Patagonië aan de Lot

“Ik weet er alles van want ik woon intussen al vijftien jaar in Frankrijk,” reageerde mijn vriend Dree P. op mijn vorig stukje over het zogenaamde Vilvoorde-syndroom. Wat hij daarmee exact bedoelt, weet ik zo nog niet. Zit hij na die vijftien jaar Frankrijk nog altijd met Vilvoorde in de maag, of heeft hij er nooit last van gehad en staat hij daar helemaal boven? Of heeft het misschien over mijn principe “Als je zelf geen kot hebt in Frankrijk, moet je er maar voor zorgen dat je veel vrienden kunt bezoeken die dat wél hebben.” Immers, Dree P. staat al jaren met stip op mijn lijstje vrienden die daaraan beantwoorden. Misschien heeft hij me intussen al iets te vaak over de vloer gekregen?

Dat ik nooit definitief uit Leuven ben weggeraakt, maakt me eigenlijk niet zo veel meer uit. Daar heb ik intussen vrede mee genomen. OK, het is me om een of andere reden niet gelukt. Wat me trouwens nooit belet heeft om te blijven dromen van verre oorden. Nu ja, die verre oorden kwamen in de loop der jaren altijd iets dichterbij te liggen; het moest wel ergens ten zuiden van de Loire zijn. Eens voorbij de borden ‘Pays d’Oc’ zou een extra troef betekenen.

Blog 59_ Vlag

Destijds werd ’t Moorinneken bevolkt door mensen met dezelfde dromen van verre oorden. Eén daarvan was Dree P. die ooit tekende voor één van de beste programma’s uit de vaderlandse radiogeschiedenis. Als hij ook maar wat vrije tijd had, was hij wel ergens in de Périgord te vinden. Daar deed hij dan nieuwe inspiratie op, was het niet voor de radio dan toch voor zijn boeken over Patagonië. Nog zo’n eeuwig dolende geest was muzikant/zanger Dirk Van Esbroeck die het ook al even erg op ‘La France Profonde’ had begrepen. Zijn grootste plezier bestond erin om heel het traject van het Canal du Midi af te wandelen, van de Garonne tot in het Sète van Georges Brassens.

Dirk had ik destijds behoorlijk goed leren kennen toen hij nog samen met Wiet Van de Leest en Paul Rans lid van de groep RUM was en nadien zijn ‘Tango al Sur’ opstartte. Op een avond kwam hij aan de toog aandraven met een eigenaardig voorstel. Hij wist ergens een verlaten dorp in zijn totaliteit te koop staan, met alles erop en eraan. Zijn droom was het om voldoende gelijkgestemde kandidaat-kopers bij elkaar te krijgen die in dat dorpje een huisje zouden aanschaffen. Zijn bedoeling was er soort kunstenaarsdorp van te maken. “Jij kunt daar dan een horecazaak opstarten,” probeerde hij me warm te maken. Ja, dag Van Esbroeck, kom morgen nog eens terug. Denk je nu echt dat ik hier de deur achter ’t Moorinneken dicht sla om ergens in ‘de bled’ van Frankrijk een nieuwe zaak op te starten? Oeps, einde gesprek. Niets meer van gehoord.

Uiteindelijk vond Dirk zijn droomhuis ‘Taillefer’ in een gehucht van Villeneuve-sur-Lot en niet veel later vertelde een stralende Dree P. me triomfantelijk dat hij iets verderop een prachtig ‘maison en pierre’ had gevonden, meer bepaald in Saint-Just, een negorij nabij Hautefage-la-Tour. Voor zijn nieuw verworven domein had hij al meteen een toepasselijke naam gevonden: Au Bout du Monde. Het moet zijn dat er in die omgeving iets in de lucht hangt, dat het leven er bijzonder gunstig moet zijn want intussen is er in die omgeving een kleine Belgische kolonie ontstaan, met een verdacht belangrijke Leuvense inslag. Een gunstige ontwikkeling want veel adressen voor een potentieel bezoek.

Op een mooie dag – ik had me weer eens zelf uitgenodigd als gast van Dree – zaten we samen met Dirk een vaderlandse Triple Westmalle te nuttigen en tijdens die gezellige uurtjes viel de vraag: “Zeg Dirk, waar ergens ligt dat dorp dat je destijds wilde kopen?” Daags nadien troonde Dirk me dan eindelijk eens mee naar dat Frespech van hem. Dat was intussen verkocht aan, en mooi gerestaureerd door kapitaalkrachtige Parijzenaars. Die dag heb ik me wel honderd keer tegen het hoofd geslagen; en dat doe ik nu nog altijd. Was ik twintig jaar geleden maar meteen in de auto gesprongen om hier te komen kijken… Ongetwijfeld had ik dan wel anders gereageerd en had ik half Leuven opgetrommeld om hier te investeren. Verdomme, dat Frespech was een middeleeuwse bastide, met omwallingen en toegangspoorten, misschien zo’n vijftien huizen, een Romaanse kerk met perfecte akoestiek voor allerlei concerten of voor tentoonstellingen, een totaal gebruiksklare ‘salle de fêtes’, een prachtig binnenplein met zowat oneindig veel mogelijkheden. En ondertussen was er zelfs een brasserie/restaurant gekomen, “La Taulejada”. Dedjuu toch, toen had ik moeten toehappen en mijn Vilvoorde-syndroom overwinnen. Nu zit ik hier, zoals Wannes het ooit zong; “’k eb m’n zakke vol meh spijt”.

Intussen is Dirk alweer twaalf jaar niet meer onder ons en is Dree tot Frans staatsburger gepromoveerd. Zelf spendeer ik nog elk jaar enkele weken in La Douce France, minstens aan de overkant van de Loire. Als gewoon toerist weliswaar. Een eigen kot in Frankrijk hoeft voor mij niet meer, maar je kunt er nog altijd van blijven dromen.

Iedereen kan naar Hong Kong gaan, vertelde Brel ons. De moeilijkheid is afscheid nemen van Vilvoorde, voegde hij eraan toe. Voor mezelf heb ik daar een variante op verzonnen: “Je kunt wel Leuven uitrijden maar daarmee zit je nog altijd niet in Frespech.”image

la-taulejada

 

 

 

Quitter Vilvorde

Ce qui est le plus dur pour un homme qui habite Vilvorde et qui veut vivre à Hong Kong, ce n’est pas d’ aller à Hong Kong mais c’est de quitter Vilvorde. C’est ça ce qui est difficile.

Vorige week zat ik weer even in de mij zo vertrouwde Gambrinus, samen met een dame die ik al vijftig jaar als mijn hartsvriendin beschouw. Intussen woont ze net iets minder dan die halve eeuw in de Verenigde Staten, is haar Nederlands inmiddels doorspekt met Engelse woorden, heeft ze daar in California haar kinderen en kleinkinderen grootgebracht… Om maar te zeggen dat ze helemaal opgeslorpt is door ‘The American Way of Life’. Door de jaren heen waren we elkaar een beetje kwijt geraakt maar ons gesprek ging gewoon verder waar we het, zeg maar, dertig jaar geleden hadden afgebroken. Echte vriendschap overleeft alles. Terwijl we daar onze koffie slurpten en terugblikten op de kleine gelukjes en minder aangename dingen die ons in dat intussen rijke verleden overkomen waren, viel het me op hoe sterk ze na al die jaren toch nog altijd in Leuven was blijven “hangen”. Sterker nog, in elke uitgesproken zin zat een diepe ondertoon van heimwee. Tja, dan duikt automatisch bovenstaand citaat van Jacques Brel op. Het “Vilvoorde-syndroom”, zoals ik het benoem. Hoe verdomde moeilijk het is om los te laten. Ik ken het maar al te goed.

