Taal is liefdevolle arbeid

springende vos
Na zeer veel hoofdbrekens en zeer intensieve strubbelingen met wat we ‘de digitale vooruitgang’ heten, slaag ik er uiteindelijk in om nu dagelijks De Morgen te kunnen lezen. Daar ben ik in beperkte mate blij mee. Soms schrijft Yves Desmet een verpletterende analyse, haalt Hans Vandeweghe de algemeen geldende sportpsychose onderuit, pent Hugo Camps nog steeds zijn barokke taal neer en heel nu en dan mag Ann De Craemer ook een stukje plegen.
Deze ochtend heeft ze me tot tranen toe bewogen met haar liefde voor onze Nederlandse taal. Ik zweer het, het water stond me in de ogen van ontroering. Ook bij een tweede en een derde lezing, telkens weer.
“Liefde is niet houden van. Je houdt van kip met appelmoes,” schreef Jaap Fisher ooit in een van zijn onvolprezen liedjes. Wel, voor Ann De Craemer is het Nederlands meer dan kip met appelmoes; voor haar is het ademen, onze taal is een moeder, een vaderland waaruit je nooit kunt emigreren.
Ik pleit schuldig. Veel te weinig heb ik van m’n moeder gehouden, veel te makkelijk heb ik m’n vaderland achter me gelaten. Och ja, nu en dan doe je een poging om te zijn als “een vis die niet weet dat hij in water zwemt”. Amateurisme in de hoogste graad, zeg maar, zoals ik ook amateur-historicus wil zijn, of amateur-levenskunstenaar. De onkunde (onwil misschien?) om tot de bodem te gaan, het constante inslaan van de weg van de minste weerstand.
En toch zo ontiegelijk veel van die taal houden dat het pijn doet. Elk regeltje dat je probeert te schrijven is een gevecht met grammatica en de juiste woordkeuze. Taal is zware arbeid maar wel een liefdevolle job.
Lees met mij mee en geniet met mij van de liefdesverklaring van Ann De Craemer aan het Nederlands, wat jouw en mijn taal is. De Morgen zal me wel vergeven dat ik hier geen copyright op gevraagd heb…

Apenstaartgeneratie. Betoeteren. Cryptokatholiek. Desalniettemin. Erbarmen. Fnuiken. Galmgat. Hagedisvis. Inzwelgen. Jennerig. Kakkestoemeleien. Loensen. Mieters. Nesteldrang. Ombiezen. Pergamijn. Quarantainesein. Rammenassen. Sleutelgatchirurgie. Tierlantijntjes. Uiterwaard. Verdoemenis. Weerlichten. XXL-truck. Yuppificatie. Zegepralen.

U vraagt zich af wat bovenstaande woorden in elkaars gezelschap doen? Voor elke letter van ons alfabet heb ik uit de nieuwe Dikke Van Dale een woord gekozen dat ik niet zou willen missen. Als u ze hardop leest, hoort u misschien net als ik hoe mooi het Nederlands is.

Het Italiaans is betoverend melodieus, klinkt het vaak, maar onze taal hoeft niet onder te doen. Omdat het onze moedertaal is, horen we haar echter niet altijd meer zingen – net zoals een vis niet weet dat hij in het water zwemt.

‘De taal is niet gans het volk, maar wel het enige vaderland waaruit we nooit kunnen emigreren’, schreef ik in mijn allereerste taalcolumn voor De Morgen – inmiddels al meer dan een jaar geleden. De moedertaal als blijvend vaderland: dat is het ouderpaar dat we tijdens deze allereerste Week van het Nederlands vieren.

En een tweede moeder is precies wat onze taal voor mij is. Ik grijp naar de schoonheid van haar woorden zoals ik vroeger op de arm van mijn moeder naar de glimmende kralen van haar halsketting graaide. De taal biedt me een troostende schouder wanneer ze op een herfstige valavond Paul van Ostaijens dichtregel ‘Nu is van Kalifornies goud de tijd’ in mijn hoofd doet dansen.

