Stop het uitroepteken!

Is het toe te schrijven aan pure onwetendheid, de ogen moedwillig in de zak houden, aan arrogante kwaadwilligheid? Is het een bepaalde vorm van wereldvreemdheid of gewoon een gevolg van “het nieuwe normaal”? Hoe dan ook, tijdens drie gesprekken in twee dagen tijd kreeg ik te horen dat vreemdelingen zich niet willen aanpassen, niet willen werken, alles cadeau krijgen. Kortom: alles met wat meer pigment in de huid dan de doorsnee Belg of Nederlander, uit een ander cultuur komt, iedereen die er geen katholieke of toch minstens calvinistisch denkwijze op na houdt, is een halsstarrige profiteur van ons systeem.

Nu heb ik in de jaren 60 geleerd om te denken en te praten met minstens één vraagteken na elke zin. Het heilige journalistenprincipe van de Vijf W’s. Wie? Wat? Waar? Wanneer? Waarom? Vooral die laatste W was een doorslaggevende factor om een bredere visie in bepaalde situaties te krijgen, om die objectief in te schatten en om argumenten te vinden waaruit je ook nog een eigen mening kon destileren. In deze tijd waarin zowat iedereen met uitroeptekens achteraan op sociale media actief is in een haast onbegrijpelijke fraseologie dingen poneert (in afschuwelijk slecht Nederlands, trouwens) en dat ook nog als een eigen mening verpakt, is de W van “Waarom” totaal overbodig geworden. Waarom? Daarom! Omdat ik het zeg of schrijf! Uitroepteken! Ik lieg niet! Uitroepteken! Heel deze wereld is één grote samenzwering! Uitroepteken!

Hallo? Mogen de voetjes nog even op de grond? Dan zet je daar een reeks argumenten en uitgebreid feitenmateriaal tegenover om die uitlatingen te ontkrachten wat meteen wordt tegengesproken met alweer een alternatieve realiteit, gelezen op een of andere duistere website, gespecialiseerd in fake news. Met uitoepteken! Dezelfde uitroeptekens zoals gebruikt door populisten Trump, Wilders, Dewinter, Francken, Le Pen of Nigel Farage.

Soms dreig je er moedeloos van te worden.

Hopsa, wat lees ik vandaag in m’n krant?

“De achterstand op de arbeidsmarkt van personen met een vreemde origine is in geen enkel Europees land zo groot als in België. Zelfs als ze hogere studies volgen, hebben ze het moeilijker om een job te vinden dan een autochtone Belg met een diploma middelbaar onderwijs. Dat blijkt uit een tweejaarlijks rapport van Unia en de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid. Zo was in 2014 73% van de autochtone Belgen aan de slag, terwijl dat bij inwoners van vreemde origine niet eens de helft is.”

Nu zal dat rapport wel niet geschreven zijn door communist Peter Mertens, zal het wel geen doorslag zijn van het Rode Boekje van Mao, niet gedicteerd zijn door Poetin. Unia en FOD Werkgelegenheid zijn niet meteen gelieerd aan Steve Bannon, aan Breitbart of Alt-Right. Daar mogen we toch enige vorm van objectiviteit verwachten. Trouwens, onlangs las ik in de Nederlandse pers de cijfers van een gelijkaardig onderzoek bij onze noorderburen, met iets betere resultaten, weliswaar, maar toch. Het is zowel bij ons als bij onze buren de gulden regel dat je als solicitant maar beter Jantje dan Mohamed kunt heten. Eén van de grote strijdpunten uit die tegenwoordig in de schophoek getrapte jaren 60 klonk: Democratisering van het onderwijs. Elke jongere moest dezelfde kansen krijgen, onafhankelijk van papa’s portefeuille en sociale status, onafhankelijk van je geslacht, je overtuiging of de kerktoren waar je van onderuit kwam. Dat proces mag als geslaagd worden beschouwd; in het onderwijs althans. In andere afdelingen van onze samenleving is dat wel even anders, en in zake tewerkstelling wel helemaal. Ondanks alle mooie woorden en beloftes van gelijke kansen, is het voor vrouwen nog altijd een zware dobber om naar hogere echelons door te stoten. Zo ook voor jongeren uit de lagere inkomensklasse en/of minder geschoolde gezinnen. Die wagen zich veel te zelden aan hoger onderwijs. Bij jongeren met vreemde roots is dat desnoods nog ettelijke procentpunten erger. Bij die laatsten speelt dan ook nog eens de culturele achtergrond mee. Voor zover ze door onderwijskrachten al niet veel te vanzelfsprekend naar beroepsopleidingen worden doorgesluisd, krijgen ze die impuls ook al van huis uit mee. Ofwel weten die ouders de weg naar beter onderwijs voor hun kinderen niet te vinden ofwel zien ze er de noodzaak niet van in. Zo van: doe maar gewoon, dat is al gek genoeg. Met de gevolgen van die houding worden we in de grootsteden dagelijks geconfronteerd. Maar niet elke Yassin of Ahmed is een relschopper; niet elke Youssef of Karim is een gepatenteerde luiwammes; niet elke Nourdin of Omar is een profiterende klaploper. Zelfs al hebben Marouan of Jamel op school hun uiterste best gedaan en komen ze aandraven met een diploma hier, een attest van bekwaamheid daar, dan nog mogen ze rekenen op argwanende terughoudendheid van zodra ze zich in het bedrijfsleven moeten presenteren. Dan zullen ze al met al de duimen moeten leggen voor een veel lager gekwalifieerde Filip of Theo als ook die azen op dezelfde job.

