Eindelijk geland

Maandag 15.30 u. Eindelijk een verlossend telefoontje uit Bali. Het is daar nu 21.30 u en Mieke en haar gezelschap zijn er nog maar net gearriveerd. Bijna anderhalve later dan voorzien. Immers, de aansluitingsvlucht in Bangkok was ook weer uitgesteld, weer wegens een panne aan het vliegtuig. Zo te zien gaat het met Thai Air razendsnel bergaf. Twintig jaar of zo geleden stond die maatschappij, samen met Singapore Airlines, nog op de hoogste ladder van wat de luchtvaart te bieden had. Daar vloog je mee voor je plezier; stralend glimlachende airhostesses, drankjes naar believen en voor wie braaf was nog een orchidee in het knoopsgat. Besparingen? Hogere winstmarges? Ook nu weer zal Thai Air ervoor moeten opdraaien, net als vorig jaar. Elke passagier een retourtje van € 600, met een hotelovernachting + avondmaal + ontbijt er bovenop.

Wat niet wegneemt dat het zowat op elke luchthaven huilen van pure miserie is. Die beginnen steeds meer te lijken op een doorsnee station van de NMBS. Net zo min als er nog één trein op het juiste tijdstip spoort, zo min vertrekt of landt een vlucht nog op het vooropgestelde uur. Dat mag niet verbazen. Je hoeft op een klare dag alleen maar de hemel in de gaten te houden. Afhankelijk van de windrichting, en de nukkige klachten vanuit het hoofdstedelijk gewest, is het boven Leuven één wirwar van wit getrokken strepen uitlaatgassen. Het luchtruim zit overvol, met of zonder stiptheidsacties van de verkeersleiders. Leve de vooruitgang.

Hoe dan ook, mijn teerbeminde klonk doodvermoeid. Niet moeilijk. Ze moet heen en weer bellen met reisorganisatie Hobo, de lokale gidsen contacteren, nieuwe afspraken maken, de vooropgestelde reisplannen overhoop halen en aanpassen. En niet de minste opdracht: het reisgezelschap tevreden houden. De twee dagen acclimatiseren op Bali zit er niet meer in. Morgenvroeg is het weer het vliegtuig op, naar Jogyarta. Dat met Garuda en dan is het wel te hopen dat die luchtvaartmaatschappij zijn belabberde reputatie intussen wat heeft opgevijzeld. Anders komen ze daar pas overmorgen aan. Of misschien wel nooit.

Intussen is het in Indonesië altijd wel iets beter dan hier, en niet alleen wat het weer en het eten betreft. Een beetje lijdzaam kijk ik naar de werkzaamheden in de straat. Na twee dagen gutsende regen is die nu wel helemaal in een modderpoel getransformeerd, en de herfst moet nog écht beginnen… Huub bedankt al twee dagen voor een wandeling. Verder dan de rand van de dorpel wilt die zijn neus niet naar buiten steken. Gelijk heeft hij.

Advertenties

Bangkok? Het zal voor morgen zijn

Ben net terug thuis van de luchthaven van Zaventem (ik weiger pertinent dat ding Brussels Airport te heten) na een onnodige en verkeerd begrepen omleiding via Meerbeek en Everberg. Mieke kreeg het er behoorlijk van op de zenuwen. Ze had met haar medereizigers tegen 10.30 u aan de koffiebar afgesproken en daar houdt ze zich graag strikt aan. Nu kon ze pas op exact datzelfde tijdstip haar koffer uit de auto halen en diende ze nog een eindje te lopen. Nu ja, voor een vlucht die pas om 13.30 u vertrekt, is dat nog wel altijd ruim op tijd. Dan komt het niet op enkele minuten aan.

Het valt me telkens weer op, altijd die gespannen opwinding van haar, terwijl ze de voorbije 40 jaar toch al minstens 200 internationale en intercontinentale reizen achter de kiezen heeft. Je zou bijna denken dat zij zenuwachtiger is dan reisdeelnemers die voor het eerst een vliegtuig moeten nemen. Beslist te wijten aan die koppige verantwoordelijkheidszin voor haar reisgroep. Zo is ze wel.