De taal kan me ook kwaad maken, omdat ze soms streng is en mij regels oplegt, waardoor ik ‘Californisch’ en niet ‘Kalifornies’ moet schrijven.

Zonder moeder worden we geen mens, maar ook niet zonder taal. Ferdinand de Tweede, een Duitse koning uit de 13de eeuw, liet voor een experiment een paar baby’s naar het hof komen. Ze werden verzorgd, maar niemand mocht tegen hen spreken. Het resultaat was ontredderend: alle baby’s stierven.

Taal is tot onze dood onze moedermelk – laat dat voor deze Week van het Nederlands maar mijn leuze zijn. ‘De taal behoort aan de vogels/ik ben te mens om te vliegen’, dichtte Gerrit Kouwenaar. Ik ben het niet met hem eens: de taal behoort aan de mens, en er is niets wat ik het voorbije jaar liever heb gedaan dan met mijn lezers boven het landschap van de Nederlandse taal te vliegen.


Bedankt Leuven Actueel en iedereen

zao-fox-village-japan-3
Jakkes, wat is me dat allemaal. Na Reynaert 75 keer zijn passie te laten preken in Leuven Actueel dacht ik dat het welletjes was geweest en dan blijkt dat er tòch mensen bestaan die dat gewauwel ooit gelezen hebben. Erger nog, sommigen betreuren het zelfs dat het ermee gedaan is. Wat heb ik de mensheid nu weeral misdaan om zoveel (postume?) sympathie te mogen oogsten…
Toen ik nog redacteur bij Passe-Partout was, zei toenmalige directeur Wouter Vanmelkebeke (toevallig nu big boss bij Leuven Actueel) ooit: “Jij zult dit nooit kunnen opgeven. Zelfs als je 85 wordt, zit jij hier nog altijd je stukjes te tikken.” Het was echt niet om hem absoluut ongelijk te geven –wat ik overigens héél graag deed en nog lang hoop te doen – dat ik per 1 september 2009 met pensioen ging met het vaste voornemen nooit nog één letter op papier te zetten.
En dan komt Bartje Mertens je de oren van het hoofd zeuren: komaan, man, jij moet een column schrijven; de onderwerpen kies je zelf, desnoods schrijf je over je hond. Omdat je intussen ontdekt hebt dat er nog één ding erger is en moeilijker vol te houden dan schrijven, namelijk niet schrijven, rol je ongewild weer in het verdomde wereldje van deadlines.
Je dwaalt met de camper (én hond) langs Europese wegen, lichtjes de tel van de dagen kwijt, tot het je plots weer te binnen schiet: Verdomme, ik moet nog een stuk afleveren. Dan is het zoeken naar een onderwerp, een stek waar je op het internet kunt inloggen want de persen moeten draaien. Zo leer je dan weer dat er campinguitbaters bestaan die het aandurven om 5 euro te vragen voor één uurtje verbinding op hun veel te zwakke ADSL-lijn. Als je het terecht vertikt om in de buurt van een MacDonalds gesignaleerd te worden, moet je wel tot een gat in de nacht opblijven en wachten tot alle oma’s van de camping ermee opgehouden hebben met hun kleinkinderen te skypen. Het leven van een journalist was al geen lachertje, dat van een dolende stukjesschrijver is helemaal geen pretje. Wel helemaal niet als je dan ook nog voor langere tijd wilt overwinteren in aangenamere oorden met een mediterraan klimaat en waar azuur de overwegende luchtkleur is.
Dan raak je een beetje geïsoleerd van het thuisfront. In het begin omdat het technisch moeilijk in elkaar zit om dat in stand te houden, na een tijdje – als je voldoende ‘verzuidelijkt’ bent – omdat het je geen barst meer kan schelen wat er in en om je thuisstad gebeurt. In dergelijke omstandigheden is het haast onmogelijk om kort op de bal te spelen wat Leuvense actualiteiten betreft, ook al omdat Leuven Actueel een tweewekelijkse publicatie is. Je kunt het bezwaarlijk blijven hebben over de wildgeslagen rollatorbende van de Benidorm Bastards, je kunt niet eindeloos blijven kauwen op de kleine kantjes van onze spaarzame noorderburen, lawaaierige Spanjaarden of boven hun stand levende Britten. Neem daarbij dat ik intussen geleerd heb om het zalige nietsdoen tot hogere kunstvorm te verheffen – zelfs dàt moet je kunnen delegeren – en dat er wel elke maand een of ander ouderdomskwaaltje de kop opsteekt, maar vooral dat de noodzakelijke goesting stelselmatig afneemt. Ermee kappen is dan de enige consequente beslissing.

