ettelijke dagen teisteren, zodat ze niet meteen moet beginnen zeulen met emmers snot en zowat overal ronddwalende zakdoeken.

IMG_2083

Bedreigd taalgebruik?

Onheilspellend; een ander woord kan ik er niet bij verzinnen. Dan heb ik het meer specifiek over de manier waarop met onze moedertaal gesjoemeld wordt. Je krijgt nauwelijks nog een televisieprogramma te zien waarin een min of meer verzorgd taalgebruik toch de meest normale zaak ter wereld moet zijn. Zowel bij ons als boven de Moerdijk wordt tegenwoordig een aardig mondje bij elkaar gewauweld in één van de talloze tongvallen die voor ABN moeten doorgaan. Staat daar een dikdoener te tetteren die voor iemand van twintig kilometer verderop totaal onverstaanbaar is. Komt er een minister zijn/haar beleid verdedigen, moet je al erg beslagen zijn in West-Vlaams of Antwerps dialect of je begrijpt niet eens waar hij/zij het over heeft. Het is toch hemeltergend dat ik voor een Vlaamse serie zoals bijvoorbeeld ‘Reizen Waes’ moet wachten tot die ook op de Nederlandse televisie wordt uitgezonden omdat het daar ondertiteld wordt, wat wel erg bevorderlijk is voor de verstaanbaarheid. Het omgekeerde is evenzeer het geval. Als ik Jinek in haar praatprogramma hoor ratelen, hoop ik dat het weer heel snel de beurt aan Pauw is. Die kun je tenminste nog volgen.

In de geschreven taal is het desnoods nog erger gesteld. Het ergert me dagelijks dat ik in de kranten nog altijd op dt-fouten moet botsen, dat zinsconstructies met haken en ogen aan elkaar hangen, dat journalisten niet eens de moeite meer doen om nu en dan eens het Groene Boekje te raadplegen. Dat zijn dan mensen met een voorbeeldfunctie. De gevolgen van taalverloedering merk je het beste op onze zogenaamde sociale media. Nog los van de inhoud worden die boodschappen verpakt in een schabouwelijk en totaal niet te begrijpen koeterwaals. Alsof de meeste gebruikers van Facebook niet verder dan het derde leerjaar lager onderwijs zijn geraakt. Voor mij hoeft niet iedereen de schrijfvaardigheden van Hugo Claus of Willem Elsschot na te streven, maar toch…

Wie een glazen dak heeft, kan maar beter niet met stenen gooien, hoorde ik deze week iemand zeggen. Dus geef ik hier ruimhartig toe dat ik niet vrij van zonden ben. Zelf kan ik geen zin hardop uitspreken zonder dat er een Brabantse taalvariant insluipt. Ook ik word regelmatig betrapt op een kromme schrijfwijze en laat menigmaal na een tekst grondig na te lezen vooraleer die openbaar te maken. Wellicht is dat ook alweer in dit stukje het geval. Soit. Ik zal de allerlaatste zijn om te beweren dat Nederlands een gemakkelijke taal is. Ook ik zie de discrepanties tussen uitspraak en totaal onlogische schrijfwijze, de verschrikkelijk ingewikkelde grammatica met daarop een ellenlange lijst uitzonderingen. Ook ik weet dat het Nederlands wereldwijd maar door zo’n 30 miljoen mensen gebruikt wordt. Ook ik weet dat taal een levend iets is en toegankelijk moet zijn voor evolutie. Hoe ver kun je daarin meegaan? Maar… van zodra de homo sapiens begon samen te leven, is taal ook de allereerste uiting van beschaving. Taal is de basis van elke cultuur. Onder die brede cultuurstoel kun je maar beter niet de poten vandaan zagen.

Daarom is het zo intriest dat er in ons onderwijs zo weinig aandacht aan taal wordt besteed. OK, ik ben een ouwe zak uit een vervlogen tijdperk waarin je nog leerde lezen met de avonturen van Ot, Sien en Oom. Een van de hoofdvakken toen was nog ‘schoonschrift’. De Nederlandse spelregels werden erin gehamerd. Vier taalfouten in een dictee betekende een dikke nul. In een examen geschiedenis of aardrijkskunde mocht je nog als de beste de exacte datum weten van zeg maar de slag bij Westrozebeke of alle bijrivieren van de Schelde op een blinde kaart kunnen aanduiden, voor elke dt-fout, voor elke verkeerde keuze tussen gestipte ij of korte ei ging er een volle punt op tien af.