Tja, en dus wordt je maar gelaten bedolven onder niet te controleren vooringenomenheid, onder vaste beweringen die vaak noch kant nog wal raken, onder uitingen van angst voor het vreemde, niet in het minste gestoord door enige vorm van kennis terzake. Het lijkt er steeds meer op dat deze wereld helemaal geïndoctrineerd is door duistere krachten met een geheime agenda. Ach ja, ook al klinkt het goedkoop en zeurderig, toch maak ik graag een sprongetje naar de jaren 30. Ook toen wist een hoop gehaaide kerels een hele maatschappij voor de verkeerde kar te spannen, terwijl ze er bijzonder goed in slaagden om hun écht gemeende en achterliggende belangen stil te houden. Ook net als toen wordt nu geprobeerd om de realiteit van onze samenleving te verdoezelen en ons een andere werkelijkheid voor te schotelen. Toen waren joden en communisten de bron van alle kwaad. Vandaag zijn het de Walen, de socialisten en de vreemdelingen. En voor je het zelf goed beseft, sta je zelf op het lijstje “Te Bestrijden Vanwege Slecht”. Met een uitroepteken.

 

Advertenties

Blijven hangen

Het is weer de periode dat je geen krant of tijdschrift kunnen openslaan, geen tv-uitzending kunt bekijken of er duikt wel ergens een lijstje en/of jaaroverzicht in op. Eigenlijk heb ik daar een gloeiende hekel aan maar gezien het hier voor het eerst sinds maanden weer eens regent, en je dus verhinderd bent om lekker buiten op je terras zitten na te denken, moet je dat binnen bij het gaskacheltje doen. Dan vliegen de gedachten nogal snel een eind noordwaarts, haal je herinneringen op aan de paar maanden dat je verbleef in de Lage Landen aan de Noordzee waar op dit eigenste ogenblik het dagelijkse leven totaal ontregeld wordt en in het honderd loopt vanwege een handvol vals romantische sneeuwvlokken. Bovendien is het vandaag 11 december, de verjaardag van m’n dochter Ann. Mocht die in 1982 het gezegde ‘Napels zien en dan sterven’ niet zo letterlijk hebben genomen, zouden we vandaag haar 52ste verjaardag gevierd hebben.

Allemaal geschikte omstandigheden om op een dag als deze de muizenissen in je hoofd de vrije loop te laten. De vraag die ik het afgelopen jaar – eigenlijk pas de laatste maanden – hier in mijn oord van overwintering het meest te horen kreeg was: “En heb je het deze zomer in België een beetje kunnen overleven?”. Waarmee in vredesnaam kun je daarop anders met enige twijfel op repliceren als met een terughoudend “Goed zeker”. Je hoeft de mensen immers niet meteen lastig te vallen met het feit dat je echt wel een rotzomer achter de rug hebt. Het begon al meteen in juni – ik was nog maar twee dagen weer thuis – en daar stond ik al aan het sterfbed van mijn zeer intieme vriend Eddy. Je hebt diens begrafenis nog niet helemaal verwerkt, en net vòòr ik weer naar het zuiden wilde vertrekken, moest ik dan nog eens voor altijd afscheid nemen van m’n dierbare kameraad Mark, plots overleden op zijn geliefde Griekse eiland. Neen, die zomer van 2017 was niet meteen de fijnste die ik me kan herinneren.

Ach ja, ik weet ook wel dat met het ouder worden wordt je persoonlijke verdwijnlijstje almaar langer wordt en het rijtje overlevenden almaar minder bevolkt. Een wetmatigheid met spijtige gevolgen. Zoals Brel het zegt in “Les Vieux”: “Ils ont peur de se perdre et se perdent pourtant (…) celui qui reste se retrouve en enfer.” En verdomme toch, zelfs al geloof je niet in god noch zijn gebod, dan voel je toch eventjes de verschroeiende hitte van de hel heel nabij van zodra je dierbaren moet missen. Je zit voor een tijdje toch minstens in een mentaal vagevuur, zeg maar.