Nu en dan zal er nog wel wat op mijn blog verschijnen (https://camperhuub.wordpress.com) en wie mijn passiepreken helemaal niet kan missen, moet me maar komen opzoeken in mijn winterse verbanningsoord.

Wouter, bedankt voor het geduld. Katrientje, bedankt voor de eindeloze vriendschap. Bart, bedankt voor het vertrouwen. Bedankt Leuven Actueel. Bedankt lezers.

Een zwaai van de pluimstaart

vos 7
De avond drapeerde zich als een klamme handdoek over het Grote Dierenbos en in de ondergaande zon lag Reynaert voor zijn hol, ergens op een hoogte aan de rand van Nobelstad, zijn lange leven en de pietluttigheden van het hedendaagse bestaan te overschouwen. De jaren hadden hun lasten zwaar gelegd, de knoken wilden niet meer zo goed mee, de spieren werden met de dag strammer en de rosse schijn in baard en staart was nu wel helemaal grijs geworden, met hier en daar zelfs een kale plek. Ooit kon hij als de best zijn plan trekken; nu had hij steeds meer en meer de hulpvaardige bijstand van zijn Hermeline nodig. Zijn beruchte felheid – toch een eigenschap waarover Willem die Madocke maecte een stichtend boek over hem had geschreven – was druppelsgewijs uit zijn lijf ontsnapt. Het hoefde voor hem allemaal niet meer zo broodnodig.
Hij keek neer op de talrijke torens waaronder Belijn de Ram en zijn confraters de goegemeente duidelijk maakten in welke zondenpoel ze zich wel niet wentelde en hoe ze dat met veel ‘ora pro nobis’ en een volle aflaat – mits een royale bijdrage – weer kon goedmaken. Hij zag de torens waarin de eksters de door hen gestolen spiegeltjes en kralen straffeloos mochten oppotten, het kasteel van koning Nobel, de hoge torens waarin de nakomelingen van Cuwaert de haas en Coppe de kip in op elkaar gestapelde lagen moesten wonen, de statige gebouwen waarin de companen van Bruneel de Ezel het jonge grut bijbrachten hoe ze zich op de meest comfortabele manier konden neerleggen bij de regeltjes van het Grote Dierenbos, en hoe ze die met een greep uit de Grote Trukendoos konden omzeilen. “Torens dienen alleen om ons eraan te herinneren hoe nietig we wel zijn en dat we maar beter onze bek kunnen houden,” mijmerde Reynaert hardop. Hij had nooit begrepen waarom iedereen dat zo maar lijdzaam over zich heen liet gaan.
In zijn overpeinzingen werd hij plots opgeschrikt door Bamer, een verre neef die maar wat graag zijn vossenstreken wilde overnemen. “Komaan ome Reynaert,” fleemde hij, “waarom wil je ophouden met je fratsen? Doe ze mij nog één keer voor en je krijgt van mij telkens een malse kip als avondmaal.”
Reynaert kwispelde eens met de pluimstaart en zei: “Och jongen toch, je moet weten te stoppen waar anderen beginnen. Je kunt Coppe en Canteclaer maar één keer de strot afbijten, het lukt je maar één keer om Bruun de Beer zijn gulzige snuit in een boomstronk vast te prikken, je kunt Tibert de Kater maar één keer het hoofd in een strik doen steken, Cuwaert de Haas kan je maar één keer Malpertuus binnen lokken en opeten, je kunt Hersinde, de vrouw van Isegrim maar één keer bespringen en Belijn maar één keer vogelvrij doen verklaren. Trop is te veel en teveel is trop. Je kunt jezelf niet blijven herhalen zonder belachelijk te worden. Als Isegrim en die andere dieren niet willen zien of horen, moeten ze dat zelf maar weten. Als ze het getater van Tiecelijn de Raaf willen geloven en dat met misplaatste trots als hun hoogst persoonlijke mening in alle heftigheid en met luide stem aan de wereld opdringen, moeten ze dat voor mij niet laten. Ik trek met je grootoom Grimbeert de Das naar een ander Dierenbos. Begin maar alvast te oefenen voor je eigen avonturen.” Daarmee moest Bamer het dan maar zien te stellen.
En hoe beschreef de grote L.P. Boon het einde van Reynaert in zijn mooie verhaal ‘Wapenbroeders’?
“En hiermede is het boek van den vos Reinaerde afgelopen. Het schijnt dat er in later jaren nog een boek verschenen is, waarin beweerd wordt dat Reinaert de plaats van Nobel innam… doch alhoewel alles mogelijk is in deze wereld, wil ik DIT toch niet geloven. Want als Reinaert niet langer Reinaert meer gaat zijn, doch Nobel worden moet, dan zou dit alles nog nuttelozer zijn dan het reeds is.”