Zit ik nu dan weer in m’n eentje thuis; toch voor de volgende 18 dagen. De hond kruipt in de zetel, ik zet de muziek dan maar wat harder dan het volume dat Mieke aanvaardbaar vindt en val mijn doorloperboek aan. Rond 13 u stuur ik nog een berichtje om haar goede reis te wensen. Een half uurtje later moet ze in de lucht hangen. Tussendoor volg ik op het internet de vertrekuren op Zaventem. Achter haar vluchtnummer flikkert het oranje vierkantje “Vertraagd”. Om kwart voor drie (14.45 u) seint ze me dat het vliegtuig nog altijd niet vertrokken is. Problemen met het landingsgestel of iets dergelijk. Daar moet ik dan behoorlijk mee lachen. Bij de afscheidskus gaf ik haar de wens nog mee: “Hopelijk gaat er deze reis niets mis.” Vorig jaar heeft ze ook al problemen gehad met Thai Air, zowel op heen- als de terugreis, waardoor aansluitingsvluchten gemist werden zodat die maatschappij iedereen een troostpremie van € 600 moest uitkeren. En verdikkeme, nu is ze nog niet eens vertrokken en het loopt al fout. Trouwens, bij elke vertraging dreigt de aansluitingsvlucht naar Denpasar te beginnen met een razendsnelle spurt om dan het bedoelde vliegtuig naar de startbaan te zien taxiën.

Telkens ik internet weer open, geeft het oranje bordje weer een ander vertrekuur aan. Eerst 15.15 u, dan 16.30 u, daarna 17.30 u om uiteindelijk vuurrood te kleuren met de boodschap “Afgelast”. Blijkt dat men de neuswielen moesten vervangen maar dat er in Zaventem daarvan maar één exemplaar beschikbaar was. Morgen gaat er een vlucht om 12.30 u. Kortom: iedereen mag zijn bagage weer uitladen, wie niet in België woont mag naar een hotel en wie wél in België woont, moet dan maar weer naar huis gaan. Ik maak me al klaar om haar weer op te pikken.

Hopsa, dan schiet mijn madame in actie. Palaveren met de verantwoordelijken van Swissport en maar uitleggen dat die mensen nu nog onmogelijk transport kunnen regelen, dat de koelkasten thuis er leeg bij staan, dat ze morgen niet tijdig weer present kunnen zijn, etc. etc. etc. Voilà, ze mag zich weer eens helemaal uitleven in de materie waarin ze bijzonder bedreven is. Verantwoordelijkheidszin, nietwaar.

Slotsom: heel de groep wordt versast naar het Van der Valk hotel in Machelen, avondmaal en ontbijt inclusief en morgen terug naar de luchthaven met een shuttlebus.

Toch weer een heel avontuurlijke zwenking aan deze reis. In plaats van je koffers uit te pakken in een tropisch zonnig hotel van Nusa Dua (Bali) met een plons in het zwembad achteraf, kan je naar de grijze hemel staren en naar de plenzende regen luisteren ergens in Machelen. Jaja, elke uitstap met Mieke belooft een kleine expeditie te worden.

 

Kruipend bloed en linke streken

Voilà, we zijn er weer eens mee (her)begonnen.

De voorbije schitterende zomermaanden bracht ik vooral door in de schaduw van m’n eigen Catalpa bignonioides ‘Nana’ – die nog nooit voordien zo breed als nu uitgroeide. Er kwam nogal wat bezoek van allerlei pluimage over de vloer, er werd al eens wat gegeten en vooral (te) veel gedronken. Veel gelachen, ook. Verhalen uit een ver en meer nabije verleden, links en rechts toespelingen op de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen en de politieke onzin die circuleert in Leuven en verre omstreken en bovendien Facebook overspoelt. Zelf zit ik niet meer op dat zogenaamde sociale medium en dus moest ik dat maar gewoon van derden aannemen. Die nonsens werd daags nadien dan ook nog eens bevestigd door verkiezingsfolders die in de brievenbus gedropt werden. Op zo’n momenten begon het wel eens te knagen om vrijuit en met veel bombarie op al die larie en apenkool te reageren en er mijn mening over te spuien. Nu ja, wat die mening ook al moge zijn.

Dat zijn van die momenten dat je de mogelijkheden van Camperhuub begint te missen. Komt daarbij nog een andere factor. Morgen of zo vertrekt mijn teerbeminde voor de elfendertigste keer alweer naar Indonesië, man en hond treurend achterlatend. Als ik nu eens weer aanpikte op die blog, dacht ik zo tussen twee koffietjes door. Dan blijft zij tijdens de reis tenminste op de hoogte van de innerlijke roerselen die zich tussen de muren van haar stulpje vertonen.

Gewetensproblemen, lieve mensen. Zwijg stil. En dus beginnen we er maar weer aan. Misschien niet op dagelijkse basis en wel helemaal niet meer gedeeld op Facebook. Wie de dingen lezen wilt, moet er wat voor over hebben.