Zelf heb ik – toen ik nog veel jonger was – oneindig veel plannen gemaakt om dit zure landje achter me te laten. Een groot gedeelte van m’n jonge(re) leven heb ik wel altijd met peper tussen de billen gezeten. In mijn dromen heb ik wel in twintig landen gewoond. Ooit lagen er volledig uitgeschreven scenario’s, reisroutes en officiële documenten klaar om naar een of ander land te emigreren. Telkens zocht je naar excuses om dat niet te doen. Waren het niet veel te hete zomers dan toch veel te lange winters, was het niet Verwoerd met zijn apartheid dan toch Franco en zijn fascistoïde regime, betrof het niet het Franse chauvinisme dan toch de moeilijkheidsgraad van de Kroatische taal. Aan jezelf vooral niet toegeven dat je een acute aanval had van het Vilvoorde-syndroom. Dat Leuven een magneet was, een exponent van de Newtons wet op de zwaartekracht. En dus bleef het bij dromen van Hong Kong. En aanvaarden dat mijn lievelingsschrijver Elsschot gelijk had toen hij schreef: “Want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren.” Praktische bezwaren waren er bij de vleet, al of zelf verzonnen, al of niet vermomd onder de noemer ‘verantwoordelijkheid’. Tja, en onverklaarbare weemoedigheid is een gevoel dat je eigenlijk nooit kwijt raakt.

Pas veel, heel veel later, als het leven voldoende klappen heeft uitgedeeld, leer je een hoofdstuk af te sluiten met een dik, vet aangezette punt en dat je de bladzijde moet omslaan. Misschien daarom dat ik me altijd gefascineerd zit te vergapen aan een Nederlandse televisieprogramma als “Ik vertrek”. Dat vergapen moet je wel letterlijk nemen want ik kijk daar dus wel altijd met open mond naar. Een open mond van verbazing en ongeloof. En van bewondering. Mensen die ergens in Frankrijk, Spanje, Tsjechië of Hongarije hun geluk op de proef willen stellen zonder goed te beseffen wat hen ginder te wachten staat. Hun boeltje hier verkopen, een afscheidsfeestje geven en een verhuiswagen vol laden. En hopsa, weg zijn wij. Nederlanders weten Vilvoorde immers niet te liggen…

Eens op de bestemming aangekomen, weigeren ze hun droombeeld te laten verstoren door de zich opdringende realiteit. De ontkenningsfase, zeg maar. Ze spreken niet één woord van die vreemde taal, ze kennen niet één snars van de gewoonten en gebruiken in hun nieuwe land, ze willen er een zaak opzetten zonder nodige vergunningen, laat staan dat ze weten waar die vandaan moeten komen. In een enkel geval hebben ze zelfs geen vaste woonst. Met Hollandse koppigheid worstelen ze zich door ingrijpende verbouwingen heen, sturen ze hun kinderen naar een totaal vreemde school. Maanden lang is het vechten tegen een te krap bemeten budget en helemaal verdwaasd rekenen ze zich rijk als er eindelijk een eerste gast een kamer in hun B&B of een stekje op hun nieuw opgezette camping reserveert.

De intussen diep in mij vastgeroeste “petit bourgeois” roept dan met luide stem: “Hoe is het godverdomme toch mogelijk!” Hoe kun je zo maar helemaal alle schepen achter je in brand steken? Hoe kun je het je kinderen aandoen om die naar een school te sturen waar ze geen woord verstaan van wat er geleerd wordt? Dat is toch gedoemd om te mislukken. Hoe kun je het verantwoorden om zo maar, zonder nadenken, zonder voorafgaande planning, jezelf en je gezin in een uitzichtloos avontuur te storten?

Anderzijds is deze verdrongen dromer met een restje peper in zijn hol natuurlijk wel poepjaloers. Die mensen hebben het wél aangedurfd om hun droom na te jagen en het ankertouw te kappen. Voor hen was het vooruitzicht op Hong Kong sterker dan de hang naar Vilvoorde. Mijn respect.

Hoe het met die mensen verder verloopt, krijg je niet of nauwelijks te zien. Dat is ook niet het opzet van de programmamakers want weinig spectaculair. Ongetwijfeld zullen er enkelen in hun opzet slagen en hun vooropgestelde dromen ook echt realiseren. In het merendeel van de gevallen voel je het met je ellebogen aan dat het de rubriek van aangekondigde verloren zaak wordt en dat die goede lieden binnen de kortste keren, met hangende pootjes en de staart tussen de benen, weer ergens in Nederland zullen belanden. Zo was er onlangs een dame die reeds drie weken nadat haar Spaanse avontuur was begonnen, weer de verhuisdozen inpakte en, kapot van heimwee, weer terug in Nederland stond. Ik hoorde haar beweren: “Nou ja, het is mislukt, maar nu hoef ik mezelf achteraf niet te verwijten dat ik het niet geprobeerd heb.” Wel, ik geloof dat die uitspraak ook zeer oprecht gemeend was. Een Nederlandse variatie van het Vilvoorde-syndroom.

Na zo’n uitzending maak ik altijd de vergelijking met al die vrienden en vertrouwde bekenden die ooit zelf het doortastende besluit ‘Ik Vertrek’ genomen hebben. De meest voorzichtige en nuchter denkende onder hen beperkten zich tot een stulpje in de Ardennen of een caravan aan de kust. Wie iets meer moed opbracht en financieel beter in de wol zat, stak al eens de grens over en waagde zich tot in de Cevennes of Andalusië. Die offerden dan al hun vakantiedagen op om hun vervallen boerderijtje op te knappen en aan te passen aan de hedendaagse noden. Dan werd een grote vriendenschare opgetrommeld om een handje toe te steken met het vooruitzicht op deelname in toekomstige vakanties. De vraag of het wel zinvol was om elk verlengd weekend, met kerstmis, Pasen en de zomervakantie 800 km ver te rijden – en even zo ver voor de terugweg – om ginds een nieuwe elektriciteitsnet aan te leggen, rioolputjes uit te graven of nieuwe ramen te steken, werd steevast positief beantwoord. “Eens met pensioen, kunnen we er dan wel echt heel lang van genieten,” klonk het dan telkens overdreven optimistisch.

Mij niet gelaten. “Als je zelf geen kot hebt in Frankrijk, moet je er maar voor zorgen dat je veel vrienden kunt bezoeken die dat wél hebben,” dacht ik altijd maar. En nadien weer veilig onderduiken in mijn persoonlijke ‘Vilvoorde’.

 

 

 

 

Vietnam: een reis waard

Hoe dingen aan elkaar kunnen hangen, nietwaar. Een week of zo geleden had ik het hier over het boek van Max Hastings over de Vietnamese oorlog en sindsdien zit dat land – Vietnam dus – me al die tijd constant tussen de oren. Het is van 1996 geleden dat ik er was maar elke dag weer word ik ondergedompeld in een bad van herinneringen. Twee soorten herinneringen. Een soort probeer je zo veel mogelijk te verdringen omdat ze je vol op een plek hebben geraakt waar het nu, 23 jaar later, nog altijd pijn doet. Ruim twintig jaar na het beëindigen van de oorlog kon je onmogelijk naast de nagelaten sporen daarvan kijken. Triomfantelijk worden neergehaalde vliegtuigen en uitgebrande tanks van de Amerikanen tentoongesteld. De auto van de zichzelf in brand gestoken monnik Thich Quang Duc (1963) wordt nu als een icoon van de revolutie voorgesteld. Je rijdt doorheen vierkante kilometers braakliggend land met hier en daar nog stompen van wat ooit enorm grote bomen waren. Ooit was dit oerwoud maar nu ligt die grond er nutteloos bij omdat die nog altijd vergiftigd is met Agent Orange. Niet minder dan 47 miljoen liter (!) van dat smerige goedje werd verneveld over alles wat ook maar en blad droeg. Erger is natuurlijk dat het ook op mensen terecht kwam. Vanwege dat ontbladeringsmiddel worden nu nog altijd massaal misvormde kinderen geboren; dan spreken we toch over de tweede en derde naoorlogse generatie en de toekomstige prognoses beloven niet veel beterschap. Wat wel weggemoffeld wordt, zijn de uitpuilende weeshuizen en de ontelbare begraafplaatsen van de honderdduizenden gesneuvelden.