Later kon ik mijn dochter al niet meer helpen met haar schooltaken. Zinsontleding was ineens bijzaak, woordenschat niet meer belangrijk, het gulden regeltje “Hij drinkt thee als hij tegenwoordig is” werd niet meer aangeleerd. Onderwijs verzoop in opsplitsingen ASO, TSO, BSO met daarin nog de meest uiteenlopende richtingen die er alleen op gericht waren tegemoet te komen aan de noden van het moderne bedrijfsleven. Algemene ontwikkeling was taboe; scholen moesten vakidioten afleveren. In het begin van haar onderwijscarrière gaf mijn echtgenote Mieke les in een middelbare school. Een van haar eindejaarsleerlingen presteerde het om in een examen van amper een A4tje lang niet minder dan 84 flagrante taalfouten neer te pennen. Commentaar van de directie: “Tja, daar gaan we die brave jongen toch niet voor tegenhouden, zeker.”

Elke opeenvolgende minister van onderwijs kwam wel aandraven met een zelfverzonnen, groots hervormingsplan. Nu staat er ons weer een nieuwigheidje te wachten als STEM (Science, Technology, Engeneering, Mathematics). De minister is zelfs niet in staat om daar een Nederlands equivalent voor te bedenken. Erger nog is dat de invoering van dat STEM ten koste moet gaan van lesuren Nederlands. En welke smoes wordt daarvoor verzonnen? “Bwah, de andere lessen worden toch in het Nederlands gegeven. Dus zullen de leerlingen daar ook wel hun taalvaardigheden kunnen aanscherpen.” Wel verdomme, denk ik dan. Waarom offer je dan de lessen godsdienst niet op? Religie zullen ze van thuis toch ook wel meekrijgen.

En weer prevaleert de lobby van het bedrijfsleven en de economie op het algemeen belang. Ondernemers dringen erop aan om lessen in het Engels te geven want wie die taal niet beheerst, kan niet meer mee in het grote internationale circus. Dat mag best ten koste gaan van onze culturele eigenheid. Tja, ze bekijken het maar. Als ze graag vakidioten opleiden, met het accent op idioot, doen ze maar. Graag wil ik die grote heren van het bedrijfsleven eens uitnodigen om een avondje door te brengen in een Leuvens studentencafé of een fakbar en te luisteren naar de daar bruikbare toogpraat. Daar hoor je de toekomstige elite van dit land tegen elkaar op wauwelen in hun lokale dialect en zijn de gesprekken van een zodanig belabberd niveau, dat je het na vijf minuten opgeeft met een gevoel van plaatsvervangend schaamte. Hiermee vergeleken heeft de losse babbel in een doorsnee volkscafé meer weg van de redevoeringen van Cicero, moet je er dan wel bij denken.

In dit kader valt natuurlijk best te begrijpen dat de Vrije Universiteit Amsterdam haar faculteit Neerlandistiek gewoon opdoekt. In alle Nederlandse universiteiten samen waren er in 1995 nog 555 studenten ingeschreven; in 2017 waren er dat nog maar 222 meer. Voor de Vlaamse universiteiten ken ik de bedroevende cijfers niet maar dat zal wel in dezelfde neerwaartse trend zijn. Of dat een goede zaak is voor onze maatschappij, zal de toekomst moeten uitwijzen. Ik hoop alleen maar dat een taalvirtuoos als Hugo Camps nog lang mag leven; liefst zo lang ik nog meega.

DSCN1590

Weduwnaar: omilh me ya!

Ziezo, vanaf vandaag ben ik weer weduwnaar, toch voor zo’n drie weken. Mijn teerbeminde is sinds deze middag weer onderweg naar het einde van de wereld. Nu klinkt dat nog even figuurlijk maar ook het wordt ook letterlijk van zodra ze volgende week in Ushuaia voet aan de grond zet. Tja, Patagonië, het is maar weinigen gegeven om daar voor de vierde keer in twee jaar tijd te komen. Het is nog minder weinigen gegeven om dat ook vier keer in twee jaar met volle goesting te willen doen. Mieke is zo iemand.