Waarom heb ik mijn koppige verzet dan wel opgegeven? Waarom nu eensklaps mezelf weer druk opleggen? Waarschijnlijk omdat het nu eenmaal zo gebeurt. Waarschijnlijk omdat het niet anders meer kon. De voorbije maanden botste ik – tijdens een van die talloze WWILF-momenten (What was I looking for?) op Google – op de naam Carolus Tuinman (1659-1728). Twee jaar voor zijn overlijden publiceerde die het boek, althans het eerste deel daarvan: “De oorsprong en uitlegging van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden, opgeheldert tot grondig verstand der vaderlandsche moedertaal.” Een hoogst aangename kennismaking, vond ik meteen. In wekelijkse afleveringen was het daarin heerlijk en leerrijk bladeren. In dat boek trof ik meer bepaald drie Nederduitsche spreekwoorden aan die in het kader van deze ‘wedergeboorte van Camperhuub’ erg van toepassing zijn en die, hoewel ze sinds het begin van de 18de eeuw een lichtjes meer genuanceerde en/of aangepaste betekenis hebben gekregen, nog altijd even accuraat toepasbaar zijn.

1/ Over het zweren van dure eden:

“Een gedwongen eed, en heete pasteyen, zijn licht te breken” Hoe verre men echter verpligt is om zulk een eed te houden, behoort tot de Godgeleerdheid der geweetensgevallen. Maar een lichtvaardige, en voor al een valsche eed, is voor God niet min een grouwel. Echter is ’t menigmaal: Hoe vaster bezworen, hoe eer gebroken. Dus is ‘t: Hij houd den eed, als de hond de vasten.

Uitleg: Toen ik met pensioen ging, legde ik mezelf de plechtige belofte op nooit ofte nimmer noch één woord openbaar te publiceren. Die dure eed heb ik intussen al drie keer weer moeten inslikken. Geen drie zonder vier, denk ik dan maar, en gezien mijn hond Huub het ook zo moeilijk heeft met vasten…

2/ Over kruipend bloed:

Het bloed kruipt daar ’t gaan en kan. Dat is, de natuur heeft in bloedverwanten eene aangeboren en heimelyke neiging en drift to malkanderen gelegt, die zich byzondere gevallen openbaart. Maar wat zin heeft die spreekwyze? Men zegt, om te betuigen dat men ergens wezen wil, wat beletzelen zich ook mogten opdoen: Kan ik er niet gaan, ik zal’er kruipen. Zo laat zich ook de natuurlyke trek nergens door weerhouden. Verwonderlyk en zeldzaam is, ’t geen van ’t bloedvloeyen zelf van dooden in verscheiden gevallen, verhaalt word. ’t Is een goud spreekwoord: De natuur trekt meer, dan zeven paarden. En gelyk gezegt wierd: Een vrouwen hair trekt meer, dan zeven paarden. Wy zeggen mede: De natuur, of ’t moeders hert, kan niet liegen.

Uitleg: Op 9 juni 2017 postte ik m’n laatste bijdrage in Camperhuub en had ik een hele zomer de tijd om te tobben over het al of niet voortzetten van die blog. Pas onderweg naar Spanje stond mijn besluit vast: stopt ermee want je zult steeds in herhalingen vervallen, bespaar jezelf van stupide en totaal naast de kwestie verlopende replieken en werk jezelf eindelijk eens doorheen die stapel boeken die al jaren op je liggen te wachten. En toch gebeurde er op Benisol welke week minstens één ding dat enige commentaar waard was en waarover nu wijselijk gezwegen werd of toch in zeer beperkte kring geuit werd – en dan nog alleen oraal beleden. Maar… zoals een verstokte kettingroker die net een heel jaar geleden de laatste keer een peuk in de asbak uitdrukte intussen toch al 365 dagen x 16 uur per dag x om de 10 minuten naar een sigaretje smacht, zo sterk tintelden mijn vingers om toch maar opnieuw dat toetsenbord te folteren. Aan dat torment komt hiermee een einde.

3/ Over bewaakte ganzen:

De vos wil een kluizenaar worden. Dus zeiden de oude, wanneer een doortrapte huichelaar een gelaat maakte van bekeering en godvruchtigheid, en eenvoudigen te bedriegen, volgens 2 Tim. 3:5. Zo was ook by hen een spreekwoord: Als de vos de passie preekt, Boeren wacht uw ganzen. De valsche Propheten deden een hairen mantel om, om te liegen. Zach. 13:4. En de Zaligmaker waarschouwt ons voor wolven in schaapsklederen, Matth. 7:15. ’t Is niet al goud dat’er blinkt, doch echter behoud het waare goud zyne waarde.

Uitleg: Toen kameraad Bart Mertens me vroeg om voor Leuven Actueel een column te verzorgen, mocht ik daar zelf een titel voor verzinnen. Voor wie mijn persoonlijke geschiedenis een beetje kent – dat zijn er helaas maar weinigen meer – is het nogal vanzelfsprekend dat er een verwijzing in zou komen naar een vos. Wie die geschiedenis niet kent, moet maar zelf een aanknopingspunt verzinnen.