Een andere keer misschien…

vos 8
Nooit erg hoog opgelopen met Herman van Veen. Met Johan Verminnen trouwens ook niet. Beide heerschappen doen meer dan hun uiterste best om de Nobelprijs voor ‘Overdreven Theatraliteit’ te winnen. Zingen meer vanuit de portemonnee dan vanuit het hart. Vergrijpen zich te vlot aan Brel. Het begrip ‘kleinkunst’ (waar is de tijd?) in een verkeerde vorm gegoten. Anderzijds wel erg vlotte zakenjongens.
Maar dan, ergens in 1979, komt de Utrechtse muzikale clown op de proppen met een visionair en ijzersterk nummer waarmee hij onze in een waanzinnig materialistische ratrace verzeilde maatschappij op de korrel neemt. Een nummer dat nog steeds niets aan kracht heeft ingeboet.
Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, ik heb ongelofelijke haast.
Opzij, opzij, opzij, want ik ben haast te laat, ik heb maar een paar minuten tijd.
Ik moet rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Ik kan nu niet blijven, ik kan nu niet langer blijven staan.
Een andere keer misschien…
Ik kan het niet helpen maar dat liedje kleeft in mijn oren telkens ik me eens van m’n berg naar het centrum van Leuven laat rollen. Telkens een heikel avontuur. Automobilisten stormen toeterend op zebrapaden af. Opzij, opzij! Op trottoirs rijden fietsers je onderuit. Opzij, opzij! In wandelstraten zijn botsingen met haastig voortgeduwde kinderwagens of vol gestouwde winkelwagentjes nauwelijks te vermijden. Opzij, Opzij! Eens de schoolbel heeft geklingeld is het oppassen voor veel te zwaar beladen boekentassen die het op je ribbenkast hebben gemunt. Opzij, opzij! En als je op een terrasje even wilt uitpuffen en de doorstane emoties wilt wegspoelen, pikt er wel eentje, die sneller is dan jij, het door jou beoogde zitje net voor jouw neus in. Opzij, opzij!
Je troost jezelf met de gedachte dat de vakantie er nu wel heel snel aan komt. Geen puisterige scholieren meer op je pad, geen baldadige studenten meer in het straatbeeld. De stad wordt gedurende luttele tijd weer van de Leuvenaars zelf, denk je dan. Tarara, nada, nougatbollen. Immers, deze stad mag en wilt niet tot rust komen. Terwijl horden vakantiegangers zich verdringen op luchthavens of op autosnelwegen in de file staan (Opzij, opzij!) worden de thuisblijvers bedolven onder een vracht hectolitergebonden zomerse activiteiten om de stedelijke slogan ‘Eeuwenoud, springlevend’ blijvend waar te maken. Ook wel een beetje om de locale economie in deze crisistijden een lichte duw in de rug te geven, uiteraard. We krijgen allerlei vermaak voorgeschoteld onder de algemene noemer ‘Het Groot Verlof’ of hoe met ons belastinggeld verkeerd Nederlands wordt gepromoot. Marktrock mag zichzelf nog een jaartje overleven en verwordt, tot grote frustratie van wie er ooit mee begonnen is, steeds meer tot de beste Belgenmop aller tijden. Heeft u ook zo genoten van de nieuwe bieroorlog op de Oude Markt? Om onze lokale brouwer – intussen toch wel de grootste speler op de mondiale biermarkt – een pleziertje te doen, mag de lokale horeca nu ineens wél alle terrasstoelen buiten zetten. Tegen alle veiligheidsprotocols in. Dat die miljardenbrouwer intussen al zijn historische wortels met Leuven omzet in lucratieve vastgoedprojecten en per jaar minder belastingen betaalt dan Jan-met-de-Pet per maand speelt daarbij geen rol.
Maar dit terzijde. We zaten bij Herman van Veen en diens ‘Opzij, Opzij’. Als u straks weer massaal naar het zuiden rijdt, denk er dan eens aan dat er in Frankrijk nog zoiets bestaat als Bison Futé en dat je in Duitsland ook Bundesbahnen hebt. En als die wegen vol zitten, zijn er nog altijd alternatieve wegen die je langs de mooiste hoekjes van die landen brengt. Het onderweg zijn, is even aangenaam als het ergens toekomen. We hoeven niet altijd ongelofelijke haast te hebben. Laat ons wel wezen. De nulmeridiaan loopt niet door onze eigen bilspleet, de wereldgeschiedenis speelt zich niet alleen in de onmiddellijke omgeving van onze eigen navel af. Rij dus niet naar het zuiden op de tonen van ‘Opzij, opzij’ maar zing samen met de bertreurde Thé Lau: Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen.