Zelf heb ik er nooit aan gedacht om een reisdoel uit te stippelen dat nog zuidelijker ligt dan de Straat van Magellaan . Nochtans ben ik een erg trouwhartig lid van de Fundacion Patagonista, voor zover je al lid kunt zijn van dat anarchistisch denkend samenraapsel zonderlingen waarvoor Patagonië een ideaal toevluchtsoord betekent maar dat evenzeer een droombeeld moet blijven. Het is volledig acceptabel dat onze voorzitter-voor-het-leven Dree Peremans er ooit een kijkje gaan nemen is. Dat was eerder een studiereis. Dree schrijft immers boeken en liedteksten over het land van pinguïns, pampahazen en Jan van Genten en je moet toch ergens je inspiratie vandaan halen. Al die andere Patagonisten kunnen zich van een verplaatsing daarheen maar beter onthouden, kwestie van de droom levendig te houden. Mieke zondigt weliswaar tegen die regel maar anderzijds is het wellicht gunstig dat er iemand de straffe verhalen van Dree kan bevestigen, zoniet volmondig tegenspreken.

Al meer dan veertig jaar begeleidt Mieke reizen. Zo lang wij samen zijn, was ze wel altijd drie, vier keer voor een langere termijn de deur en het land uit. Zelf had ik ook wel altijd de kriebels in m’n gat zodat we het soms maanden lang zonder elkaars gezelschap moesten stellen. Met twee woorden afscheid nemen, werd voor ons een vanzelfsprekende bedoening; een levensstijl, zeg maar. Rugzak/koffertje pakken en vooruit maar: “Tot binnenkort, hé.” Alsof je eventjes achter de hoek naar de bakker gaat. Zat zij twee reizen achter elkaar in Birma terwijl ik ergens in het binnenland van Sumatra doolde. Dan spraken we met elkaar af in bijvoorbeeld Denpasar. De voorbije jaren zat ik soms acht maanden lang in Spanje, zij in Leuven en tussendoor kwam ze me dan eens bezoeken. Dat was allemaal de meest doodgewone zaak ter wereld. Nu, pas de jongste tijd, doet zich een erg ongewoon fenomeen voor: bij elk vertrek doet Mieke erg nerveus. Iets wat ik bij haar nooit heb gezien. Het omgekeerde is natuurlijk ook waar; zelf zie ik haar niet meer zo graag vertrekken als voorheen. Het zal iets met de leeftijd van doen hebben, misschien. Anderzijds weet ik ook wel dat het met die zenuwachtigheid totaal gedaan is van zodra ik haar in Zaventem uit de auto laat stappen. Dan gaat bij haar de schakelaar om; vanaf nu staat alles in het teken van de reisgroep die op haar staat te wachten. Tja, dan kun je zelf maar beter het knopje omdraaien en jezelf troosten met het idee dat je zelf het geluidsvolume van de muziek mag bepalen en dat je naar zelf de televisieprogramma’s kiest. Dat zeg je tegen de hond: Komaan Huub, de eerstvolgende weken is het tussen ons te doen.

Je legt het reisprogramma op de tafel zodat je haar bewegingen min of meer kunt volgen. Morgenvroeg komt ze in Buenos Aires toe, voor mij nog altijd nummer twee op het lijstje ‘Mooiste stad van de wereld’, op slechts enkel punten na Praag. Helaas, voor de walvissen onder de kusten van Valdés is het laat op het jaar. Daar staat dan weer tegenover dat ze in Restoran Volver (Ushuaia) een geweldig grote king crab kan open breken, en dat ze naar het gekraak van de afkalvende gletsjers Perito Moreno en Spegazzini kan luisteren. En o ja, ze komt ook in Bariloche, een stad waar het wemelt van Duitsers met een duister verleden maar ook waar onmiddellijk in de buurt een bijna ongerept natuurgebied te vinden is, namelijk Brazo Tristeza. En laat het nu zijn dat de Fundacion Patagonista mij met de titel “Baron van Brazo Tristeza” vereerd heeft. Ze wisten wel waarom: op condors en een zeldzame soort otter na valt er namelijk geen menselijke ziel te bespeuren. Oef.