Hoe dan ook: alles wat hier nog zal volgen, zal verder onder de noemer ‘Als de vos de passie preekt’ blijven verschijnen. Spanje, en eventuele andere reizen, staan voorlopig op een laag pitje. Zoals het er nu naar uitziet, zal ik pas vanaf 15 oktober – dag na de verkiezingen – er weer eens intens aan denken om naar het zuiden te trekken.

Deze bijdrage houdt niet de minste belofte in. Het kan goed zijn dat er hierna weer niets meer volgt maar voor hetzelfde geld staat er weer elke dag enige onzin. Je weet maar nooit. Hou het in de gaten.

Stop het uitroepteken!

Is het toe te schrijven aan pure onwetendheid, de ogen moedwillig in de zak houden, aan arrogante kwaadwilligheid? Is het een bepaalde vorm van wereldvreemdheid of gewoon een gevolg van “het nieuwe normaal”? Hoe dan ook, tijdens drie gesprekken in twee dagen tijd kreeg ik te horen dat vreemdelingen zich niet willen aanpassen, niet willen werken, alles cadeau krijgen. Kortom: alles met wat meer pigment in de huid dan de doorsnee Belg of Nederlander, uit een ander cultuur komt, iedereen die er geen katholieke of toch minstens calvinistisch denkwijze op na houdt, is een halsstarrige profiteur van ons systeem.

Nu heb ik in de jaren 60 geleerd om te denken en te praten met minstens één vraagteken na elke zin. Het heilige journalistenprincipe van de Vijf W’s. Wie? Wat? Waar? Wanneer? Waarom? Vooral die laatste W was een doorslaggevende factor om een bredere visie in bepaalde situaties te krijgen, om die objectief in te schatten en om argumenten te vinden waaruit je ook nog een eigen mening kon destileren. In deze tijd waarin zowat iedereen met uitroeptekens achteraan op sociale media actief is in een haast onbegrijpelijke fraseologie dingen poneert (in afschuwelijk slecht Nederlands, trouwens) en dat ook nog als een eigen mening verpakt, is de W van “Waarom” totaal overbodig geworden. Waarom? Daarom! Omdat ik het zeg of schrijf! Uitroepteken! Ik lieg niet! Uitroepteken! Heel deze wereld is één grote samenzwering! Uitroepteken!

Hallo? Mogen de voetjes nog even op de grond? Dan zet je daar een reeks argumenten en uitgebreid feitenmateriaal tegenover om die uitlatingen te ontkrachten wat meteen wordt tegengesproken met alweer een alternatieve realiteit, gelezen op een of andere duistere website, gespecialiseerd in fake news. Met uitoepteken! Dezelfde uitroeptekens zoals gebruikt door populisten Trump, Wilders, Dewinter, Francken, Le Pen of Nigel Farage.

Soms dreig je er moedeloos van te worden.

Hopsa, wat lees ik vandaag in m’n krant?

“De achterstand op de arbeidsmarkt van personen met een vreemde origine is in geen enkel Europees land zo groot als in België. Zelfs als ze hogere studies volgen, hebben ze het moeilijker om een job te vinden dan een autochtone Belg met een diploma middelbaar onderwijs. Dat blijkt uit een tweejaarlijks rapport van Unia en de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid. Zo was in 2014 73% van de autochtone Belgen aan de slag, terwijl dat bij inwoners van vreemde origine niet eens de helft is.”

Nu zal dat rapport wel niet geschreven zijn door communist Peter Mertens, zal het wel geen doorslag zijn van het Rode Boekje van Mao, niet gedicteerd zijn door Poetin. Unia en FOD Werkgelegenheid zijn niet meteen gelieerd aan Steve Bannon, aan Breitbart of Alt-Right. Daar mogen we toch enige vorm van objectiviteit verwachten. Trouwens, onlangs las ik in de Nederlandse pers de cijfers van een gelijkaardig onderzoek bij onze noorderburen, met iets betere resultaten, weliswaar, maar toch. Het is zowel bij ons als bij onze buren de gulden regel dat je als solicitant maar beter Jantje dan Mohamed kunt heten. Eén van de grote strijdpunten uit die tegenwoordig in de schophoek getrapte jaren 60 klonk: Democratisering van het onderwijs. Elke jongere moest dezelfde kansen krijgen, onafhankelijk van papa’s portefeuille en sociale status, onafhankelijk van je geslacht, je overtuiging of de kerktoren waar je van onderuit kwam. Dat proces mag als geslaagd worden beschouwd; in het onderwijs althans. In andere afdelingen van onze samenleving is dat wel even anders, en in zake tewerkstelling wel helemaal. Ondanks alle mooie woorden en beloftes van gelijke kansen, is het voor vrouwen nog altijd een zware dobber om naar hogere echelons door te stoten. Zo ook voor jongeren uit de lagere inkomensklasse en/of minder geschoolde gezinnen. Die wagen zich veel te zelden aan hoger onderwijs. Bij jongeren met vreemde roots is dat desnoods nog ettelijke procentpunten erger. Bij die laatsten speelt dan ook nog eens de culturele achtergrond mee. Voor zover ze door onderwijskrachten al niet veel te vanzelfsprekend naar beroepsopleidingen worden doorgesluisd, krijgen ze die impuls ook al van huis uit mee. Ofwel weten die ouders de weg naar beter onderwijs voor hun kinderen niet te vinden ofwel zien ze er de noodzaak niet van in. Zo van: doe maar gewoon, dat is al gek genoeg. Met de gevolgen van die houding worden we in de grootsteden dagelijks geconfronteerd. Maar niet elke Yassin of Ahmed is een relschopper; niet elke Youssef of Karim is een gepatenteerde luiwammes; niet elke Nourdin of Omar is een profiterende klaploper. Zelfs al hebben Marouan of Jamel op school hun uiterste best gedaan en komen ze aandraven met een diploma hier, een attest van bekwaamheid daar, dan nog mogen ze rekenen op argwanende terughoudendheid van zodra ze zich in het bedrijfsleven moeten presenteren. Dan zullen ze al met al de duimen moeten leggen voor een veel lager gekwalifieerde Filip of Theo als ook die azen op dezelfde job.