Fundamentalisme aan de IJse

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Intussen ben ik oud genoeg om al een tijdje te denken dat niets me nog uit het lood kan slaan, dat ik al wel alles gezien en meegemaakt heb, dat niets me nog kan verbazen. Fout! Vorige week verslikte ik me in m’n ochtendkoffie bij het lezen van de krant. In Maleizen (Overijse), slechts een steenworp bij Leuven vandaan, gaat een kostschool weer de ultrakatholieke toer op. “De moderne maatschappij is in ons opzicht fundamentalistisch in atheïstische zin,” heet het daar.
Met toenemende verbazing, wat zeg ik, met stijgende verstomming las ik verder dat de leerkrachten belijdend katholiek moeten zijn en dat in de lessen moeten meegeven, dat de leerlingen dagelijks een rozenhoedje zullen bidden, naar de mis – volgens de oude Latijnse ritus – en het lof moeten, dat de godsdienstlessen gefundeerd zijn op het afdreunen van de Mechelse cathechismus (voor het laatst in 1954 gepubliceerd, nota bene) en dat men er nog niet helemaal uit is of men de evolutietheorie wel of niet zal doceren vanwege niet stroken met het scheppingsverhaal.
Er wordt duidelijk gemikt op het kroost van mensen die het niet zo begrepen hebben op echtscheidingen, abortus, homorechten, in vitro inseminatie, enz. Kortom, mensen die de sociale evoluties en humane verworvenheden in de hedendaagse maatschappij de rug toekeren met een smachtende heimwee naar het pre-consiliaire tijdperk.
Mijn kopje koffie was nog niet halfweg of ik zat al een heel eind in m’n eigen geschiedenis getorpedeerd via de teletijdmachine van professor Barabas. In 1957, slechts drie jaar nadat de laatste cathechismus was gedrukt, werd ik vakkundig in een internaat gedropt, uitgerekend in het Mechelen van die cathechismus. In de slagschaduw van het aartsbisschoppelijk paleis gold die stad in die dagen als het prototype van brave kleinburgerlijkheid en dat weerspiegelde zich wondermooi in de aldaar gevestigde scholen. Leerkrachten liepen er nog in wapperende soutanes bij en het regime dat er heerste, gold als een perfecte voorbereiding op de militaire dienstplicht die ons in het verdere leven te wachten stond. De eerste drie dagen van de week mocht er uitsluitend Frans worden gesproken en gezien ik ook maar een Vlaamse boerenpummel was, had ik de basisknepen van de taal van Molière nauwelijks onder de knie. Gevolg: elke week een ‘retenu’ wat inhield dat ik haast nooit naar huis mocht met uitzondering van de kerst-, paas- en grote vakantie, maar dan nog minstens een dag later dan de andere leerlingen.
De dag begon zwijgend. Je ritste het gordijn van je ‘chambrette’ open en onder het prevelen van weesgegroetjes of de litanie voor alle heiligen ging het naar de waszaal. Daarna een stille studieperiode waarbij je uitsluitend stichtende lectuur mocht lezen, een gebed ten gunste van de heiligverklaring van de oprichter van de onderwijzende orde, een heilige mis met verplichte communiegang – wie dat niet deed, moest wel een zondaar zijn! – en pas na het genoten ontbijt mocht je de gewijde stilte verbreken. Tot donderdagmorgen in het Frans, uiteraard.
Elke les begon met een onzevader en een weesgegroet en iedereen die meer dan de anderen de vrome Frans uithing, kreeg steevast de vraag of er misschien een roeping in de lucht hing. In de bibliotheek geen Louis Paul Boon, Hugo Claus of Buysse maar wel Gezelle, Timmermans, Streuvels of Ernest Claes. Onze kennis van de Nederlandse literatuur hield op bij heimatschrijfsels en een opsomming van de Tachtigers. Van die calvinisten van over onze noordgrens hoefde men in Mechelen niet te weten. Seksuele voorlichting was een onderdeel van de lessen biologie waarin een hoogrood aangelopen pater ons, jonge pubers, vertelde over de bloemetjes en de bijtjes. Om later die dag een of andere prille knaap te bepotelen.
In Overijse wilt men in het gezegende jaar 2015 dus bijna een eeuw terug in de tijd. Mij niet gelaten; iedereen zijn eigen mening. Waar ik het wel moeilijk mee heb is dat dit soort fundamentalisch geleuter betaald en gesubsidieerd wordt met mijn belastinggeld. En dan de vraag van tien miljoen: Wàt als we het woordje ‘katholieke school’ zouden vervangen door ‘islamitische school’? Het kot zou te klein zijn en de scherven nauwelijks te ontwijken. Wees daarvan maar overtuigd. Arm Vlaanderen.