Door een stom toeval – waarover later meer – ben ik er na bijna zes maanden eindelijk achter gekomen waarom uitgerekend die twee sterfgevallen zo alles overheersend tussen m’n oren bleven zitten. Twee totaal uiteenlopende persoonlijkheden die, mochten ze elkaar ooit ontmoet hebben, een bloedhekel aan elkaar hadden overgehouden of toch minstens elkaar totaal onverschillig hadden gelaten. En wat had ik er eigenlijk mee te maken? In niets, maar dan ook niet voor het minste greintje, heb ik met hen ook maar één karaktertrek gemeen. Waarom reken ik hen dan bij mijn beste vrienden?

Even terug naar dat stomme toeval. De laatste dag voor campingmaatje Jos weer naar België zou vertrekken, reden we samen naar Albir. Een hapje eten. Ergens onderweg maakte hij een schampere opmerking over een oudere man met lange, grijze haren in een paardenstaart gebonden. “Kijk, een hippie die is blijven hangen in de jaren 60,” grijnsde hij. Van Tobback kun je zo’n sneer verwachten; die kan zijn afkeer voor soixante-huitards nauwelijks verbergen. Van Jos – tenslotte maar vijf jaar jonger dan ik – snapte ik die opmerking niet. “En ik dan?” vroeg ik hem want tenslotte ben ik nog altijd een soort verwaaide hippie. Ik wees hem erop dat paardenstaarten bij mannen pas in de jaren 90 in de mode kwamen want in de jaren 60 liet het langharige, werkschuwe tuig toen de manen nog losjes wapperen. Verder dan die historische terechtwijzing kwam ik op dat ogenblik niet maar zijn opmerking bleef me de voorbije maanden wel constant plagen.

Pas vandaag, denkend aan de verjaardag van m’n dochter (fabricagejaar 1965), valt mijn nikkel. Pas vandaag snap ik wat de bindende factor was tussen Eddy, Mark en mezelf: de jaren 60. Alle drie hebben we die periode totaal uiteenlopend ervaren, beleefd en doorleefd. En net als die grijsaard met zijn paardenstaart zijn we er alle drie in blijven hangen. Elk op zijn eigen manier weliswaar. Die jaren 60, voor ons prille twintigers zo’n beetje Sturm und Drang, de periode waarin eindelijk een streep werd gezet onder de ouderwetse waarheden. ‘This is the Age of Aquarius and Love will rule the World,” klonk het in de musical “Hair”. Wij waren hemelbestormers onder het motto “Houd ons tegen, maar waag het niet dat ook te proberen”. En vrijheid blijheid en l’imagination au pouvoir! Elke dag verschoven we onze horizon, zowel in de lengte als de breedte, en ontdekten we de wereld; we kropen van onder de kerktoren vandaan. Wij bepaalden zelf onze normen en waarden die compleet haaks stonden op wat generaties vòòr ons hadden gedicteerd. Dàt was onze bindende factor. Hoewel onze levens totaal verschillende richtingen uitliepen, bleven we de principiële lijn die we in die tijd voor onszelf hadden uitgestippeld, voor de rest van onze dagen vasthouden. Je mag dus wel stellen dat we in de jaren 60 zijn blijven hangen, net als die grijsaard met zijn paardenstaart. Wat in vredesnaam is daar fout mee?

Eddy die pianist wilde worden, zijn studies moest onderbreken, boekhouder werd en opklom tot één van de belangrijkste functies in een multinational, onderweg nog een succesvolle reisorganisatie uit de grond stampte en met miljoenen goochelde terwijl ik nog rekende in briefjes van 20 en 50 frank. Maar die wel nog altijd even hoog bleef oplopen met de muziek van Sylvie Vartan en Joe Dassin. En voor geen geld ter wereld zijn brilmontuur uit de jaren 60 wilde vervangen door een hipper model.

Mark die politieke en sociale wetenschappen studeerde voor zover hij daar nog tijd voor vond als beheerder van de fakbar Politika, die wel aan een barkruk vast gelast leek en zonder moeite een etmaal lang over politiek kon lullen, die helemaal getrouw aan zijn overtuiging naar de mijnen trok toen het in Zwartberg en omgeving begon te stinken en nadien als bouwvakker aan de kost probeerde te komen, die pendelde tussen België en Rhodos en nergens en toch overal een thuis vond.