Tja, en dus wordt je maar gelaten bedolven onder niet te controleren vooringenomenheid, onder vaste beweringen die vaak noch kant nog wal raken, onder uitingen van angst voor het vreemde, niet in het minste gestoord door enige vorm van kennis terzake. Het lijkt er steeds meer op dat deze wereld helemaal geïndoctrineerd is door duistere krachten met een geheime agenda. Ach ja, ook al klinkt het goedkoop en zeurderig, toch maak ik graag een sprongetje naar de jaren 30. Ook toen wist een hoop gehaaide kerels een hele maatschappij voor de verkeerde kar te spannen, terwijl ze er bijzonder goed in slaagden om hun écht gemeende en achterliggende belangen stil te houden. Ook net als toen wordt nu geprobeerd om de realiteit van onze samenleving te verdoezelen en ons een andere werkelijkheid voor te schotelen. Toen waren joden en communisten de bron van alle kwaad. Vandaag zijn het de Walen, de socialisten en de vreemdelingen. En voor je het zelf goed beseft, sta je zelf op het lijstje “Te Bestrijden Vanwege Slecht”. Met een uitroepteken.

 

Blijven hangen

Het is weer de periode dat je geen krant of tijdschrift kunnen openslaan, geen tv-uitzending kunt bekijken of er duikt wel ergens een lijstje en/of jaaroverzicht in op. Eigenlijk heb ik daar een gloeiende hekel aan maar gezien het hier voor het eerst sinds maanden weer eens regent, en je dus verhinderd bent om lekker buiten op je terras zitten na te denken, moet je dat binnen bij het gaskacheltje doen. Dan vliegen de gedachten nogal snel een eind noordwaarts, haal je herinneringen op aan de paar maanden dat je verbleef in de Lage Landen aan de Noordzee waar op dit eigenste ogenblik het dagelijkse leven totaal ontregeld wordt en in het honderd loopt vanwege een handvol vals romantische sneeuwvlokken. Bovendien is het vandaag 11 december, de verjaardag van m’n dochter Ann. Mocht die in 1982 het gezegde ‘Napels zien en dan sterven’ niet zo letterlijk hebben genomen, zouden we vandaag haar 52ste verjaardag gevierd hebben.

Allemaal geschikte omstandigheden om op een dag als deze de muizenissen in je hoofd de vrije loop te laten. De vraag die ik het afgelopen jaar – eigenlijk pas de laatste maanden – hier in mijn oord van overwintering het meest te horen kreeg was: “En heb je het deze zomer in België een beetje kunnen overleven?”. Waarmee in vredesnaam kun je daarop anders met enige twijfel op repliceren als met een terughoudend “Goed zeker”. Je hoeft de mensen immers niet meteen lastig te vallen met het feit dat je echt wel een rotzomer achter de rug hebt. Het begon al meteen in juni – ik was nog maar twee dagen weer thuis – en daar stond ik al aan het sterfbed van mijn zeer intieme vriend Eddy. Je hebt diens begrafenis nog niet helemaal verwerkt, en net vòòr ik weer naar het zuiden wilde vertrekken, moest ik dan nog eens voor altijd afscheid nemen van m’n dierbare kameraad Mark, plots overleden op zijn geliefde Griekse eiland. Neen, die zomer van 2017 was niet meteen de fijnste die ik me kan herinneren.