Aan de andere kant moet je dan weer wel steile bewondering opbrengen voor de stugge weerbaarheid van de Vietnamezen; wel buigen maar niet breken. De Fransen en de Amerikanen hadden zich maar beter eerst verdiept in de rijke geschiedenis van dit land vooraleer er zich mee te bemoeien. Dan hadden zij wel geweten dat je deze mensen niet met geweld kunt overheersen. Of toch maar tijdelijk zoals de Chinezen, de Champa of de Khmer voor hen hadden ondervonden. Met koppige vastberadenheid bouwen ze hun land vanuit het niets weer op. Neem bijvoorbeeld de citadel van Hué. Vanaf het Tet-offensief in 1968 tot het einde van de oorlog in 1975 is daar constant en vrij bloedig slag om geleverd zodat er van heel dit ingewikkelde complex nog maar weinig overbleef. Op enkele details na was het in 1996 al helemaal in zijn oude glorie hersteld. De Amerikanen lieten een sociaal totaal ontwricht en economisch failliete land na en binnen de kortste keren dwong het zichzelf een plekje af tussen de Aziatische Tijgers. Je voelt langs alle kanten dat de oude generatie hardliners uit de oorlogsperiode, het clubje van Ome Ho en Lê Duan, plaats geruimd heeft voor een pragmatisch denkende nieuwe lichting. Hoewel, de staat blijft gevangen in de wurggreep van de communistische partij, zoveel is wel zeker. OK, er is de taalbarrière en dus kun je de lokale Jan-met-de-pet moeilijk om zijn mening vragen of gewoon een praatje slaan. Jongeren die wel een vreemde taal spreken, dreunen een voorgekauwd lesje op. Een enkele uitzondering daargelaten, zullen oudere mensen zich wel tien keer op de tong bijten vooraleer ze zich eerlijk uitspreken. Dat merkte ik wel bij onze lokale gids Paolo, intussen alweer een tijdje overleden. Bij hem had je maar een half woord, én zijn weemoedige blik, nodig om achter de heersende hoerastemming de ruwe werkelijkheid te vermoeden.

Natuurlijk zijn er ook mooie, meer aangename herinneringen. Kleine anekdotes die je wel van elke reis mee naar huis neemt en de minder leuke kanten verhullen. Zo zie ik mezelf nog altijd bij het praalgraf van Ho Chi Minh aanschuiven (een verplicht nummertje!). Een nors kijkende militair zette me met veel misbaar op m’n plaats omdat ik nog altijd mijn zonnebril op had, wat hem veel te weinig respectvol overkwam. Twee dagen later was ik in de Halongbaai bijna verzopen; een lekker verfrissende zwempartij liep bijna fataal af vanwege opduikende krampen. Men heeft me toen letterlijk uit het water moeten opvissen. Onze reisgids Paolo, die zoals elke Aziaat fervent amateur van karaoke was, wilde te pas en te onpas uitpakken met altijd weer hetzelfde liedje, namelijk “Tombe la neige” van onze Adamo. Jaja, laat het maar sneeuwen als de temperatuur buiten tot +35 °C oploopt. Terwijl iedereen zich stond te vergapen aan de Japanse Brug in Hoi An, wilde ik maar één ding: een frisse pint bier. In een achteraf straatje, helemaal onopvallend en twee hoog, vond ik toevallig een kroeg, uitgebaat door een jonge Fransman, en – hoera, driewerf hoera – er stond een tapkraan. Mét koeling. Ik zweer het, nooit is er in ’t Poske een Stella getapt die me beter heeft gesmaakt dan dat fluitjesbier in Hoi An. In Danang sleepte Paolo me mee naar een straatkraampje waar het verschrikkelijk stonk en je bijna over de door elkaar heen racende ratten struikelde, maar nergens ter wereld heb ik zo’n lekker kop koffie kunnen drinken als wel daar. In Tây Nihn was ik getuige van een dienst van de meest waanzinnige godsdienst die er op deze aardkloot bestaat: de Cao Dai. Heiligen in deze ‘kerk’ zijn onder meer Lenin (!), Victor Hugo, Jeanne d’Arc, René Descartes, Shakespeare… Had ik maar iets beter mijn best gedaan, dacht ik toen. Misschien maakte ik dan ook kans om in dit heiligdom vereerd te worden. Het ondergrondse tunnelsysteem van Cu Chi is niet voor iedereen geschikt. Dat bleek wel toen ik achter een iets te dik uitgevallen toerist aan kroop en zoals te denken, kwam die op een bepaald ogenblik vast te zitten. De man gilde om hulp meteen gevolgd door een flink uit te kluiten gewassen scheet. En zeggen dat die tunnels inmiddels iets breder gemaakt zijn dan toen ze tijdens de oorlog gebruikt werden. Nabij Ninh Binh word je met een bootje door vrouwen naar Tam Coc geroeid, wat bekend staat als het “Halong Te Land”. Je bent nog niet goed van de kant afgeduwd of het winkeltje gaat open: geborduurde tafellakens, beddengoed en andere producten van noeste huisnijverheid. Er is geen ontkomen aan. Het hoort niet helemaal thuis in dit rijtje maar daags voor we weer naar huis toe moesten, kreeg ik op een hotelkamer in Saigon op tv te zien dat in de kelder van een zekere Dutroux twee meisjes waren gevonden en dat hij en zijn bende waren gearresteerd. Waarmee ik me als Belg toch weer trots mocht voelen omdat we het wereldnieuws haalden.

Eén reflectie die me na die reis tot vandaag is bijgebleven: dit doe ik nooit meer. Opgelet: daar bedoel ik het land niet mee – ik zou er morgen zò terug heen reizen – maar wel de formule. Tegen mijn gewoonte in liet ik inschrijven voor een kant-en-klaarreis en het grote nadeel daarvan is dat men je in slechts twee weken tijd zo veel mogelijk wilt laten zien in een wereldkampioenentempo. Gevolg daarvan is dat je inderdaad veel ziet maar wel weinig kunt bekijken. Elke dag een nieuw hoogtepunt, elke dag nieuwe indrukken… Je moet al erg beslagen zijn om dat allemaal te verwerken, er doorleefd mee om te gaan. En het daags nadien niet alweer vergeten te zijn. Met zo’n reizen is het constant van luchthaven naar luchthaven, busje op, busje af en dat alles onder de tirannieke dwang van een strikt na te leven tijdschema. Neem daarbij dat Vietnam een smalle strook land is maar wel over bijna 2.000 km lengte uitgerekt en je weet dat je meer tijd steekt in verplaatsingen dan dat je iets kunt bezoeken. Als je Vietnam echt wilt beleven, zou je er minstens drie keer en beperkt doorheen moeten reizen. Eén keer het zuiden met de Mekong delta; een keer het centrale gedeelte met Hue en Danang en tenslotte een reis exclusief in het noorden met de Ha Long baai en de nog resterende bergstammen aan de grens met China en Laos. En voor elk van die reizen minstens drie weken à een maand uittrekken. Tenzij je bijnaam ‘Speedy Gonzalez’ is.

Al met al: Vietnam is een reis waard en bij uitbreiding al de buurlanden ervan, zeg maar heel Zuidoost-Azië. Persoonlijk heb ik nergens in de wereld beter “thuis” gevoeld dan in die landen: Birma, Thailand, Laos, Cambodja, Vietnam, Maleisië en Indonesië. Eigenlijk horen daar ook nog de Filippijnen bij maar spijtig genoeg ben ik nooit zover geraakt.

Wedden dat ik het hier ooit nog over die landen zal hebben?