Bij die twee heren mocht ik leentjebuur spelen. Bij de ene pikte ik dit, bij de tweede was dan weer wat anders te halen. Van beiden was iets op te steken en verdomme, wat heb ik daar gulzig gebruik van gemaakt. Op sommige ogenblikken tot tegen de indigestie af. Zonder die twee was ik nooit geworden wie ik nu ben, laat staan dat ik de voorbije halve eeuw zonder al te opvallende kleerscheuren zou overleefd hebben. Nu ik zelf stevig op weg om een bedaarde burgerman te worden – waar we ons destijds toch hevig tegen afzetten – lijkt het er sterk naar dat die tijd nog altijd niet helemaal verteerd is, en dat is maar goed ook. Al werden we intussen hopeloos ingehaald door het nieuwe egoïsme, het ikke-ikke-ikke-syndroom, door de conservatieve reflex van nationalisme, de zegepraal van het materialisme, enz. enz… Heel de maatschappelijke ontwikkeling van tegenwoordig is erop berekend om zo snel mogelijk komaf te maken met de erfenis van de jaren 60. We kunnen dat betreuren maar het is wel zo. Hoewel…

Binnen enkele maanden zal er weer grote bombarie ontstaan rond mei 68. Kranten zullen weer het ene na het andere katern vol schrijven over die woelige periode, die ik in alle bescheidenheid een breekpunt in de geschiedenis durf te noemen. Op 30 april 1968 eindigde de 19de eeuw en op 31 mei 1968 begon de 21ste eeuw. Spijtig genoeg heeft de mooie 20ste eeuw maar goed vijftig jaar geduurd. Twee exponenten van die eeuw zijn intussen weer verdwenen maar dank zij Jos werd ik er weer eventjes aan herinnerd dat het niet fout is om nog eventjes te blijven denken en zijn zoals zij; niet fout om nog eventjes te blijven hangen in de jaren 60 met de normen en waarden die we onszelf destijds hebben ingelepeld. Hun denkwereld en hun dromen nog eventjes te blijven koesteren, eventueel als ‘the last man standing’.

Dag Eddy, dag Mark, dag Ann, dag Vlado. Bedankt.

 

 

Taal is liefdevolle arbeid

springende vos
Na zeer veel hoofdbrekens en zeer intensieve strubbelingen met wat we ‘de digitale vooruitgang’ heten, slaag ik er uiteindelijk in om nu dagelijks De Morgen te kunnen lezen. Daar ben ik in beperkte mate blij mee. Soms schrijft Yves Desmet een verpletterende analyse, haalt Hans Vandeweghe de algemeen geldende sportpsychose onderuit, pent Hugo Camps nog steeds zijn barokke taal neer en heel nu en dan mag Ann De Craemer ook een stukje plegen.
Deze ochtend heeft ze me tot tranen toe bewogen met haar liefde voor onze Nederlandse taal. Ik zweer het, het water stond me in de ogen van ontroering. Ook bij een tweede en een derde lezing, telkens weer.
“Liefde is niet houden van. Je houdt van kip met appelmoes,” schreef Jaap Fisher ooit in een van zijn onvolprezen liedjes. Wel, voor Ann De Craemer is het Nederlands meer dan kip met appelmoes; voor haar is het ademen, onze taal is een moeder, een vaderland waaruit je nooit kunt emigreren.
Ik pleit schuldig. Veel te weinig heb ik van m’n moeder gehouden, veel te makkelijk heb ik m’n vaderland achter me gelaten. Och ja, nu en dan doe je een poging om te zijn als “een vis die niet weet dat hij in water zwemt”. Amateurisme in de hoogste graad, zeg maar, zoals ik ook amateur-historicus wil zijn, of amateur-levenskunstenaar. De onkunde (onwil misschien?) om tot de bodem te gaan, het constante inslaan van de weg van de minste weerstand.
En toch zo ontiegelijk veel van die taal houden dat het pijn doet. Elk regeltje dat je probeert te schrijven is een gevecht met grammatica en de juiste woordkeuze. Taal is zware arbeid maar wel een liefdevolle job.
Lees met mij mee en geniet met mij van de liefdesverklaring van Ann De Craemer aan het Nederlands, wat jouw en mijn taal is. De Morgen zal me wel vergeven dat ik hier geen copyright op gevraagd heb…

Apenstaartgeneratie. Betoeteren. Cryptokatholiek. Desalniettemin. Erbarmen. Fnuiken. Galmgat. Hagedisvis. Inzwelgen. Jennerig. Kakkestoemeleien. Loensen. Mieters. Nesteldrang. Ombiezen. Pergamijn. Quarantainesein. Rammenassen. Sleutelgatchirurgie. Tierlantijntjes. Uiterwaard. Verdoemenis. Weerlichten. XXL-truck. Yuppificatie. Zegepralen.

U vraagt zich af wat bovenstaande woorden in elkaars gezelschap doen? Voor elke letter van ons alfabet heb ik uit de nieuwe Dikke Van Dale een woord gekozen dat ik niet zou willen missen. Als u ze hardop leest, hoort u misschien net als ik hoe mooi het Nederlands is.

Het Italiaans is betoverend melodieus, klinkt het vaak, maar onze taal hoeft niet onder te doen. Omdat het onze moedertaal is, horen we haar echter niet altijd meer zingen – net zoals een vis niet weet dat hij in het water zwemt.