Als Mieke hier binnen drie weken weer thuis komt, hoop ik van harte dat ze het motto van de Fundacion Patagonista zeer gemeend zal kunnen uitroepen, namelijk OMILH ME YA! Dat gezegde in een oeroude Patagonische taal wordt namelijk gebruikt na een perfecte maaltijd of een aangename ervaring en betekent zoveel als “ik ben voldaan” of “ik ben tevreden.” Mooier kun je het niet uitdrukken. Hoe dan ook, laat dàt a.u.b. mijn grafschrift zijn.

150929_Dany_Tulkens59725BLR

 

Een reus van pakweg 170 cm hoog

Van alle niet objectieve lijnen die ooit op deze pagina’s bij elkaar werden gekribbeld, wordt die hoogst waarschijnlijk het meest subjectieve stukje van heel deze blog. Het gaat namelijk over Louis Tobback en zoals in het verleden al wel aangetoond, ben ik totaal onbekwaam om onbevooroordeeld over die persoon te schrijven. Daarom waarschijnlijk dat ik bijna een week lang heb moeten worstelen met deze regels. Je wilt immers niet verdacht worden van een of andere vorm van idolatrie, laat staan de beschuldiging een propagandist van zijn fanclub te zijn. De eerste en tevens allerlaatste keer dat ik lid was van een fanclub, dateert alweer van 1958 tot 1961 en dat was van de Official Elvis Presley Fanclub. Jawel mijnheer, met een lidkaart rechtstreeks vanuit Memphis, Tennessee. Zo gek heeft Tobback me nog altijd niet gekregen maar hij mag het wel stellen met mijn hoogste bewondering en respect. Dat is ooit wel anders geweest. Zeg maar dat aan die houding een soort mutatieproces vooraf ging dat ongeveer vijftig jaar nodig had om zover te komen.

Hij was nog maar net beëdigd als kersverse schepen voor openbare werken of in de Diestsestraat werden de zwarte vlaggen uitgehangen. Tobback wilde een klein gedeelte van die lange straat verkeersvrij maken en prompt werd hij gebombardeerd tot ‘doodgraver van de middenstand’. Ondanks alle tegenkantingen dreef hij zijn wil door. Zelf wist ik toen nog niet goed wat ervan te denken. Of hij was de grootste kwibus uit de Leuvense geschiedenis, ofwel een visionaire profeet. De meerderheid in Leuven had een lichte voorkeur voor het eerste. Mij maakte het destijds niet zo veel uit; politici doen er nu eenmaal alles aan om op te vallen.

Een tweede keer dat hij algemeen over de tongen ging, was toen hij de toenmalige BSP overhoop gooide en minister Alfons Vranckx voetje lichtte, om niet te zeggen politiek monddood maakte. Vadermoord, heette het toen. Zelf had ik daar geen moeite mee; politici doen er nu eenmaal alles aan om op te vallen. In mijn omgeving daarentegen,  toen nog voornamelijk bevolkt  door notoire voorstanders van AMADA, MBL, RAL of andere linkse splinterbewegingen, werd dat nieuws op hoongelach en bijtend leedvermaak onthaald. In die kringen was het begrip “socialist” namelijk nog erger dan vloeken in de kerk en zo lang die verdomde sociaaldemocraten elkaar de strot afbeten, ging de wereld er alleen maar op vooruit.

Toen kwam Tobback in het parlement terecht en dat zou meer specifiek de Wetstraat geweten hebben. CVP-ers werden onderuit gehaald als ‘kwallen’ en Wilfried Martens vergeleken met Caligula. Het kon mij weinig verdommen; politici doen er nu eenmaal alles aan om op te vallen. Met zijn aanhoudende donderpreken tegen de plaatsing van kruisraketten slaagde hij er wel in om 400.000 betogers te mobiliseren in de grootste protestmanifestatie uit de Belgische geschiedenis. Desondanks kwamen die raketten er maar zijn naam werd toch al met enige vorm van ontzag uitgesproken.

En toen mocht José Happart, de brulboei uit de Voerstreek, de regering koeioneren tot ze met wankele beentjes helemaal in elkaar zakte. Op een bepaald ogenblik dacht Happart de verkiezingen te boycotten door de toegang tot gemeentelijke lokalen te verbieden. Tobback, toen minister van binnenlandse zaken, liet meteen een contingent kantoorcontainers aanrukken en klaar was kees. De pragmatische eenvoud waarmee hij daar Happart te kakken zette, wel, daar deed ik mijn hoed voor af. Dit was geen politicus die alleen maar wilde opvallen maar iemand die een jarenlang aanslepende probleem rond de Voerstreek, rond Happart en zijn kornuiten met alleen gezond verstand en een minimale ingreep wist op te lossen.

