De hoogte van een toog

Wat was me dat deze week toch weer in Leuven. ‘Cafébazen rollen vechtend over straat’ lees ik ergens. De dienstdoende reporter heeft je aandacht meteen te pakken, helemaal in de lijn van wat hij in de eerste les van zijn journalistenopleiding heeft geleerd en nog veel meer in functie van wat hij van zijn hoofdredacteur opgedragen kreeg. Tijdens redactievergaderingen gaat dat dan van: als de titel boven je artikel de lezer niet meteen bij de keel grijpt, hoef je de rest van je lijnen niet eens te schrijven want die worden toch niet gelezen. Vooral in de populaire pers wordt dit slimmigheidje vaak gehanteerd om de slabakkende verkoop van hun papierwinkel weer aan te zwengelen.
Terug naar het oorlogstoneel in horecaland. Bij de eerste blik op die boekdelen sprekende titel, denk je automatisch: ’t Is eens wat anders, het moeten toch niet altijd de klanten zijn die met elkaar op de vuist gaan. Maar het beeld van die rollende cafébazen laat je niet los. Je krijgt meteen zin om naar de politie, brandweer en andere urgentiediensten te bellen met de vraag hoeveel doden en gewonden er op het slachtveld zijn overgebleven. De lust bekruipt je om bij het eerste ochtendgloren naar de Oude Markt te trekken om daar – desnoods op je knieën kruipend – op zoek te gaan naar de achtergebleven bloedplassen in de voegen tussen de kasseien.
Niets van dat alles dus. Aanleiding van de burenruzie: een cafébaas die zich in een interview een beetje denigrerend over zijn collegae van een straatje verder had uitgelaten waarop heel dat hoenderhok al kakelend opstoof en er op de sociale media dagen lang over en weer werd gescholden, elkaar om de oren slaand met dure begrippen als ‘concept’ of een gebrek daaraan. De dagbladen daar natuurlijk meteen bovenop, zelfs ons regionaal televisiestation. Om kort te gaan, het zaakje werd buiten alle proporties opgeklopt. Een kier die met een busje isolatieschuim wordt gedicht en waarbij dat schuim twee meter verder uit een andere kier komt opzwellen.
Had de aanstoker een goed argument? Bwah, ja zeker. Hadden de vrienden van de Oude Markt gelijk? Bwah, ja zeker. Much ado about nothing, schreef Shakespeare. Wij noemen dat een storm in een glas water, een muggenscheet in een fles.
Feit is dat de Leuvense horeca weer eens in een verkeerd daglicht is gesteld. Feit is dat heel het horecagebeuren, het uitgaansleven meer bepaald, onderhevig is aan cyclische bewegingen. Vijftig jaar geleden moest je in de stationsomgeving zijn voor je weekendkick. In de jaren zestig verplaatste zich dat naar de schaduw van de toen nog bestaande vismijn, daarna ging het richting Oude Markt uit om nu ook weer terug op te schuiven naar het station. In al die opeenvolgende golven was er één constante: eens het hoogtepunt bereikt, gaat het weer bergaf vanwege het eigen succes. Van zodra het predikaat ‘place to be’ wordt uitgereikt, duiken de aasgieren op. Destijds troepte de vetkuifjeugd aan het station samen, en ook daar werd wekelijks een overdosis tostesteron omgezet in baldadigheden. Aan de Vismarkt werden ook constant niet goed bewaakte handtassen gepikt en ontstonden regelrechte veldslagen tussen miliciens uit Heverlee en Leuvense jongeren. Tja, en nu krijgt de Langste Toog af te rekenen met dealers, pickpockets en vechtjassen. Onvermijdelijk. Succes blijft niet onschuldig en duurt niet eeuwig. Daar kan zelfs geen goed uitgekiend ‘concept’ niet aan verhelpen.
Intussen speelde zich aan de andere kant van de wereld een drama af waarbij de over straat rollende cafébazen klein bier waren, om in de horecabeeldspraak te blijven. De typfoon die een stevig gedeelte van de Filippijnen neermaaide, kreeg ook een Leuvense dimensie. Onze vriend Omer Hoylaerts en de zijnen zaten letterlijk in het oog van de storm. Het laatste berichtje dat ik van hem ontving klonk: ‘Ik trek nu de bergen in, naar veiliger oorden’. Pas tien dagen later kwam het verlossende bericht dat zijn gezin het overleefd heeft en dat hij nu probeert naar België terug te keren. Kijk, die man heeft nu eens een ‘concept’ dat veel hoger reikt dan de toog van een café.