 

De eeuwige herhaling

Aan winkelen heb ik een broertje dood en dus vind ik het helemaal niet erg dat alles wat aan mijn kont hangt of in de kleerkast ligt niet door mezelf gekozen en gekocht is, maar wel door mijn teerbeminde. Zij zorgt namelijk graag voor mij; iets waar ikzelf minder last van heb. Aan mij hebben de Leuvense neringdoeners dus geen al te beste klant. Alleszins niet rechtstreeks. Slechts voor één bedrijfstak wil ik graag een uitzondering maken: boekenwinkels. Daar wil ik wél voor buiten komen. Daar uren in ronddwalen, ‘lèche-vitrines’ spelen in alle afdelingen, wegdromen bij reisboeken, bewonderend bladeren in een kunstboek, voorzichtig een poëziebundel openslaan… grotere zaligheid is nauwelijks voor te stellen. Mijn favoriete boekenzaak (Barboek) ligt in de Schrijnmakersstraat, de straat van waaruit Jeroen Meus ons zijn dagelijkse kost serveert. Mijn favoriete kroeg Leuven Central (het vroegere café ’t Poske) ligt trouwens net om het hoekje zodat twee pleziertjes naadloos in elkaar kunnen overlopen. In dat bewuste Barboek weet men intussen ook wel in welke boeken ik het liefst van al mijn neus steek en van zodra er een nieuw werk in het genre ‘historische inslag’ verschijnt, wordt dat wel opzij gehouden. Gezien mijn Mieke toch vaak in de buurt van de Schrijnmakersstraat passeert, hoef ik dat alweer niet te doen om toch regelmatig van nieuw leesvoer voorzien te worden.

Mijn interesse voor geschiedenis en nieuwsgierigheid naar het hoe en waarom van bepaalde feiten uit het verleden, heeft zo zijn prijs. Niet alleen is dat soort boeken vanwege de beperkte oplage duurder dan een doorsnee stationsromannetje, maar ze zijn bovendien ook veel volumineuzer. Gemiddeld zit je toch algauw aan 700 à 800 pagina’s. Reken daarbij dat mijn gemiddelde leessnelheid sterk vertraagd zoniet totaal afgeremd wordt door allerlei sociale verplichtingen en een brede interessesfeer buiten de boekenwereld om, en het laat zich raden dat ik tamelijk lang op zo’n turf zit te kauwen. Als een bepaald boek dan ook nog de pech heeft op het nachtkastje te belanden, duurt het nog wat langer vooraleer het definitieve slotpunt zich aandient. Net voor het slapengaan slagen mijn oogleden er niet meer in om meer dan zo’n 15 à 20 pagina’s te verwerken. Tegen zo’n tempo gaat het natuurlijk niet vooruit. Reken zelf maar uit hoe lang zo’n knoert van 800 pagina’s dan wel meegaat

“Hoe meer ik lees, hoe meer ik weet. Hoe meer ik weet, hoe dommer ik me voel.”

Die stelregels is wellicht het grootste nadeel van “lezen”. Je botst wel altijd op een historische fase waarvan je zegt: “Verdomme, hoe zat dat nu alweer exact in elkaar?” Of op feiten waarvan je de verbanden elkaar overlappen of je totaal ontgaan zijn en waar je méér van weten wilt. Waarop je in de bibliografie weer op zoek gaat naar nieuw bronnenmateriaal. En hopsa, weer een bestelling voor Barboek… Door te lezen, kom je in een hopeloze vicieuze cirkel terecht. Of beter gezegd: in een onvoltooide symfonie.

Een tijdje geleden moest ik toevallig eventjes terugdenken aan een Amerikaanse student die ik hier in Leuven gekend heb. Dat moet in de jaren 1970-73 geweest zijn. Hij was hier niet terecht gekomen omdat de KU Leuven zo’n hoog aangeschreven reputatie in de USA heeft maar eerder omdat hij zijn land was ontvlucht om toch maar niet opgeroepen te worden voor de oorlog in Vietnam. Nachten lang hebben we het uitgebreid over die waanzinnige slachtpartij in Indochina gehad, hoe dat de heersende machtsverhoudingen op hun kop zette, over het enorme gezichtsverlies van de USA als zelfbenoemde heraut van de democratische wereld, en hoe erg die sukkelaars van Vietnamezen daar zwaar voor moesten betalen. Jaja, als soixante-huitards waren we nog idealistische wereldverbeteraars, weet je wel. En nu, een halve eeuw later, betrapte ik mezelf erop dat alles van dat toch wel maatschappijbepalende gebeuren erg verwaterd was, opzij gedrukt als een vervaagde nachtmerrie. Ondanks het feit dat je in 1996 dat land nog bezocht had. Nochtans was je, als kind van de Koude Oorlog, zo goed als opgevoed met die oorlog. Op radio, tv en in de kranten werd je bij wijze van spreken om het uur met plaatsnamen als Danang, My Lai, Ban Me Thuot, Hue en Haiphong rond de oren geslagen; je vond presidenten Johnson en Nixon gepatenteerde massamoordenaars, Kissinger en Westmoreland waren vuile leugenaars en – toegegeven dat we fout zaten – we vonden Ho Chi Minh, Giap en Lê Duan eigenlijk wel toffe peren. Vietnam was wel altijd aanwezig, alleszins sinds 1954 toen de Fransen in Dien Bien Phu op hun donder kregen. Voor mijn moeder was dat het signaal om intensief aan haar Tweede Grote Hamstergolf te beginnen. De nog niet verwerkte voorraad koffie, blikjes sardines, Tiense suikerklontjes en Sunlightzeep die bij de Koreaanse Oorlog was ingeslagen, werd weer grondig aangevuld. Een scenario dat zich herhaalde bij de Suez crisis, de Russische bezetting van Hongarije, de Jom Kipoeroorlog, de Congolese onafhankelijkheid, de Cubaanse rakettenkwestie…

Kijk, dat is nu het mooie aan geschiedenis. Je haalt herinneringen op aan een Amerikaanse studenten en je komt uit bij een blikje pilchards in tomatensaus dat je in 1966 ergens plompverloren in de kelder terugvond en waarvan de houdbaarheidsdatum toen al minstens 9 jaar overschreden was. Alles hangt aan elkaar vast. Elke oorzaak heeft zijn gevolgen. En omgekeerd.

Laat het nu zijn dat Mieke niet veel later en louter toevallig thuis kwam met een boek van Max Hastings “Vietnam, een tragedie 1945-1975”. Daar heb ik me intussen na weken ploeteren doorheen gewurmd (vanwege nachtkastje). Slecht geslapen ook, al die nachten. Wat zich daar in Vietnam afspeelde, was nog duizend keer erger dan wat je erbij kon voorstellen, dan wat er hierover gezegd en geschreven werd, of wat je in ‘Apocalypse Now’, ‘The Deer Hunter’, ‘Platoon’ of ‘Full Metal Jack’ te zien kreeg. Daarin schuilt nu juist de kracht van Hastings. Hij gaat niet tewerk als een historicus, want dat is hij niet. Wel als een erg beslagen journalist, want dat is hij wél. Als verslaggever sloop hij destijds mee in de frontlinies en hij stond erbij en keek ernaar toen de verdediging van Saigon als een mislukte soufflé in elkaar stuikte en de chaos om zich heen greep. Iemand die dus wel weet waar hij het over heeft. Hastings geeft geen droge opsomming van datums en feitjes maar zet persoonlijke verhalen op een rij, het relaas van zowel Amerikaanse GI’s als Zuid-Vietnamese vechtersbazen, krijgsgevangenen van beide kanten, keuterboeren die gebukt gingen onder de druk van de Vietcong en de ontgoocheling van Noord-Vietnamese oudstrijders. Allemaal aangrijpende getuigenissen die de totale waanzin van dit conflict sterk accentueren. Uiteraard is het boek meer dan dat; het gaat niet alleen over vechten en bombarderen. Je krijgt inzichten bij gebeurtenissen die hier min of meer terloops werden aangehaald maar in het verloop van die oorlog bijzonder determinerend bleken te zijn. Bijzonder verhelderend is de constante strijd om de macht tussen generaals in Saigon, terwijl zich op het communistische hoofdkwartier in Hanoi gelijkaardige taferelen afspeelden tussen Lê Duan en Giap. Aan beide kanten werden honderdduizenden jongemannen zonder al te veel scrupules de dood ingejaagd. Je staat verstomd van de koppige vasthoudendheid waarmee de Amerikanen, tegen beter weten in, het door en door corrupte systeem in Zuid-Vietnam bleven ondersteunen, hoe in Washington de ene stompzinnige beslissing op de andere strategische flater werd gestapeld. Hoe Amerikanen, net zoals nadien in Afghanistan, Irak en Syrië, hun totale onkunde bloot legden om zich ook maar enigszins in te leven in de lokale cultuur. Helemaal schokkend is wel het kille cynisme waarmee zowel Johnson als Nixon, en Kissinger in nog ergere mate, heel de kwestie louter benaderden als middel om verkozen of herverkozen te worden. Om dat te bereiken hoefde je niet op enkele duizenden doden meer of minder te kijken, nietwaar. Erg pijnlijk is de laffe manier waarop de Amerikanen zich uit Vietnam terugtrokken en de lokale bevolking in totale chaos en volslagen hulploosheid achterliet.