Ook de manier waarop hij de socialistische partij doorheen de ophefmakende Agusta-affaire wist te loodsen en nadien ook nog de verkiezingen zonder te veel kleerscheuren kon doorstaan met de eenvoudige campagne ‘Uw sociale zekerheid’… wel, daar kon je alleen maar welgemeend ‘chapeau’ bij zeggen. Idem voor de zeer consequente en hoogst eerlijke manier waarop hij ontslag nam na de dood van Sémira Aduma.

Tja, en toen trok hij als een wervelwind zijn spoor doorheen deze goede Brabantse stede. In 1994 zorgde hij voor een aardbeving – alle beschikbare seismografen sloegen tilt – waarvan de naschokken 24 jaar lang bleven natrillen. Het lethargische provincienest Leuven werd pardoes wakker geschud uit zijn eeuwenlange winterslaap. Tobback wilde af van het hoge ‘Ernest Claes-gehalte’ en dat zouden de Leuvenaars aan de lijve ondervinden.

Voor mij persoonlijk manifesteerde die stijlbreuk zich meteen in twee opvallende feiten. Eén: nog maar net verkozen, verdwenen de zitbanken uit de zogenaamde ‘schepengang’. Voorgaande burgemeesters en schepenen organiseerden namelijk minstens één ‘zitdag’ per week waarop zich tekort gedaan voelende burgers hun problemen persoonlijk mochten bepleiten. En of er geen politiek getinte mouw aan te passen was; in die aard. Een faveurtje hier, een sympathiebetuiging aldaar konden wonderen doen bij de volgende stembusslag, nietwaar. Steevast volgde er wel een brief waarin de betrokken burgemeester/schepen de klaagburger eraan herinnerde dat dank zij haar/zijn tussenkomst een garage of dakkapel mocht gebouwd worden, dat een boom gekapt kon worden of een riooldeksel hersteld. Tobback maakte daar korte metten mee. Daar hebben wij onze administratie voor, was zijn devies.

Tweede feit: al in de jaren ‘80 begonnen Frank Vandenbempt (café Klein Tafelrond) en ikzelf en actie om een einde te maken aan de grote verkeerscaroussel rond de Sint-Pieterskerk en voor de pui van het gotische stadhuis. Wij ijverden voor een verkeersvrije Grote Markt, in het volle bewustzijn dat zoiets onmogelijk was zonder ingrijpende gevolgen voor de Brusselsestraat, Pensstraat, Parijsstraat, Kortestraat, Naamsestraat en het begin van de Mechelsestraat. Meer dan tien jaar wist het toenmalige schepencollege, met Georges Sprockeels in de spits, ons aan de waggel te houden met een zoethoudertje hier en een nietszeggende tussenoplossing daar. Tobback en schepen Dirk Robbeets waren nog maar goed honderd dagen aan het bewind en daar rukten de graafmachines en bulldozers al op en was onze slogan “Grote Markt = verkeersvrij” een feit. Hallo kroket, je zou voor veel minder dadendrang sympathie opbrengen voor Tobback en zijn schepencollege.