‘De taal is niet gans het volk, maar wel het enige vaderland waaruit we nooit kunnen emigreren’, schreef ik in mijn allereerste taalcolumn voor De Morgen – inmiddels al meer dan een jaar geleden. De moedertaal als blijvend vaderland: dat is het ouderpaar dat we tijdens deze allereerste Week van het Nederlands vieren.

En een tweede moeder is precies wat onze taal voor mij is. Ik grijp naar de schoonheid van haar woorden zoals ik vroeger op de arm van mijn moeder naar de glimmende kralen van haar halsketting graaide. De taal biedt me een troostende schouder wanneer ze op een herfstige valavond Paul van Ostaijens dichtregel ‘Nu is van Kalifornies goud de tijd’ in mijn hoofd doet dansen.

De taal kan me ook kwaad maken, omdat ze soms streng is en mij regels oplegt, waardoor ik ‘Californisch’ en niet ‘Kalifornies’ moet schrijven.

Zonder moeder worden we geen mens, maar ook niet zonder taal. Ferdinand de Tweede, een Duitse koning uit de 13de eeuw, liet voor een experiment een paar baby’s naar het hof komen. Ze werden verzorgd, maar niemand mocht tegen hen spreken. Het resultaat was ontredderend: alle baby’s stierven.

Taal is tot onze dood onze moedermelk – laat dat voor deze Week van het Nederlands maar mijn leuze zijn. ‘De taal behoort aan de vogels/ik ben te mens om te vliegen’, dichtte Gerrit Kouwenaar. Ik ben het niet met hem eens: de taal behoort aan de mens, en er is niets wat ik het voorbije jaar liever heb gedaan dan met mijn lezers boven het landschap van de Nederlandse taal te vliegen.


Bedankt Leuven Actueel en iedereen

zao-fox-village-japan-3
Jakkes, wat is me dat allemaal. Na Reynaert 75 keer zijn passie te laten preken in Leuven Actueel dacht ik dat het welletjes was geweest en dan blijkt dat er tòch mensen bestaan die dat gewauwel ooit gelezen hebben. Erger nog, sommigen betreuren het zelfs dat het ermee gedaan is. Wat heb ik de mensheid nu weeral misdaan om zoveel (postume?) sympathie te mogen oogsten…
Toen ik nog redacteur bij Passe-Partout was, zei toenmalige directeur Wouter Vanmelkebeke (toevallig nu big boss bij Leuven Actueel) ooit: “Jij zult dit nooit kunnen opgeven. Zelfs als je 85 wordt, zit jij hier nog altijd je stukjes te tikken.” Het was echt niet om hem absoluut ongelijk te geven –wat ik overigens héél graag deed en nog lang hoop te doen – dat ik per 1 september 2009 met pensioen ging met het vaste voornemen nooit nog één letter op papier te zetten.
En dan komt Bartje Mertens je de oren van het hoofd zeuren: komaan, man, jij moet een column schrijven; de onderwerpen kies je zelf, desnoods schrijf je over je hond. Omdat je intussen ontdekt hebt dat er nog één ding erger is en moeilijker vol te houden dan schrijven, namelijk niet schrijven, rol je ongewild weer in het verdomde wereldje van deadlines.
Je dwaalt met de camper (én hond) langs Europese wegen, lichtjes de tel van de dagen kwijt, tot het je plots weer te binnen schiet: Verdomme, ik moet nog een stuk afleveren. Dan is het zoeken naar een onderwerp, een stek waar je op het internet kunt inloggen want de persen moeten draaien. Zo leer je dan weer dat er campinguitbaters bestaan die het aandurven om 5 euro te vragen voor één uurtje verbinding op hun veel te zwakke ADSL-lijn. Als je het terecht vertikt om in de buurt van een MacDonalds gesignaleerd te worden, moet je wel tot een gat in de nacht opblijven en wachten tot alle oma’s van de camping ermee opgehouden hebben met hun kleinkinderen te skypen. Het leven van een journalist was al geen lachertje, dat van een dolende stukjesschrijver is helemaal geen pretje. Wel helemaal niet als je dan ook nog voor langere tijd wilt overwinteren in aangenamere oorden met een mediterraan klimaat en waar azuur de overwegende luchtkleur is.
Dan raak je een beetje geïsoleerd van het thuisfront. In het begin omdat het technisch moeilijk in elkaar zit om dat in stand te houden, na een tijdje – als je voldoende ‘verzuidelijkt’ bent – omdat het je geen barst meer kan schelen wat er in en om je thuisstad gebeurt. In dergelijke omstandigheden is het haast onmogelijk om kort op de bal te spelen wat Leuvense actualiteiten betreft, ook al omdat Leuven Actueel een tweewekelijkse publicatie is. Je kunt het bezwaarlijk blijven hebben over de wildgeslagen rollatorbende van de Benidorm Bastards, je kunt niet eindeloos blijven kauwen op de kleine kantjes van onze spaarzame noorderburen, lawaaierige Spanjaarden of boven hun stand levende Britten. Neem daarbij dat ik intussen geleerd heb om het zalige nietsdoen tot hogere kunstvorm te verheffen – zelfs dàt moet je kunnen delegeren – en dat er wel elke maand een of ander ouderdomskwaaltje de kop opsteekt, maar vooral dat de noodzakelijke goesting stelselmatig afneemt. Ermee kappen is dan de enige consequente beslissing.