Ach ja, ik weet ook wel dat met het ouder worden wordt je persoonlijke verdwijnlijstje almaar langer wordt en het rijtje overlevenden almaar minder bevolkt. Een wetmatigheid met spijtige gevolgen. Zoals Brel het zegt in “Les Vieux”: “Ils ont peur de se perdre et se perdent pourtant (…) celui qui reste se retrouve en enfer.” En verdomme toch, zelfs al geloof je niet in god noch zijn gebod, dan voel je toch eventjes de verschroeiende hitte van de hel heel nabij van zodra je dierbaren moet missen. Je zit voor een tijdje toch minstens in een mentaal vagevuur, zeg maar.

Door een stom toeval – waarover later meer – ben ik er na bijna zes maanden eindelijk achter gekomen waarom uitgerekend die twee sterfgevallen zo alles overheersend tussen m’n oren bleven zitten. Twee totaal uiteenlopende persoonlijkheden die, mochten ze elkaar ooit ontmoet hebben, een bloedhekel aan elkaar hadden overgehouden of toch minstens elkaar totaal onverschillig hadden gelaten. En wat had ik er eigenlijk mee te maken? In niets, maar dan ook niet voor het minste greintje, heb ik met hen ook maar één karaktertrek gemeen. Waarom reken ik hen dan bij mijn beste vrienden?

Even terug naar dat stomme toeval. De laatste dag voor campingmaatje Jos weer naar België zou vertrekken, reden we samen naar Albir. Een hapje eten. Ergens onderweg maakte hij een schampere opmerking over een oudere man met lange, grijze haren in een paardenstaart gebonden. “Kijk, een hippie die is blijven hangen in de jaren 60,” grijnsde hij. Van Tobback kun je zo’n sneer verwachten; die kan zijn afkeer voor soixante-huitards nauwelijks verbergen. Van Jos – tenslotte maar vijf jaar jonger dan ik – snapte ik die opmerking niet. “En ik dan?” vroeg ik hem want tenslotte ben ik nog altijd een soort verwaaide hippie. Ik wees hem erop dat paardenstaarten bij mannen pas in de jaren 90 in de mode kwamen want in de jaren 60 liet het langharige, werkschuwe tuig toen de manen nog losjes wapperen. Verder dan die historische terechtwijzing kwam ik op dat ogenblik niet maar zijn opmerking bleef me de voorbije maanden wel constant plagen.

Pas vandaag, denkend aan de verjaardag van m’n dochter (fabricagejaar 1965), valt mijn nikkel. Pas vandaag snap ik wat de bindende factor was tussen Eddy, Mark en mezelf: de jaren 60. Alle drie hebben we die periode totaal uiteenlopend ervaren, beleefd en doorleefd. En net als die grijsaard met zijn paardenstaart zijn we er alle drie in blijven hangen. Elk op zijn eigen manier weliswaar. Die jaren 60, voor ons prille twintigers zo’n beetje Sturm und Drang, de periode waarin eindelijk een streep werd gezet onder de ouderwetse waarheden. ‘This is the Age of Aquarius and Love will rule the World,” klonk het in de musical “Hair”. Wij waren hemelbestormers onder het motto “Houd ons tegen, maar waag het niet dat ook te proberen”. En vrijheid blijheid en l’imagination au pouvoir! Elke dag verschoven we onze horizon, zowel in de lengte als de breedte, en ontdekten we de wereld; we kropen van onder de kerktoren vandaan. Wij bepaalden zelf onze normen en waarden die compleet haaks stonden op wat generaties vòòr ons hadden gedicteerd. Dàt was onze bindende factor. Hoewel onze levens totaal verschillende richtingen uitliepen, bleven we de principiële lijn die we in die tijd voor onszelf hadden uitgestippeld, voor de rest van onze dagen vasthouden. Je mag dus wel stellen dat we in de jaren 60 zijn blijven hangen, net als die grijsaard met zijn paardenstaart. Wat in vredesnaam is daar fout mee?

Eddy die pianist wilde worden, zijn studies moest onderbreken, boekhouder werd en opklom tot één van de belangrijkste functies in een multinational, onderweg nog een succesvolle reisorganisatie uit de grond stampte en met miljoenen goochelde terwijl ik nog rekende in briefjes van 20 en 50 frank. Maar die wel nog altijd even hoog bleef oplopen met de muziek van Sylvie Vartan en Joe Dassin. En voor geen geld ter wereld zijn brilmontuur uit de jaren 60 wilde vervangen door een hipper model.

Mark die politieke en sociale wetenschappen studeerde voor zover hij daar nog tijd voor vond als beheerder van de fakbar Politika, die wel aan een barkruk vast gelast leek en zonder moeite een etmaal lang over politiek kon lullen, die helemaal getrouw aan zijn overtuiging naar de mijnen trok toen het in Zwartberg en omgeving begon te stinken en nadien als bouwvakker aan de kost probeerde te komen, die pendelde tussen België en Rhodos en nergens en toch overal een thuis vond.