Bewonderenswaardig was de manier waarop hij telkens op de juiste deur wist te kloppen als het erop aan kwam voor Leuven het onderste uit de kan te halen. De unitaire provincie Brabant opsplitsen? OK, maar Leuven moest dan wel de hoofdstad worden, met een nieuw provinciehuis er bovenop. Philips wilde weg uit Leuven? OK, maar dan wel heel de site aan de stad verkopen tegen de spotprijs van 200 miljoen Belgische (!) frankjes. Centrale Werkplaatsen weg uit Kessel-Lo? OK, maar dan wel eerst de vervuilde gronden saneren zodat wij er een nieuw woonwijk kunnen bouwen. Ontdubbeling van spoorlijn 36? OK, maar dan moet Leuven wel een kopstation krijgen, liefst met een nieuwe overkapping. Interleuven houdt zich bezig met allerlei dingen waarvoor een intercommunale niet bevoegd is? OK, dan rafelen we dat instituut toch uiteen en houden alleen huisvuilverwerking over. De Boerenbond naar de stationsbuurt? OK, maar dan wel een nieuwe woonwijk op hun percelen in het stadscentrum. Brouwerij Artois wil centraliseren rond de Vuurkruisenlaan? OK, maar dan wel woongelegenheid en een park op de plaats van de oude brouwerij. De douane wilt weg uit de Vaartkom? OK, maar dan wel een kunstencentrum in het Entrepot. Vlotter verkeer op de R23? OK, maar dan wel een tunnel onder het Martelarenplein, mét parkeergarage a.u.b. De abdij van Keizersberg heeft een slechte bezettingsgraad en personeelstekort? OK, de stad neemt de tuin wel over en maakt er een openbaar park van. En ga zo maar door. De katholieke universiteit en de VUB-gevormde burgemeester werden de beste partners in crime.

Als je al een leven lang in Leuven had gewoond, durfde je nog nauwelijks voor een korte vakantie vertrekken uit angst dat je bij thuiskomst je eigen stad niet meer zou herkennen. Wie er, zeg maar, vijf jaar was weggebleven, kon er niet terugkomen zonder hopeloos verloren te lopen. Het gezichtsveld vanuit mijn zolderraam werd jaren lang bepaald door overal opduikende kranen die in de verte heen en weer zwaaiden. Leuven was gedurende een kwarteeuw één grote bouwwerf. Bij mijn weten heeft Tobback maar twee van zijn geplande projecten niet of maar gedeeltelijk kunnen realiseren: de ziekenhuissite (de monsterlijke Gele Olifant staat er nog altijd) en de verkeersknoop Leuven Noord. Niet zijn schuld; wel te wijten aan tegenspartelen en boycot van hogerhand.

Hopsa, en sinds Nieuwjaar is nu dus het “Post Tobback Tijdperk” ingetreden. Dat “post” wilt maar moeilijk wennen. Hoewel de kerkhoven vol onmisbare mensen liggen, zal hij in Leuven gemist worden. Een burgemeester van dergelijk kaliber… ze worden niet bij bosjes geboren en je mag jezelf al gelukkig prijzen als er binnen twee eeuwen nog zo eentje de kop opsteekt. Wie soms een bedroevend parlementair debat op Villa Politica volgt, beseft maar al te goed dat hij ook op nationaal niveau een hiaat van formaat achterlaat. Helaas, mensen vergeten heel snel; veel te snel.

Voor volgende generaties zal hij niet méér betekenen dan een straatnaambordje. Waarschijnlijk aan een achteraf gelegen pleintje of doodlopende straat in een nieuwe woonwijk terwijl hij eigenlijk de Bondgenotenlaan verdient. Een standbeeld van hem zal er ook niet inzitten hoewel ik kameraad Dany Tulkens daar graag zou op loslaten. Gelukkig hebben enkele heldere geesten eraan gedacht om zijn politieke carrière in een film samen te vatten met als titel ‘De Gave van de Verontwaardiging’. Dat is een rechtuit schitterend historisch document geworden, samengesteld uit archiefbeelden en getuigenissen van voor- en tegenstanders. De analyses en commentaren van topjournalisten Rik Van Cauwelaert en Walter Pauli overstijgen elke vorm van anekdotiek en schetsen zeer goed het nationale belang van Louis Tobback als parlementslid en minister. En die film, dames en heren, ging vorige week vrijdag in première en ik mocht erbij zijn. Iedereen mag er zijn mening over hebben maar ik zat wel 90 minuten geboeid te kijken, in die mate dat ik een week nodig had om het verwerkt te krijgen en dit stukje te schrijven. De film speelt nog enkele keren in ZED en zal – tenminste dat is beloofd – ook via Cd-rom verdeeld worden. Reken maar dat ik me er daarvan meteen eentje aanschaf.

Zelf kan ik me regelmatig nog betrappen op een gevoel van verontwaardiging. Gelukkig maar. Zonder verontwaardiging geen rechtvaardigheid, denk ik dan maar. Louis Tobback heeft heel zijn politieke leven laten dicteren door dat gevoel, er zijn handelsmerk van gemaakt. Dàt mogen de mensen niet vergeten.

DSC00295B