Nu en dan zal er nog wel wat op mijn blog verschijnen (https://camperhuub.wordpress.com) en wie mijn passiepreken helemaal niet kan missen, moet me maar komen opzoeken in mijn winterse verbanningsoord.

Wouter, bedankt voor het geduld. Katrientje, bedankt voor de eindeloze vriendschap. Bart, bedankt voor het vertrouwen. Bedankt Leuven Actueel. Bedankt lezers.

Een zwaai van de pluimstaart

vos 7
De avond drapeerde zich als een klamme handdoek over het Grote Dierenbos en in de ondergaande zon lag Reynaert voor zijn hol, ergens op een hoogte aan de rand van Nobelstad, zijn lange leven en de pietluttigheden van het hedendaagse bestaan te overschouwen. De jaren hadden hun lasten zwaar gelegd, de knoken wilden niet meer zo goed mee, de spieren werden met de dag strammer en de rosse schijn in baard en staart was nu wel helemaal grijs geworden, met hier en daar zelfs een kale plek. Ooit kon hij als de best zijn plan trekken; nu had hij steeds meer en meer de hulpvaardige bijstand van zijn Hermeline nodig. Zijn beruchte felheid – toch een eigenschap waarover Willem die Madocke maecte een stichtend boek over hem had geschreven – was druppelsgewijs uit zijn lijf ontsnapt. Het hoefde voor hem allemaal niet meer zo broodnodig.
Hij keek neer op de talrijke torens waaronder Belijn de Ram en zijn confraters de goegemeente duidelijk maakten in welke zondenpoel ze zich wel niet wentelde en hoe ze dat met veel ‘ora pro nobis’ en een volle aflaat – mits een royale bijdrage – weer kon goedmaken. Hij zag de torens waarin de eksters de door hen gestolen spiegeltjes en kralen straffeloos mochten oppotten, het kasteel van koning Nobel, de hoge torens waarin de nakomelingen van Cuwaert de haas en Coppe de kip in op elkaar gestapelde lagen moesten wonen, de statige gebouwen waarin de companen van Bruneel de Ezel het jonge grut bijbrachten hoe ze zich op de meest comfortabele manier konden neerleggen bij de regeltjes van het Grote Dierenbos, en hoe ze die met een greep uit de Grote Trukendoos konden omzeilen. “Torens dienen alleen om ons eraan te herinneren hoe nietig we wel zijn en dat we maar beter onze bek kunnen houden,” mijmerde Reynaert hardop. Hij had nooit begrepen waarom iedereen dat zo maar lijdzaam over zich heen liet gaan.
In zijn overpeinzingen werd hij plots opgeschrikt door Bamer, een verre neef die maar wat graag zijn vossenstreken wilde overnemen. “Komaan ome Reynaert,” fleemde hij, “waarom wil je ophouden met je fratsen? Doe ze mij nog één keer voor en je krijgt van mij telkens een malse kip als avondmaal.”
Reynaert kwispelde eens met de pluimstaart en zei: “Och jongen toch, je moet weten te stoppen waar anderen beginnen. Je kunt Coppe en Canteclaer maar één keer de strot afbijten, het lukt je maar één keer om Bruun de Beer zijn gulzige snuit in een boomstronk vast te prikken, je kunt Tibert de Kater maar één keer het hoofd in een strik doen steken, Cuwaert de Haas kan je maar één keer Malpertuus binnen lokken en opeten, je kunt Hersinde, de vrouw van Isegrim maar één keer bespringen en Belijn maar één keer vogelvrij doen verklaren. Trop is te veel en teveel is trop. Je kunt jezelf niet blijven herhalen zonder belachelijk te worden. Als Isegrim en die andere dieren niet willen zien of horen, moeten ze dat zelf maar weten. Als ze het getater van Tiecelijn de Raaf willen geloven en dat met misplaatste trots als hun hoogst persoonlijke mening in alle heftigheid en met luide stem aan de wereld opdringen, moeten ze dat voor mij niet laten. Ik trek met je grootoom Grimbeert de Das naar een ander Dierenbos. Begin maar alvast te oefenen voor je eigen avonturen.” Daarmee moest Bamer het dan maar zien te stellen.
En hoe beschreef de grote L.P. Boon het einde van Reynaert in zijn mooie verhaal ‘Wapenbroeders’?
“En hiermede is het boek van den vos Reinaerde afgelopen. Het schijnt dat er in later jaren nog een boek verschenen is, waarin beweerd wordt dat Reinaert de plaats van Nobel innam… doch alhoewel alles mogelijk is in deze wereld, wil ik DIT toch niet geloven. Want als Reinaert niet langer Reinaert meer gaat zijn, doch Nobel worden moet, dan zou dit alles nog nuttelozer zijn dan het reeds is.”