Een schitterend boek maar zoals te voorspellen: ik heb enorm veel geleerd maar nu zit ik alweer met nieuwe vragen.

 

Max Hastings: Vietnam, een tragedie 1945-1975. Hollands Diep, 2019. ISBN 978 90 488 2734 3

 

 

 

 

 

 

Something is rotten in Koerdistan

Je hoeft niet meteen de meest onderlegde politiek analist te zijn om te begrijpen wat er zich vandaag aan de Turks-Syrische grens afspeelt. Dat Erdogan noordelijk Syrië zou binnenvallen, was even voorspelbaar als de zonsopgang voor morgen: om 8.07 uur. Dat de Koerden de onverschilligheid van het Westen als een dolksteek in de rug beschouwen, was even voorspelbaar. Als er iemand de rekening moet betalen, zullen het wel altijd de Koerden zijn. Al lang voor onze tijdrekening waren ze de pineut van iedereen die een paard kon berijden en met een zwaard kon zwaaien. De onenigheid tussen verscheidene stammen en het ontbreken van een centraal gezag maakte dat nog wat makkelijker. Geprangd tussen het Ottomaanse en Perzische rijk, en de grens die deze twee grootmachten doorheen Koerdistan trokken, maakte de onderlinge verdeeldheid nog wat groter. Na Wereldoorlog I werd de Koerden onafhankelijkheid beloofd maar daar kwam niets van terecht. Erger nog, Frankrijk en Engeland sneden het hele Midden-Oosten als een taart in stukjes, naar eigen believen en vooral in functie van hun eigen voordeel. De Koerden werden willekeurig verdeeld over Turkije, Irak, Iran, Syrië, Armenië en Azerbeidzjan. Nogal vanzelfsprekend waren ze in die landen de eeuwige kop van Jut, werden er onderdrukt en vervolgd.

Het meest verbazingwekkende en bewonderingswaardige van dit volk is wel dat het nog altijd bestààt, nog altijd de eigen taal spreekt en de eigen cultuur en oeroude gebruiken beleeft en verdedigt. In de landen waar ze een belangrijke minderheid vormden, stak de zucht naar autonomie de kop op maar elke poging daartoe werd bloederig de kop ingedrukt.

Vooral in Turkije kwam onder impuls van PKK de gewapende weerstand op gang. Van de chaotische omstandigheden in Irak en Syrië maakten de Koerden gebruik om voor zichzelf in die landen enige vorm van zelfstandigheid te verwerven. Uiteindelijk doel is uiteraard om op termijn al die gebieden weer aan elkaar te lijmen als een autonome staat Koerdistan. En dàt is nu net wat Erdogan absoluut wilt vermijden.

In mijn eigen beeldmooie stad Leuven woont een duizendtal Koerden, vooral geconcentreerd in deelgemeente Kessel-Lo. Die immigratie begon zowat in de jaren 1980. In het begin vond ik dat maar een in zichzelf teruggetrokken volkje met een bijzonder kort lontje en altijd overtuigd van het eigen gelijk. Later leerde ik er enkele tamelijk goed kennen, de ene al in meer gunstige zin dan de andere. Zo leerde je waarom ze in Leuven terecht waren gekomen, en dat was niet meteen bedoeld als vakantietrip. Je leerde over hun armoedig maar best gelukkig bestaan in hun onherbergzame berglanden, over de onderdrukking die ze er moesten doorstaan, over het verbod op eigen taal en eigen cultuur en het dagelijkse gevaar voor lijf en leden bij de minste uiting daarvan.

Ik maakte kennis met een bijzonder intrigerend figuur die ik hier maar K. zal noemen. Hij dook maar sporadisch in Leuven op, vermoedelijk omdat hem in Turkije iets te heet onder de voeten werd. Vragen over zijn situatie ginds beantwoorde hij alleen maar met grote, van pijn en weemoed gevulde ogen en een moeilijke poging om de mondhoeken in een grijns op te trekken. Dingen die je in de krant kon lezen, ja die bevestigde hij wel, of hij sprak ze tegen, maar over persoonlijke details hield hij de lippen stijf op elkaar; die moest je er maar zelf bij fantaseren. Wel gaf hij toe dat hij de Turkse gevangenissen van binnen en van buiten kende. Louter toevallig kregen we ooit zijn rug te zien en dat was één grote wirwar van littekens, zoveel getuigenissen van de martelingen die hij ooit had moeten doorstaan. Was hij een actief lid van PKK, of dat ooit geweest? Tot vandaag weet ik het nog altijd niet met enige zekerheid. Wel kreeg je via via een niet te controleren berichtje dat hij weer “naar de bergen was vertrokken”, een eufemisme voor “onderduiken” en/of “gewapende strijd”. Al twintig jaar heb ik van K. geen teken van leven meer vernomen.

Een tweede Koerd die ik nooit vergeten zal is D. Een man met totaal ander karakter als K. Even intelligent weliswaar, maar veel meer toegankelijk. Even hard betrokken bij het lot van de Koerden als K. maar vanuit een andere invalshoek. Trok K. de bergen, dan vocht D. zijn strijd uit in Brussel. Niet met geweld maar met diplomatie. Even integer als K. maar wel kunnen toegeven waar het bij de Koerden onderling fout loopt. Meer een verbindende factor, zeg maar. Geweldige kerel.

Een derde Koerd wil ik liefst zo snel mogelijk vergeten maar die maakt het me bijzonder moeilijk om dat ook werkelijk te doen. Toen ik hem leerde kennen was hij student en tien jaar later was hij dat nog altijd. Vreemd. Als je hem vroeg aan welke faculteit kreeg je alleen maar ontwijkende antwoorden. Ook vreemd dat hij door andere Koerden gemeden werd en altijd in zijn eentje op stap was. Het gerucht deed de ronde dat hij hand- en spandiensten zou verlenen aan westerse geheime diensten. Nu ja, als er een ding is waar ik nogal kritisch tegenover sta, zijn het wel geruchten. Hoe dan ook, tijdens een nachtelijke discussie confronteerde ik hem daarmee. Geen etmaal later kreeg ik de BOB (gerechtelijke politie) over me heen. Hij had me onder meer van racisme beschuldigd, wat natuurlijk zeer snel te weerleggen was; daar was zelfs geen telefoontje naar D. voor nodig. Het enige wat daarmee bewezen werd, was dat er achter geruchten soms toch wel enige waarheid schuilt. Als je erin slaagt om in minder dan 24 uur de BOB te mobiliseren, je verblijfplaats te laten opsporen en daar twee rechercheurs op af te sturen, moet je met die dienst verdomd toch wel goede connecties hebben. Die kerel loopt nog altijd in Leuven rond. Of hij nog altijd “student” is, weet ik niet.

Om maar duidelijk te maken dat ik, ondanks al mijn sympathie voor dit onderdrukte volk, toch een beetje kritisch uit m’n doppen blijk kijken.

Wie meer te weten wilt komen over de Koerden, verwijs ik graag naar https://www.kurdishinstitute.be

Wie nieuwsgierig is naar het hoe en waarom binnen deze turbulente regio, moet dringend “De Zijderoutes” van Peter Frankopan lezen (Spectrum ISBN: 9789000315703) Bijzonder relevant en verhelderend.