Goede morgen, buurman

vos 6
Wat is me dat toch in ons geciviliseerd Europa? Voor alles waar we geen blijf mee weten, alles wat we niet ergens weggemoffeld krijgen, voor alles wat we niet in een bepaald schuifje kunnen stoppen of alles wat min of meer naar een minderheid ruikt, vinden we wel een ‘internationale dag’ uit. Gedurende die ene dag zetten we die dingen dan in de schijnwerper om er dan weer 364 dagen niet meer naar om te zien of aan te denken.
Kijk, dat bepaalde onderwerpen eens per jaar sterk geaccentueerd worden, lijkt mij niet direct een verkeerde zet. Helaas zet dat ook de deur open voor ridiculisering. Op Google zijn in een recordtempo ellenlange lijsten te vinden van de meest belachelijke feestdagen. Wat anders te denken van: Dag van de Lelijke Truien (22/1), Dag van het Alarmnummer 112 (11/2), Dag van de Dwerg (7/3), Dag van de Bril (8/4), Dag van het Naakt Tuinieren (2/5), Dag van de Lichtrail (18/6), Dag van de Komkommer (1/7), Dag van de Linkshandigen (13/8), Dag van de Kokosnoot (2/9), Stotterdag (22/10), Dag van de Stralende Beroepen (8/11), Dag van de Kleine Schrijver (10/12). Een dag voor Rechtshandigen of van de Grote Schrijvers heb ik tot nu toe nog niet kunnen vinden en wat er zoal allemaal onder Stralende Beroepen moet gerekend worden heb ik nog altijd niet begrepen.
Op 29 mei j.l. was het ook Dag van de Buren en dat mocht ook in Leuven niet onopgemerkt voorbij gaan. Schepenen Bieke Verlinden en Mohammed Ridouani holden van het ene adres naar het andere. Op zo’n 60 plaatsen in Leuven kwamen enkele buren bijeen voor een drankje en een hapje. Aangename kennismaking met steun van het stadsbestuur.
Nu levert dit stadsbestuur al jaren ernstige inspanningen om allerlei initiatieven in die zin te ondersteunen met een kleine toelage en logistieke hulp. Versterking van de sociale cohesie, heet zoiets dan. De resultaten bleven dan ook niet uit. Elk zomers weekend wordt er wel ergens een straatfeestje gebouwd. Op sommige dagen zijn er dat gelijktijdig wel meer dan twintig. In 2013 waren er dat over heel Leuven verspreid niet minder dan 123.
Ook in mijn straat begonnen we er zo’n twintig jaar geleden aan, toen nog zonder steun van het stadsbestuur. We versierden een garageoprit, kochten enkele bakken bier, sleurden ons terrasmeubilair naar buiten. De ene bracht een paar flessen wijn mee, de andere had een taart gebakken, nog een andere haalde blokjes kaas uit zijn koelkast. We luisterden naar straffe verhalen van oude buurtbewoners, maanden de kinderen aan voorzichtig te zijn en bleven hangen tot een gat in de nacht. Opruimen deden we de volgende dag wel en dat werd opnieuw een feestje.
Daarna moest het allemaal iets officiëler. Voor de veiligheid diende de straat afgesloten, er moest een orkestje bij, tenten voor het geval van slecht weer, tafels en stoelen, een springkasteel, animatie voor de jeugd, en ja, waarom zouden we ook geen BBQ voorzien? Bekenden kropen bij elkaar en spraken nauwelijks met anderen, de groepsmentaliteit was eruit en de lol was eraf. De sfeer was niet meer hetzelfde. Een week later liep je mensen tegen het lijf waarmee je nog samen had staan drinken maar die je nu nog nauwelijks een blik waardig vonden. Vreemden voor elkaar, zeg maar.
Nu ben ik natuurlijk een oude sok en dus grootgebracht in een periode die voor sommige gelijk staat met de Middeleeuwen. In die tijd was het bij ons elke dag Speelstraat en elke dag Buurtfeest. Daarvoor hoefde de straat niet eens met dranghekken afgesloten te worden. Buren haalden stoelen naar buiten, zaten gezellig op de stoep met elkaar te kouten of speelden met de kaarten terwijl het jonge grut met tientallen tegelijk met een conservenblikje of een afgedankte fietsvelg allerlei inventieve spelletjes bedacht. Iedereen kende iedereen en als je het als snotneus iets te bont maakte, kreeg je wel van andere ouders een educatieve tik rond de oren onder het goedkeurende oog van je eigen ouwelui. Het spreekwoord: ‘Een goede buur is meer waard dan een verre vriend’ ging niet helemaal op want je buren waren je vrienden.
Hallo Leuvenaars, als jullie buiten komen, zeg dan eens ‘Goede morgen, buurman’. Het kost niets en je hoeft niet te wachten tot het volgende buurtfeest om iemand te leren kennen.