Bij die twee heren mocht ik leentjebuur spelen. Bij de ene pikte ik dit, bij de tweede was dan weer wat anders te halen. Van beiden was iets op te steken en verdomme, wat heb ik daar gulzig gebruik van gemaakt. Op sommige ogenblikken tot tegen de indigestie af. Zonder die twee was ik nooit geworden wie ik nu ben, laat staan dat ik de voorbije halve eeuw zonder al te opvallende kleerscheuren zou overleefd hebben. Nu ik zelf stevig op weg om een bedaarde burgerman te worden – waar we ons destijds toch hevig tegen afzetten – lijkt het er sterk naar dat die tijd nog altijd niet helemaal verteerd is, en dat is maar goed ook. Al werden we intussen hopeloos ingehaald door het nieuwe egoïsme, het ikke-ikke-ikke-syndroom, door de conservatieve reflex van nationalisme, de zegepraal van het materialisme, enz. enz… Heel de maatschappelijke ontwikkeling van tegenwoordig is erop berekend om zo snel mogelijk komaf te maken met de erfenis van de jaren 60. We kunnen dat betreuren maar het is wel zo. Hoewel…

Binnen enkele maanden zal er weer grote bombarie ontstaan rond mei 68. Kranten zullen weer het ene na het andere katern vol schrijven over die woelige periode, die ik in alle bescheidenheid een breekpunt in de geschiedenis durf te noemen. Op 30 april 1968 eindigde de 19de eeuw en op 31 mei 1968 begon de 21ste eeuw. Spijtig genoeg heeft de mooie 20ste eeuw maar goed vijftig jaar geduurd. Twee exponenten van die eeuw zijn intussen weer verdwenen maar dank zij Jos werd ik er weer eventjes aan herinnerd dat het niet fout is om nog eventjes te blijven denken en zijn zoals zij; niet fout om nog eventjes te blijven hangen in de jaren 60 met de normen en waarden die we onszelf destijds hebben ingelepeld. Hun denkwereld en hun dromen nog eventjes te blijven koesteren, eventueel als ‘the last man standing’.

Dag Eddy, dag Mark, dag Ann, dag Vlado. Bedankt.

 

 

Di 24/10 Eén maand alweer

Wel, wel, wel… ’t is vandaag alweer uitgerekend één maand geleden dat Mieke en ik hier na zo’n vier maanden nog eens de camping opreden. Na pakweg 600 km over snelwegen afgelegd te hebben, had ik meteen de stellige indruk dat de straatjes hier angstwekkend gekrompen waren tijdens onze afwezigheid. Het bestand overlevende flora op Helsinki 2 trouwens ook. De bloedhete zomermaanden hadden hevig huisgehouden in mijn collectie opfleurende plantengroei. Op het technische niveau leek mij alles nogal mee te vallen tot Mieke meldde dat het toilet het niet meer deed. Pomp vastgelopen wegens lichte verkalking en uitdroging. Probleem dat verholpen werd door het twee uur lang laten inwerken van een litertje schoonmaakazijn.

Diezelfde avond bleven we tot voorbij 23 u op het terras zitten; een ervaring die we bijna vergeten waren. We hadden net drie weken Frankrijk achter de rug, daarheen gelokt door de beloftevolle geruststelling van vriendin Ria: “In september kan het er ook nog erg mooi weer zijn.” In andere jaargangen is dat wellicht zo maar laat het nu toeval zijn dat de nazomer van 2017 net besloten had om tot 22 september eventjes vakantie te nemen en weg te trekken uit het departement Indre. Twee dagen konden we ongeveer 2 uur buiten zitten; eens na vijven was dat onmogelijk. Niet één keer kon ik de BBQ aansteken, wat zoveel betekent als ‘totaal geen vakantiegevoel’. De meest wereldschokkende ervaringen bestonden erin dat we ’s avonds gespannen stonden te luisteren naar de burlen van de edelherten en die geluiden ook nog eens proberen te lokaliseren. Helemaal mooi was die ene nachtelijke ontmoeting met een bok die parmantig in het midden van de weg bleef staan en ons geringschattend aankeek; zo van: wat doen jullie hier om MIJN terrein. Althans dat is wat wij dachten. Een tienender, kon ik zien in de stralen van de autoverlichting. Een alleenstaand jong dier – dacht ik toch – nog té groen achter de oren om er nu al een eigen harem op na te houden en daarvoor te vechten.

Die mindere klimatologische omstandigheden werden dan alweer goedgemaakt door het aangename gezelschap, de vredige atmosfeer in huis en het binge kijken naar de verzamelde afleveringen van ‘Lewis’. De herinnering daaraan vervult me sommige avonden hier nog vaak met een gevoel van – om het met Elsschot te zeggen – weemoedigheid, die niemand kan verklaren.”