 

Wegbereiders

Pakweg twee weken geleden begon ik hier iets te schrijven over onze nieuwe Vlaamse regering, of wat daar moet voor doorgaan. Mijn tekst wilde maar niet vlotten, net zo min als de vorming van diezelfde regering. Er kwam altijd wel iets tussen. Was het geen onverwacht opduikend bezoek of een absoluut op lezen wachtend boek, dan toch de sterk toegenomen rage om wat te verhelpen aan het steeds maar toenemende stapeltje maandbladen ‘Denksport Doorloper 6******’. Een bijkomende remmende factor was ook de onzekerheid over welke richting die regering Jambon I zou inslaan en met welke middelen al die mooie plannetjes ingevuld zouden worden. Iedereen kan wel een programma van meer dan 300 pagina’s bijeen lullen maar als dat verder wil reiken dan een Sibillijnse belofte moet je er ook de noodzakelijke cijfertjes aan kleven. Of zoals Jambon & C° destijds naar Elio Di Rupo riepen: “Show us the money!”

Daar is intussen enige helderheid (?) over ontstaan die dan nog sterk vertroebeld wordt door de rondvliegende spaanders van het hakbijl. Armoedebestrijding? Noppes! Sociale woningbouw? Een mager beestje. Cultuur? Honderden jobs staan op het spel vanwege teruggeschroefde subsidies. Klimaat? Is daar een probleem mee? Neen toch. Kilometerheffing? Geen sprake meer van. Vermindering van de uitstoot? Het zal voor het jaar 2.127 zijn. Onderwijs? De knip erop en besparen. Kinderbijslag? Meer dan 100 miljoen besparing. Toch een geweldige prestatie, vind ik. Die 300 pagina’s, bedoel ik.

Intussen is Jambon van de ene televisiezender naar de andere radiostudio gespurt om ons er toch maar van te overtuigen dat zijn programma geenszins afgestemd is op de kiesbeloften van Vlaams Belang. Sommige passages in zijn intentieverklaringen zijn duidelijk gedicteerd vanuit de hoofdzetel van bepaalde drukkingsgroepen uit werkgeverskringen, nog meer alinea’s werden rechtstreeks geschreven op het adres Madouplein 8 te 1210 Brussel. Daar heeft men intussen de champagne per pallet laten aanrukken want je hoeft niet per se in een regering te zitten om je strijdpunten gerealiseerd te zien. En waar liggen de accenten dan wel? Op “vreemdelingenbeleid” natuurlijk. En op de eigen Vlaamse “identiteit”. Uitgerekend twee dingen die me danig de keel uithangen, in de zin dat ik verdomd nog altijd niet weet wat daarmee bedoeld wordt. Zelf ken ik geen ‘vreemdelingen’, tenzij men daarmee mensen die een beetje ‘vreemd’ doen wilt aanduiden. Oeps, in mijn ogen doen al die Vlaams-nationalisten wel een beetje vreemd, maar tot daaraan toe. Gelukkig maar werden onze voorouders, Vlaamse werkloze boerenzonen en –dochters, die met hele scheepsladingen door de Red Star Line naar de USA werden gevoerd om er tabak en andere gewassen te telen, ginds niet als vreemdeling behandeld. Gelukkig maar werden onze grootouders, tijdens de twee wereldoorlogen op de vlucht geslagen naar het neutrale Nederland, de onbezette gebieden van Frankrijk en het (nog) vrije Engeland daar niet als vreemde indringers beschouwd. Die waren daar welkom, zonder eerst een inburgeringcursus te volgen of taalexamens af te leggen. Tiens, vandaag is het al voldoende dat er ergens in een uithoek van de West-Vlaamse polders een lichtjes gekleurde medemens rondloopt of men gilt daar in een nauwelijks te verstaan koeterwaals moord en brand en loopt men massaal de racisten van het Vlaams Belang achterna.

En kan iemand me nu eindelijk eens komen uitleggen wat we moeten verstaan onder ‘Vlaamse identiteit’?

Hoe hard Jambon de voorbije dagen ook getoeterd heeft over “transparantie” en “democratie”, hoe minder ik hem in die kwesties betrouw. Iemand die te pas en te onpas openlijke kritiek spuit op de rechterlijke macht, en rechters “wereldvreemde elementen” noemt, vecht m.i. de basis van onze grondwet aan, en haalt de fundamenten onder onze rechtsstaat vandaan. Zijn dedain voor de volksvertegenwoordiging is onvergeeflijk. Denk daarbij maar aan zijn arrogante uithaal naar Jos D’Haese (PvdA) “Da gadde gij nie bepalen, hé”, een citaat dat nu al even historisch (en al even misplaatst) als het “Grab them by the pussy” van zijn grote voorbeeld uit de USA. Zijn bittere kritiek op de pers, meer bepaald op de VRT, en het onderuit halen van het middenveld, beginnen toch wel dezelfde trekjes te vertonen als waarmee Kaczynski, Orban, Erdogan, Poetin en Trump tewerk gaan. Hoewel die kerels zichzelf wel als dusdanig beschouwen, kan ik die mensen – Jambon incluis – bezwaarlijk als democraat beschouwen.

Even eigenaardig is zijn opvatting over transparantie. De verwarring rond het afschaffen van de woonbonus is hilarisch, over het duolegaat weet nog altijd niemand hoe het nu verder moet. Dan hebben we het nog niet over de uitzichtloze, ellenlange wachtlijsten voor mensen met een handicap of voor wie een sociale woning wilt. De enige transparantie en zekerheid die Jambon I oproept, is dat het een regering is van deserteurs en vaandelvlucht! In de eerste plaats onze minister-president zelf, die eigenlijk wel voorgesteld werd als toekomstig premier van het federale België maar voor zekerheid koos. Dan heb je Bart Somers, die op alle kinderzieltjes gezworen had burgemeester van Mechelen te blijven. Verder nog Wouter Beke en Hilde Crevits die het voorzitterschap van het lek geslagen schip CD&V ontvluchten voor het helemaal gezonken is. Dat allemaal aangevuld met een stapeltje strategische opgestelde politieke beloften. Maar iedereen van hen is stuk voor stuk nu al met niets anders bezig dan de verkiezingen van 2014. Het wilt bij die mensen maar niet doordringen dat zij tegen die tijd de grote wegbereiders zijn voor nog een grotere winst van het Vlaams Belang. Het beloven boeiende maar ook verfoeilijke tijden te worden.

 

Vandaag stond er in mijn krant een ingezonden brief van Walter Zinzen, een door mij hoogst gerespecteerd journalist, een van de weinigen die deze naam nog waardig zijn, als reactie op de aanhoudende kritiek op de berichtgeving van de VRT, meer bepaald op ‘De Afspraak’. Heerlijk!

 

De politiek heeft gelijk. In De Afspraak komen altijd dezelfde gezichten voor: Rik Torfs, Mia Doornaert, Luckas Vander Taelen, Valerie Van Peel, Zuhal Demir en ander links addergebroed. Dat moet anders. Daarom stel ik voor dat decretaal wordt vastgelegd dat iedere dag op zijn minst één vaste gast in De Afspraak zit. Op maandag Bart De Wever. Op dinsdag Tom Van Grieken. Op woensdag Theo Francken. Op donderdag Dries Van Langenhove. Op vrijdag wisselen deze vier heren elkaar af. Aan het hoofd van de VRT moet een échte verdediger van natuur en klimaat komen: Joke Schauvliege. Zo zal de VRT eindelijk de echte Vlaamse identiteit uitdragen en het pluralisme in onze samenleving weerspiegelen. Hoezee!

Bedankt Walter.

 

Wonderlijke kerel

Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.

Met die knetterend mooie zin opent Nescio (pseudoniem voor Jan H.F. Grönloh 1882-1961) één van de mooiste novellen uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Die zin schoot me de laatste jaren geheid te binnen telkens ik Hugo Kusters aan mijn terras op Helsinki 2 voorbij zag knallen op de fiets, op de scooter of in de auto. Dat was elke dag toch wel minstens zo’n twintig keer het geval, wat inhield dat die zin van Nescio me tussen 23 januari 2015 en 6 juni 2018 wel constant door het hoofd schoot.