Een andere keer misschien…

vos 8
Nooit erg hoog opgelopen met Herman van Veen. Met Johan Verminnen trouwens ook niet. Beide heerschappen doen meer dan hun uiterste best om de Nobelprijs voor ‘Overdreven Theatraliteit’ te winnen. Zingen meer vanuit de portemonnee dan vanuit het hart. Vergrijpen zich te vlot aan Brel. Het begrip ‘kleinkunst’ (waar is de tijd?) in een verkeerde vorm gegoten. Anderzijds wel erg vlotte zakenjongens.
Maar dan, ergens in 1979, komt de Utrechtse muzikale clown op de proppen met een visionair en ijzersterk nummer waarmee hij onze in een waanzinnig materialistische ratrace verzeilde maatschappij op de korrel neemt. Een nummer dat nog steeds niets aan kracht heeft ingeboet.
Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, ik heb ongelofelijke haast.
Opzij, opzij, opzij, want ik ben haast te laat, ik heb maar een paar minuten tijd.
Ik moet rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Ik kan nu niet blijven, ik kan nu niet langer blijven staan.
Een andere keer misschien…
Ik kan het niet helpen maar dat liedje kleeft in mijn oren telkens ik me eens van m’n berg naar het centrum van Leuven laat rollen. Telkens een heikel avontuur. Automobilisten stormen toeterend op zebrapaden af. Opzij, opzij! Op trottoirs rijden fietsers je onderuit. Opzij, opzij! In wandelstraten zijn botsingen met haastig voortgeduwde kinderwagens of vol gestouwde winkelwagentjes nauwelijks te vermijden. Opzij, Opzij! Eens de schoolbel heeft geklingeld is het oppassen voor veel te zwaar beladen boekentassen die het op je ribbenkast hebben gemunt. Opzij, opzij! En als je op een terrasje even wilt uitpuffen en de doorstane emoties wilt wegspoelen, pikt er wel eentje, die sneller is dan jij, het door jou beoogde zitje net voor jouw neus in. Opzij, opzij!
Je troost jezelf met de gedachte dat de vakantie er nu wel heel snel aan komt. Geen puisterige scholieren meer op je pad, geen baldadige studenten meer in het straatbeeld. De stad wordt gedurende luttele tijd weer van de Leuvenaars zelf, denk je dan. Tarara, nada, nougatbollen. Immers, deze stad mag en wilt niet tot rust komen. Terwijl horden vakantiegangers zich verdringen op luchthavens of op autosnelwegen in de file staan (Opzij, opzij!) worden de thuisblijvers bedolven onder een vracht hectolitergebonden zomerse activiteiten om de stedelijke slogan ‘Eeuwenoud, springlevend’ blijvend waar te maken. Ook wel een beetje om de locale economie in deze crisistijden een lichte duw in de rug te geven, uiteraard. We krijgen allerlei vermaak voorgeschoteld onder de algemene noemer ‘Het Groot Verlof’ of hoe met ons belastinggeld verkeerd Nederlands wordt gepromoot. Marktrock mag zichzelf nog een jaartje overleven en verwordt, tot grote frustratie van wie er ooit mee begonnen is, steeds meer tot de beste Belgenmop aller tijden. Heeft u ook zo genoten van de nieuwe bieroorlog op de Oude Markt? Om onze lokale brouwer – intussen toch wel de grootste speler op de mondiale biermarkt – een pleziertje te doen, mag de lokale horeca nu ineens wél alle terrasstoelen buiten zetten. Tegen alle veiligheidsprotocols in. Dat die miljardenbrouwer intussen al zijn historische wortels met Leuven omzet in lucratieve vastgoedprojecten en per jaar minder belastingen betaalt dan Jan-met-de-Pet per maand speelt daarbij geen rol.
Maar dit terzijde. We zaten bij Herman van Veen en diens ‘Opzij, Opzij’. Als u straks weer massaal naar het zuiden rijdt, denk er dan eens aan dat er in Frankrijk nog zoiets bestaat als Bison Futé en dat je in Duitsland ook Bundesbahnen hebt. En als die wegen vol zitten, zijn er nog altijd alternatieve wegen die je langs de mooiste hoekjes van die landen brengt. Het onderweg zijn, is even aangenaam als het ergens toekomen. We hoeven niet altijd ongelofelijke haast te hebben. Laat ons wel wezen. De nulmeridiaan loopt niet door onze eigen bilspleet, de wereldgeschiedenis speelt zich niet alleen in de onmiddellijke omgeving van onze eigen navel af. Rij dus niet naar het zuiden op de tonen van ‘Opzij, opzij’ maar zing samen met de bertreurde Thé Lau: Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen.