Zuiderse stuiptrekkingen

images

Daar zit je dan op een terrasje je laatste dagen in het zuiden af te tellen. Nog een week en het gaat weer op huis aan. De winterslaap, of wat daar moest voor doorgaan, heeft lang genoeg geduurd en elke dag in de zon zitten, is en blijft voor ons, noordelingen, een onwennig gegeven. Niet dat ik plots overvallen word door een onstuitbaar gevoel van heimwee naar ‘le plat pays qui est le mien’ zoals Brel zingt. Niet dat ik de lage hemels ‘si bas qu’un canal s’est perdu’ mis, niet dat ik wil staan dansen in ‘des chemins de pluie pour unique bonsoir’ en hopelijk is mijn blonde Mieke intussen geen Margot geworden. Niets van dit alles maar het zal wel zoiets zijn als met zwaluwen. Die beseffen ook niet volgens welke wetmatigheid ze op een bepaald ogenblik beslissen om noordwaarts te trekken. Ze doen het gewoon.
Intussen geniet je nog even van dartele tienermeisjes die kwetterend als een tros mussen voorbij lopen. Je ziet die twee opgeschoten lummels met steelse blikken in het decolleté van een vampachtige Russische zitten staren en elkaar een goedkeurende knipoog van verstandhouding geven. Tot haar volste tevredenheid heeft die dame dat van achter haar verduisterde brillenglazen wel gemerkt en ze trekt het puntje van de uitsnijding nog iets meer naar beneden. Herhaaldelijk moet je met een begripvolle glimlach maar wel zeer gedecideerd “neen” schuddend de zoveelste donkerkleurige leurder van zonnebrillen, broeksriemen, handtassen, tapijten of houten kommen van je afschudden. Hoe die kerels het volhouden om je bij elke gemiste verkoop, bij elke telleurstelling toch altijd te beantwoorden met een tanden-bloot grijns, zal wel helemaal aan Afrikaanse levensvisie en –wijsheid toe te schrijven zijn.
Een jonge moeder wiegt voorzichtig haar kleintje in slaap en regelt de piepkleine parasol op de kinderkoets bij zodanig dat haar kindje in de schaduw blijft. Haar echtgenoot zit verveeld op zijn smartphone te tokkelen. Aan de overkant van de straat strompelt een Brits koppel voorbij, zo uit de kroeg vandaan. Zijn rood verbrande benen priemen uit een veel te krap bemeten bermuda die er niet in slaagt om de Michelin-bandjes van zijn bierbuik in het gareel te houden. Zijn gezellin hoeft inzake corpulentie niet onder te doen. Ook bij haar puilen de vetrolletjes onbeschaamd vanonder het te strakke topje vandaan.