Wapenstilstand in de apenwereld

Een aap, die amper geleerd heeft op zijn twee achterste poten te lopen, raapt een stevig uit de kluiten gewassen mammoetenkluif van de grond, mept er een soortgenoot mee dood en brult een bloeddorstige overwinningskreet uit. Die scene uit de film ‘2001 Space Odyssey’ van Stanley Kubrick spookt me de laatste dagen zeer vaak door het hoofd. De tijd van het jaar, vrees ik. De herfst met al dat Halloween-gedoe, de smakelijke discussie tussen voor- en tegenstanders van Zwarte Piet, het winteruur, de opstekende kriebelingen om maar snel weer naar het zuiden te trekken… die dingen. En het feit dat we deze week Wapenstilstand gedenken. Een vreemd woord toch, dat wapenstilstand. Wapens zijn immers niet gemaakt om stil te staan. Wel om er voor te zorgen dat andere dingen stilstaan. Of – in het geval van mensen – om eeuwig stil te blijven liggen. Helaas is er sinds die bewuste 11 november 1918 in heel de wereld nog geen seconde voorbij gegaan of wel ergens knetterden geweren, knalden kanonnen of ontploften mijnen. De mensheid weigert koppig uit zijn geschiedenis te leren en moet die dus onverbiddelijk herhalen. We zijn duidelijk blijven steken in de ontwikkelingsfase die Kubrick zo mooi in beelden heeft uitgedrukt. Bloeddorst.

Wapenstilstand, dus. Die dag bezorgt me nu nog altijd koude rillingen. Niet dat ik of mijn familie rechtstreeks of zijdelings met de Groote Oorlog betrokken was maar wel omdat ik me levendig blijf herinneren hoe ik in mijn jeugd die dag moest beleven. Die jonge jaren speelden zich af in een pietluttig stadje ergens in ‘le Limbourg profond’, een gat op een berg waar een tiran van een eerwaarde heer deken dagelijks een donderpreek van de kansel liet rollen waarin hij ouders aanmaande om hun kroost naar een erg katholieke jeugdbeweging te sturen. In mijn geboortenest had je de keuze tussen de chiro en de chiro. En dus kreeg ik zo’n zestig jaar geleden een korte ribfluwen blauwe broek, een bruin hemd en een gele das aangemeten. In die na-oorlogse periode had men bij ons duidelijk nog enige heimwee naar wat Hitler met zijn ‘jugend’ had aangericht en om er bij ons snotneuzen enige discipline in te rammen, werd je elke zondag eerst twee uur gedrild in paramilitaire oefeningen vooraleer je ook maar aan het eerste spelletje toe kwam. Dan moest je leren in allerlei marstempo’s en netjes in rij achter een pennoendrager te stappen. Dat ging dan van ‘geef acht’, ‘per rotten, links!’ en van ‘rechtsomkeer, keer!’. Allemaal dingen die in het latere leven goed van pas kwamen, zeg maar.

Tja, en dan werd het 11 november en moesten we aan het monument voor de gesneuvelden in een soort erehaag gaan staan. Stram in de houding. In die periode was nog geen sprake van ‘opwarming van de aarde’ en verliepen de seizoenen nog compleet zonder onverwachte uitschuivers. Dus stond je op 11 november gegarandeerd in de regen, kreeg je sneeuw over je heen of vroren je tenen aan elkaar. Stonden wij, jonge grut, daar onze billen bij elkaar te knijpen om toch maar wat warm bloed in de blauw verkleumde benen te krijgen. En dat bleef maar duren en duren. Immers, na de tiranieke deken en de treurig kijkende burgemeester, moest ook de voorzitter van de lokale oudstrijdersvereniging 14-18 een speech geven en omdat die van 40-45 niet wilden onderdoen, dramde de voorzitter daarvan nog meer minuten door dan zijn voorganger. Tot overmaat van ramp kreeg je er dan ook de president van de oud-Koreavrijwilligers bovenop en tegen de tijd dat die zijn woordje had geplaatst, stond het water je in de schoenen, klitte je haar bijeen onder een sneeuwtapijt of kon je je tintelende vingers niet meer tot een vuist ballen. Daarna moest je dan weer ‘per rotten’ naar de begraafplaats marsjeren om daar in het erepark een bloemenkrans neer te leggen. Na afloop mocht je thuis achter de kolenkachel ‘ontdooien’, een proces dat minstens drie dagen duurde. Terwijl ik dit schrijf, beginnen mijn knieën weer te knikken en lopen de koude bevingen me over de rug.

Wapenstilstand, dus. Ik denk er elke dag aan, telkens ik facebook open sla. Het fanatisme waarmee men daar zogenaamde ‘vrienden’ afkat, de bedreigende verwijten waarmee andersdenkenden worden bedacht, de denigrerende bewoordingen waarmee we anderen de grond in boren… ik krijg er telkens kouden rillingen van. We blijven bloeddorstige, niet nadenkende apen met een mamoetkluif in de hand, zij het verbaal.
Volgend jaar gedenken we dat Wereldoorlog I een eeuw geleden begon. Een oorlog die nog altijd niet voorbij is, ondanks Wapenstilstand. En wel helemaal niet in wat ‘sociale media’ heet.