Niet dat ik Hugo als een uitvreter beschouw, helemaal in tegendeel zelfs, maar een “wonderlijker kerel” dan hij loop je in je leven toch maar zelden tegen het lijf. Op camping Benisol werd hij algemeen beschouwd als een soort ‘burgemeester’ – weliswaar zonder tricolore lint rond de buik – die er zowat alle touwtjes in handen had. Dat werd door iedereen als doodnormaal geaccepteerd, niet alleen door de Nederlandstalige maar ook door de Engelstalige gemeenschap, om van het Spaanse personeel niet eens te spreken. Zelfs de directie durfde nauwelijks een beslissing te nemen zonder ruggespraak met hem, laat staan zonder zijn fiat. Bij de minste scheet, bij het kleinste probleempje kreeg je wel van iedereen het standaardantwoord: “Vraag dat maar aan Hugo.”

Aan mijn kennismaking met Hugo gaat een opeenstapeling van toevalligheden en ingewikkelde situaties vooraf. Misschien wel langdradig en zeurderig verhaal maar het dient wel verteld om de “wonderlijke” aard van deze persoon te leren kennen. Zonder Hugo was ik zelfs nooit op Benisol verzeild geraakt en zou ik hoop diepe menselijkheid gemist hebben.

Al enkele jaren en tot mijn volle tevredenheid bracht ik mijn winters door op camping Cap Blanch in Albir/Altea. Daar voelde ik me bijzonder in m’n sas. Je hoefde er maar de straat over te steken om met je voeten in de Middellandse Zee te staan. Verder dan 500 meter hoefde je niet te lopen om wel honderd restaurants te vinden die elkaar de duvel aandeden met net onder de prijslijst van de anderen te duiken. Op de camping zelf kende je zowat iedereen en wist je wie je goed te vriend moest houden om deze of gene klus perfect gedaan te krijgen. Mijn vaste buren waren Frank en Lea, aan de overkant van het pleintje hokten mijn Leuvense vrienden Fabienne en Frey. In mijn schrijfsels van toen (en nu soms ook nog) werden die steevast met F&L en/of F&F aangeduid. Frey en Fab hadden hun camper ingeruild voor een caravan. Van hun tot mijn voordeur was het pakweg 50 meter en onderling hadden we een soort gebarentaal ontwikkeld, voornamelijk bedoeld om elkaar duidelijk te maken dat het dringend tijd was om aan het aperitieven te slaan. Frank en Lea, F&L dus, hadden het vaak over de voordelen die F&F kenden in hun caravan. Ze waren er een beetje op uitgekeken om zowat 9 maanden in de beperkte ruimte van hun camper door te brengen. Zo’n zelfrijdende caravan dient immers om rond te trekken. Voor langere termijn kun je maar beter ergens een optrekje kopen of opteren voor een residentiële caravan met voortent. Kwestie van meer bewegingsvrijheid te hebben. Zelf was ik ook noodgedwongen in die richting beginnen te denken. Immers, intussen stond wel vast dat er bij mij een ICD (defibrillator) diende ingeplant vanwege hartritmestoornissen. Helaas, daardoor zou ook automatisch mijn C-rijbewijs vervallen en ingetrokken worden. Dus bleven voor mij persoonlijk drie toekomstige alternatieven over. Ofwel heel de winter gewoon thuis blijven, ofwel een kleinere, minder dan 3,5 ton wegende camper kopen, ofwel een andere vorm van verblijf zoeken. Voor het eerste had ik (nog) geen zin, voor het tweede ook al niet; een nieuwe camper was financieel onhaalbaar. Op de derde mogelijkheid bestond er wel een opening: een Nederlanders op Cap Blanch wilde zijn caravan wel van de hand doen maar die had duidelijk zijn beste tijd al gekend en erg geriefelijk zag die er niet meer uit. Bovendien wilde de camping geen vergunning voor een jaarplaats meer toestaan. Dus zou je na de winter je caravan ergens moeten stallen – of het volle pond betalen – en al die poespas, daar zag ik wel sterk tegen op.

Frank schuimde het internet af, zoekend naar een geschikte tweedehands caravan. Via de blog van kameraad Snelle Eddy vernamen we dat er op Benisol, een vijftal kilometer verderop, een Tabbert tegen een zacht prijsje te koop stond, mét een Ben Eilers voortent (!), toch algemeen beschouw als de Rolls Royce op zijn gebied. Een kijkje nemen kostte ons niet meer dan een busritje. Lijn 10 stopte voor de ingang van Benisol.

Behoorlijk onder de indruk was ik wel, ja. Die caravan was picobello in orde en die voortent leek wel een balzaal. Helaas, de camping in zijn geheel en meer bepaald deze plek sprak me helemaal niet aan. Het was me iets te beklemmend, te ingesloten. Als je jaren lang de openheid van een pleintje voor je neus had, wil je geen hoge haag op nog geen vier meter van je voordeur. Frank stond daar minder kritisch tegenover en zag het wél zitten. Na overleg met Lea wilde hij nog wel eens komen kijken.

Terwijl we daar de voor- en nadelen tegen elkaar stonden af te wegen, zegt een bekende van ons terloops dat er een eindje verderop nog een caravan leeg staat; misschien is die ook wel te koop. Bwah, we zijn hier nu toch en het is maar het hoekje om. Dat bleek een kleine ramp. Aftands, onverzorgd en helemaal onderkomen, hier een ontbrekend kussen in de zitbank, daar een raam gebroken, een keukentent aan flarden, een airco die niet meer werkte, een elektriciteitsinstallatie die elke moment een uitslaande brand of elektrocutie van de gebruiker kon veroorzaken… Maar wel met een groot, open en betegeld terras – ideaal voor de hond. Het was meteen duidelijk: dit is niets voor F&L. Die had al lang zijn zinnen op die Tabbert gezet. “Misschien iets voor jou,” suggereerde die kennis. Geen denken aan! Ik ga nooit weg van Cap Blanch. “Je kunt het toch altijd eens navragen bij Hugo,” hield die kennis vol. “Kijk, daar komt hij net voorbij gefietst. Hugo, kom eens eventjes…” Dat gesprek heeft amper vijf minuten geduurd. Het kwam hierop neer: die caravan was van een Brit die al jaren geen huur meer betaald had en zijn eigendom gewoon had achtergelaten, zonder verder bericht. Dus had de camping die caravan geconfisqueerd om hem te slopen. “Maar,” zei Hugo, “als jij die jaarplaats overneemt, zet ik dat ding helemaal in orde en jij krijgt hem. Gratis. Wel snel beslissen want volgende week beginnen we te slopen.” En weg was hij.

IMG_1947Zo lag Helsinki 2 er op 23 januari 2015 bij…

Oeps, ik had nog slechts enkele dagen om te beslissen. Er was haast bij want een week later zou ik al in het ziekenhuis liggen, met gevolg een rij- en vliegverbod en minstens zes weken totaal huisarrest. Drie dagen en nachten heb ik zitten tobben. F&L waren er meteen uit: die Tabbert werd de hunne. Frank zou er – zoals meestal – ruim zijn tijd voor nemen om de zaak eerst helemaal op te knappen. Op een verhuizing konden zij nog wel even wachten. Wachten, neen, dat kon ik niet langer. De dag voor ik naar België zou vliegen, maakte ik een afspraak met Hugo…

Vijftig dagen later, op 10 maart 2015, stond ik uiteindelijk popelend van ongeduld op het terras van Helsinki 2. Een zekere Herman was nog doende om de keuken aan te sluiten op het water- en rioleringsnet. Binnen was alles netjes opgeruimd, herstellingen waren uitgevoerd, alles was bemeubeld en helemaal uitgerust; van theelepeltje tot badlaken, zeg maar. Zelfs mijn bed was opgemaakt. Dit was eventjes boffen; ik kwam er onaangekondigd aan en was meteen thuis. Diezelfde dag leerde ik het comfort appreciëren van een toilet met waterspoeling. Dank u wel, Hugo.