Je kijkt naar het parmantige in het maatpak stekende, oude heertje dat voorzichtig aan zijn glas bier nipt om dan met een afgemeten gebaar van de duim het schuim uit zijn snor te vegen. Naast hem de gepommadeerde matrone die haar uiterste best doet de schone schijn van geforceerde deftigheid hoog te houden. Hyacinth Bucket die Bouquet speelt.
Kortom: allemaal mensen in losse vakantiestemming en daar zit ik dan tussen. Nog heel eventjes.
En dan denk je: binnenkort ben je weer in Leuven – al is dat ook maar voor even – en word je weer onverbiddelijk in de dagelijkse sleur meegezogen. Je zult weer een regenjasje bij de hand moeten houden; misschien wel een warmer truitje. Je mag dan weer door de zo vertrouwde straten lopen waar men je argwanend bekijkt als je ook maar een ‘goede morgen’ durft uit te spreken. Zonder ook maar een woord spurten je buren ’s ochtends weer van de voordeur naar de auto om uren in de file aan te schuiven. Tien uur later hetzelfde in omgekeerde richting. Je wordt weer met je neus in de maalstroom van de dorpspolitiek gedrukt. Het komt er niet op aan of je iets met inhoud vertelt maar wel of je daarmee de krant kunt halen. Nu al begin je te grijnzen met wat zich achter je rug om in je bloedeigen biotoop afspeelt. Het gekakel over de herstemming van het stadhuis, het nogal-losjes-uit-de-pols interpreteren van overnachtingstatistieken, het welles-nietes spelletje rond een parking onder De Bruul, het getjilp rond de zomeranimatie, fietsers die een proces tegen het stadsbestuur aanspannen vanwege verkeersborden die het stallen van fietsen verbieden, het eeuwigdurende gezeur over de herinrichting van het Fochplein en de naamsverandering daarvan. En het geklaag over de studenten, niet te vergeten.
Ik denk dat ik me maar met een 33-er op het terras van de Gambrinus zal nestelen en me als een toevallig toerist in eigen stad gedragen. Misschien gebeurt er dan nog eens iets dat voor Leuven totaal onvoorspelbaar is. Hoop doet leven.