Eens op Benisol gearriveerd is het niet lang zoeken naar vertrouwde gezichten die al eerder dan wij naar hun winterverblijf zijn afgezakt. Het is nog minder lang wachten op een berg andere meer vertrouwde gezichten die met mondjesmaat binnen sijpelen. Je bent weer snel bijgepraat en op de hoogte gebracht van de laatste verwikkelingen. Die en die komen niet meer; dit en dat mag niet meer; zus en zo is intussen veranderd. Je rijdt eens naar de Cap Blanch om Nico en Christa te groeten en je weet weer alles wat er de voorbije maanden tussen de haven van Altea en El Cisne gebeurd is. Mieke moet weer naar huis en je neemt je voor om je tanden te zetten in die stapel ongelezen boeken die hier op je liggen te wachten. Je moet wel honderd keer uitleggen waarom je het vertikt om nog langer elke dag je blog bij te houden: alles wat zich in dit kleine dorp afspeelt, is toch maar een herhaling van voorgaande seizoenen. Misschien krijg ik bij slecht weer wel opnieuw een vlaag van schrijflust maar gezien de temperatuur zich hier nog dagelijks tussen 25 en 28°C beweegt, kan ik die drang voorlopig nog onderdrukken.

 

 

 

 

 

 

 

19/10 Spaanse furie

Als onze eerste minister nog één woord durft te zeggen, worden wij Belgen hier in Spanje vogelvrij verklaard en staat er een prijs op ons hoofd. De Spaanse ministeries van Binnen- en Buitenlandse Zaken, Sociale Zaken, Werk(on)gelegenheid, Armoedebestrijding, Milieu, Financiën en Landbouw staan in rep en roer en voor het hele diplomatieke corps is het alarmfase ‘rood’ geblazen.

Nu is onze premier uiteraard wereldwijd bekend als een notoir en hardnekkig stokebrand die er met de vingers in de neus in slaagt om twee straatstenen met elkaar te doen vechten. Enige omzichtigheid in zijn woordkeuze is hem totaal vreemd. Als er ergens in de wereld ook maar een scheet wordt gelaten, vlamt hij daar meteen met een grijnzend genoegen een kritische opmerking overheen, en reken er maar op dat hij nooit boven de gordel mikt. Een man die ’s morgens uit zijn bed stapt en in de spiegel aan zichzelf vraagt: Wie kan ik vandaag nog eens bruuskeren?

Dat hij het heeft aangedurfd zich daags na het referendum in Catalonië uit te spreken tegen het zinloze geweld van de Guardia Civil, kon dan ook rekenen op de banvloeken van kruidje-roer-me-niet Rajoy. Die dreigde meteen om de Spaanse steun bij de kandidatuur van onze politiebazin Catherine De Bolle als grote madame van Europol in te trekken. Gelijk had hij, verdorie. Elk redelijk denkend mens zou daarmee toch wel gewaarschuwd zijn. Zo niet onze Charles Michel. Neen, die moest zo nodig nog wat olie op het vuur gooien door vorig weekend een interview te geven waarin hij de Spaanse en Catalaanse regeringen erop wijst hun verstand te gebruiken en met elkaar in dialoog te gaan.

Kijk, na zo’n pertinente bemoeiing van een snertlandje als België zou ik als Spaanse premier van een minderheidsregering er meteen mijn troepen of afsturen, wat zeg ik: ik gaf de Spaanse luchtmacht meteen de opdracht om Waver plat te leggen in de hoop dat het mannetje Charles Michel daar toevallig een gemeenteraadszitting moet voorzitten. Zo niet Rajoy, een mens van goede wil en een wel opgevoed man van stand. Tegen alle verwachtingen in, roept die gewoon onze ambassadeur in Madrid op het matje. Die krijgt niet eens een uitbrander waarbij de bosbranden in dit land peanuts zijn; die wordt gewoontjes gewaarschuwd dat deze “verbijsterende verbale aanvallen van een partnerland moeilijk te begrijpen zijn en onze bilaterale betrekkingen ernstig in gevaar brengen.” Nog een geluk dat Fabiola di Mora y Aragòn al gestorven is; als Rajoy het destijds voor het zeggen had, had ze niet eens met onze Boudewijn mogen trouwen. Dan zouden die frietenvreters van Belgen wel een poepje geroken hebben.

In afwachting van een nieuwe Tachtigjarige Oorlog zou ik, mocht ik van Rajoy zijn, nu meteen op zoek gaan naar gepaste opvolgers voor Fernando Alvarez de Toledo en Alexander Farnese, hertog van Parma. Meer nog: ik stelde de inquisitie weer in. En binnen 68 jaar kunnen die arrogante Antwerpenaars dan weer feestelijk de 600ste verjaardag van de Val van Antwerpen vieren. Alleen zal het nu de Tweede Val van Antwerpen heten. Dat ze daar nu al maar beginnen met de parking te ontruimen…