Waar ik het aan te danken heb, weet alleen hijzelf, maar het klikte meteen bijzonder goed tussen ons beiden. Allengs leerde ik Hugo beter kennen, ook en vooral via de informatie van derden. Van zichzelf is hij niet meteen een grote praatvaar, laat staan een grootspreker of pocher. Zo dacht ik dat hij zijn huidige status op de camping verdiend had omdat hij hier al kwam sinds mensenheugenis kwam, van toen hij nog een kleuter was, zeg maar. Tot iemand me zei: “Bah neen, dit is nog maar zijn derde seizoen.” Oeps! Als je op zo korte tijd zo veel kredietwaardigheid hebt opgebouwd, zowel bij de eigenaars van de camping als bij de bezoekers ervan, moet je wel een uitzonderlijk charismatisch figuur zijn.

Mettertijd kom je ook te weten dat diezelfde Hugo al ettelijke jaren geleden een kleine NGO heeft opgericht, GAM Care Belgium namelijk. Je verneemt dat die caritatieve vereniging vooral actief is in Afrikaanse landen, en dichter bij huis in Roemenië en Moldavië, de twee zowat armste landen binnen Europa. Je ervaart dat hij erin geslaagd is rond zich heen een grote schare vrijwilligers uit te bouwen en er een zeer uitgebreid netwerk van sleutelfiguren op nahoudt. In Houthalen, zijn thuisbasis, heeft hij het gemeentebestuur kunnen overtuigen om een buiten gebruik gestelde sporthal af te staan als stapelruimte. Daar verzamelt hij zowat van alles wat hij krijgen kan, van afgedankte ziekenhuisbedden tot koffiekopjes, van lampenkappen tot turntoestellen, van zitmeubels tot beddengoed. Daarvoor heeft Hugo de meest uiteenlopende contacten met bedrijven die ofwel met een overproductie zitten, ofwel met producten die niet langer in het assortiment zijn opgenomen, ofwel opslagruimte moeten vrijmaken, of producten met een minuscuul foutje in die ze niet kwijt raken. Nu zijn wel meer NGO’s in dat soort zaken geïnteresseerd maar ze kunnen daar maar een gedeelte van gebruiken, of weten niet hoe het logistiek mogelijk is om zeg maar twintig pallets goederen op te halen en te stockeren. Hugo kan dat wèl. Bedrijven weten dat. Daarenboven weet Hugo ook meteen wat met het gekregen goed moet gebeuren, waar het heen moet en voor welk doeleinde het kan gebruikt worden, eventueel na een lichte aanpassing.IMG_2404Rolstoel of ‘Benidorm Bastards-karretje’ nodig? Hugo levert het wel…

Hoe hij het allemaal klaarspeelt is en blijft de hamvraag. Door scholen afgedankte turntoestellen gaan op transport naar Roemenië waar Hugo wel enkele minder bedeelde scholen kent die zulke dingen best kunnen gebruiken. Aan vervanging toe zijnde kinderbedden vinden wel een weg naar een weeshuis hier of daar, zodat kinderen niet meer met zijn drieën in één bed hoeven te liggen. Van gelamineerde keukenbladen kun je ook een klein huisje maken voor daklozen in Tiraspol. In het vluchtelingenkamp ‘Jungle van Calais’ moeten sukkelaars door de modder waden; Hugo laat er 1.200 paar laarzen uitdelen. Een feestzaal vervangt zijn meubilair. Hopsa, daar gaan 50 stoelen naar een jongenstehuis. Ergens in Spanje moet een vluchthuis voor misbruikte vrouwen worden ingericht. Vooruit maar, Hugo zorgt wel voor tafels, zitbanken, bedden en matrassen.

Dan denk je toch: die kerel is hier met vakantie, komt hier uitrusten. Niet dus. Verkeerd gedacht. Vanuit Benisol zendt hij zijn directieven uit, organiseert allerlei hulpprojecten en stuurt hij de vrijwilligers in Houthalen aan. Probeer zo’n onrustige ziel maar eens in te tomen. Zijn lieve vrouw Agnes heeft dat al jaren geleden opgegeven. Zijn vrienden ook, en bij uitbreiding iedereen die hem een beetje kent. En dus bestookt Hugo heel zijn omgeving met de wildste ideeën en stoutste fantasieën. Stil zitten staat niet in zijn vocabularium, langzaam of ophouden trouwens ook niet. Een vergader- of feestruimte voor de campinggasten? Hugo zorgt er wel voor. Een petanquetornooi? Hugo zorgt wel voor gepaste prijzen. Een clubje fietstoeristen? Hugo steekt ze allemaal in een kleurrijk uniform. Een fitnessruimte? Hugo sleept de noodzakelijke toestellen aan. Iemand het tijdelijk gebruik van een ziekenhuisbed of rolstoel nodig? Hugo! Een feest voor 300 personen met alles erop en eraan? Hugo!hugo&agnesAgnes heeft het al lang opgegeven om Hugo proberen te temperen…

En het dubbeltje blijft maar verder en verder rollen. Iemand die vanwege gezondheidsredenen niet meer naar Spanje kan komen, schenkt haar caravan aan Hugo. Hij kan die dan verhuren en de opbrengst daarvan gaat naar GAM Care. Het initiatief slaat aan. Hier volgt nog een tweede schenking, daar komt nog een door de camping geconfisqueerde caravan beschikbaar, ginds wordt er eentje aangekocht. Die worden allemaal opgeknapt, aangepast, verfraaid. Daarvoor trommelt Hugo weer de GAM Care-vrijwilligers uit Houthalen en omstreken op: schrijnwerkers, loodgieters, elektriciens… Ook op de camping zelf is wel telkens een handige harry te vinden om een handje toe te steken. Mensen enthousiasmeren is immers een sterke kant van Hugo. En delegeren misschien nog meer. Intussen is er een tiental huurcaravans beschikbaar. Wie er zijn intrek neemt, weet dat er een vrachtwagen met lading weer enkele kilometers dichterbij Bulgarije, Bosnië, Roemenië of Moldavië komt. Kijk eventjes op https://campingbenisol.wordpress.com/2017/03/03/de-caravans/

De opbrengst daarvan moet voornamelijk transportkosten dekken. Immers, allerlei goederen bij elkaar sprokkelen is niet direct het probleem, ze ook nog op hun bestemmingen in Roemenië of Moldavië krijgen, is dat wél. Het transport kost handenvol geld en dat moet met mondjesmaat bij elkaar geschraapt worden.

Mijn overwinteringen in Spanje behoren intussen tot de voltooid verleden tijd. Een beslissing die genomen werd na een langdurige en woeste oorlog tussen rede en emotie, waarbij het verstand een pyrrusoverwinning behaalde. Nu ben ik weer zo goed als vastgeroest in Leuven. Ik heb weer moeten wennen aan winters zonder korte broek en dat je nauwelijks of helemaal niet buiten kunt komen. Het dagelijkse azuur van de lucht is weer gewijzigd in vijftig en meer tinten grijs. En weer is het oktober, en slaat de herfst zijn deprimerende armen om me heen. Weer begint het te kriebelen en rakel ik de herinneringen aan ginds weer op. Frey en Fab zijn een tiental dagen weer in Albir aangekomen, Nico en Christa zijn er ook al. Frank en Lea hebben deze zomer niet eens de moeite gedaan om even naar dit land terug te komen. Ik mis ze wel, al die vertrouwde gezichten, al die blijdschap en al dat gezeur, al die gekende plekken, al dat mooie weer. Het meest van al toch Hugo. Voor mij is en blijft hij een persoon die zichzelf onderweg in dit leven niet voorbij is gelopen, zichzelf niet heeft kwijtgespeeld. Een mens die nog weet wat de werkelijke betekenis en totale draagkracht van het begrip ‘solidariteit’ inhoudt. Een wonderlijke kerel.

Mag ik de directie van camping Benisol in extremis nog één advies geven? Geef die man een standbeeld. Toevallig ken ik een schitterende beeldhouwer die dat wel aankan. Als dat te veel gevraagd is, verander dan tenminste de naam Calle Valencia in Avenida Hugo Kusters. Voor mijn part mag je er ook gewoonweg een bordje met “Sarphatistraat” neerpoten.hugo slaatjeWonderlijke kerel. Het ga je goed, Hugo.