Fundamentalisme aan de IJse

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Intussen ben ik oud genoeg om al een tijdje te denken dat niets me nog uit het lood kan slaan, dat ik al wel alles gezien en meegemaakt heb, dat niets me nog kan verbazen. Fout! Vorige week verslikte ik me in m’n ochtendkoffie bij het lezen van de krant. In Maleizen (Overijse), slechts een steenworp bij Leuven vandaan, gaat een kostschool weer de ultrakatholieke toer op. “De moderne maatschappij is in ons opzicht fundamentalistisch in atheïstische zin,” heet het daar.
Met toenemende verbazing, wat zeg ik, met stijgende verstomming las ik verder dat de leerkrachten belijdend katholiek moeten zijn en dat in de lessen moeten meegeven, dat de leerlingen dagelijks een rozenhoedje zullen bidden, naar de mis – volgens de oude Latijnse ritus – en het lof moeten, dat de godsdienstlessen gefundeerd zijn op het afdreunen van de Mechelse cathechismus (voor het laatst in 1954 gepubliceerd, nota bene) en dat men er nog niet helemaal uit is of men de evolutietheorie wel of niet zal doceren vanwege niet stroken met het scheppingsverhaal.
Er wordt duidelijk gemikt op het kroost van mensen die het niet zo begrepen hebben op echtscheidingen, abortus, homorechten, in vitro inseminatie, enz. Kortom, mensen die de sociale evoluties en humane verworvenheden in de hedendaagse maatschappij de rug toekeren met een smachtende heimwee naar het pre-consiliaire tijdperk.
Mijn kopje koffie was nog niet halfweg of ik zat al een heel eind in m’n eigen geschiedenis getorpedeerd via de teletijdmachine van professor Barabas. In 1957, slechts drie jaar nadat de laatste cathechismus was gedrukt, werd ik vakkundig in een internaat gedropt, uitgerekend in het Mechelen van die cathechismus. In de slagschaduw van het aartsbisschoppelijk paleis gold die stad in die dagen als het prototype van brave kleinburgerlijkheid en dat weerspiegelde zich wondermooi in de aldaar gevestigde scholen. Leerkrachten liepen er nog in wapperende soutanes bij en het regime dat er heerste, gold als een perfecte voorbereiding op de militaire dienstplicht die ons in het verdere leven te wachten stond. De eerste drie dagen van de week mocht er uitsluitend Frans worden gesproken en gezien ik ook maar een Vlaamse boerenpummel was, had ik de basisknepen van de taal van Molière nauwelijks onder de knie. Gevolg: elke week een ‘retenu’ wat inhield dat ik haast nooit naar huis mocht met uitzondering van de kerst-, paas- en grote vakantie, maar dan nog minstens een dag later dan de andere leerlingen.
De dag begon zwijgend. Je ritste het gordijn van je ‘chambrette’ open en onder het prevelen van weesgegroetjes of de litanie voor alle heiligen ging het naar de waszaal. Daarna een stille studieperiode waarbij je uitsluitend stichtende lectuur mocht lezen, een gebed ten gunste van de heiligverklaring van de oprichter van de onderwijzende orde, een heilige mis met verplichte communiegang – wie dat niet deed, moest wel een zondaar zijn! – en pas na het genoten ontbijt mocht je de gewijde stilte verbreken. Tot donderdagmorgen in het Frans, uiteraard.
Elke les begon met een onzevader en een weesgegroet en iedereen die meer dan de anderen de vrome Frans uithing, kreeg steevast de vraag of er misschien een roeping in de lucht hing. In de bibliotheek geen Louis Paul Boon, Hugo Claus of Buysse maar wel Gezelle, Timmermans, Streuvels of Ernest Claes. Onze kennis van de Nederlandse literatuur hield op bij heimatschrijfsels en een opsomming van de Tachtigers. Van die calvinisten van over onze noordgrens hoefde men in Mechelen niet te weten. Seksuele voorlichting was een onderdeel van de lessen biologie waarin een hoogrood aangelopen pater ons, jonge pubers, vertelde over de bloemetjes en de bijtjes. Om later die dag een of andere prille knaap te bepotelen.
In Overijse wilt men in het gezegende jaar 2015 dus bijna een eeuw terug in de tijd. Mij niet gelaten; iedereen zijn eigen mening. Waar ik het wel moeilijk mee heb is dat dit soort fundamentalisch geleuter betaald en gesubsidieerd wordt met mijn belastinggeld. En dan de vraag van tien miljoen: Wàt als we het woordje ‘katholieke school’ zouden vervangen door ‘islamitische school’? Het kot zou te klein zijn en de scherven nauwelijks te ontwijken. Wees daarvan maar overtuigd. Arm Vlaanderen.