Bier a.u.b. geen suikerwater

Misschien heb ik van mijn vader niet veel opgestoken – wat niet zijn schuld is – maar één ding heeft hij me wel geleerd: bier drinken. Mijn pa werkte destijds voor de brouwerij Van Roost (Jack-Op) in Werchter en beroepsmatig verplichtte hij zijn jonge grut van dat bier te proeven. Dat mondde gegarandeerd uit in een lachwekkend wedstrijdje ‘lelijkste-smoelen-trekken’. Die rinzig zure afdronk van Jack-Op wilde maar niet wennen. Op een dag – het Atomium was nog in volle opbouw – sleurde mijn pa zijn hele kroost mee naar een pensenkermis in brouwerij Winderickx in Dworp. Daar kregen we een erg didactische les ‘warenkennis’. Aan de basis van Jack-Op lag lambiek en van dat brouwsel had Winderickx een indrukwekkend aantal enorme houten tonnen in voorraad. Ik maakte er kennis met de oer-geueze, mét een klontje suiker en een stampertje. Mijn broers vonden het nog altijd een aanleiding voor een wedstrijdje grimassen trekken maar bij mij begonnen zich, nog vòòr ik de baard in de keel kreeg, de eerste tekenen van lichte alcoholintoxicatie te vertonen. Een prettig gevoel dat ik in de loop der jaren nog vaak mocht ervaren. Merçi, papa!

Tja, en toen veranderde de algemene smaak van bierdrinkend België; het moest altijd maar iets zoeter. In het Pajottenland verdween de ene lambiekbrouwer na de andere, en Jack-Op en een stapel middelgrote brouwerijen gingen onherroepelijk dicht.

De authentieke gueuze en kriek moesten plaats ruimen voor iets dat er wel op leek maar er uit zag, en smaakte, als een artificieel gekleurd en veel te zoete snoepje waarvan je tong tegen je gehemelte bleef plakken. Vooral een toemalige voorzitter van een bekende voetbalclub maakte zich daar schatrijk mee.

Om jongeren en dames toch nog aan de drank te houden, boorden de brouwers een nieuw gat in de markt aan: fruitbieren. Je kon het niet zo gek verzinnen of er werd wel ergens een smaakje en een kleurtje van een of andere vrucht onder bier gemengd: kers, perzik, framboos, appel, aardbei, vlierbes, banaan, abrikoos, cassis, tot cocosnoot toe.  Toppunt van schaamteloos gebrek aan respect voor de edele brouwkunst, is de zet van de marketiers van Moortgat: Liefmans on the rocks. Bah! In de omgeving van Oudenaarde wordt dit wellicht als de vondst van de eeuw beschouwd, maar zouden die marketingjongens het ook aandurven om een wijnliefhebber te vragen ijsblokjes in een glas Château Pétrus te kieperen. Of een single cask & single malt whisky met cola aan te lengen? Wat hoor ik daar in de verte? Mijn vader die zich in zijn graf omdraait.

Dit soort ‘marketingbieren’ wordt bovendien voorgesteld als ‘vrouwendrankjes’ en dat is niet meer of minder een klinkend affront voor het vrouwelijk geslacht. Toch voor de dames waarmee wij in onverdachte tijden mee op stap plachten te gaan. Destijds vond je in Leuven maar zelden  twee café’s met hetzelfde bier. Daar schonk men Goldor, elders Mena, Caulier, Leopold of Ekla. Ginder was het dan Cristal, Piedboeuf of Haacht en weer op een ander kreeg je Lamot, Chevalier Marin, Meiresonne of Wieze ingeschonken. Een mengeling van al die bieren was een directe aanslag op je maag, met enorme katers achteraf. Bovendien had de doorsnee cafébaas in die tijd nog nooit gehoord van een tapcursus en sprong die spaarzaam om met stromend water in de spoelbak, voor zover glazen al degelijk gewassen en van lipsticksporen ontdaan werden. Tja, dan wordt een avondje uit een heel avontuur wat algemene volksgezondheid betreft. Om na het tweede cafébezoek braakneigingen te vermijden, koos je resoluut voor een zowat overal verkrijgbaar bier en liefst uit het flesje. In die tijd maakte Whitbread Pale Ale nogal furore want dat kon je bijna in elke zaak vinden. Dus gingen wij op stap op ‘pelêle’ . En het vrouwelijke gezelschap ging daar gretig in mee, meer zelfs, ontelbare keren werden wij door onze gezelschapsdames klinkklaar onder tafel gedronken. Die hadden daar geen mierzoete ‘vrouwendrankjes’ voor nodig.

De ‘versuikering’ van onze maatschappij in het algemeen en van ons bier in het bijzonder werd me onlangs nog pijnlijk duidelijk gemaakt. AB-Inbev vierde het twintigjarig bestaan van de nieuwe brouwerij aan de Twee Waters met een Stella volgens het recept van 20 jaar geleden. Een nostalgische duik, je kon er de huidige ‘verheinekeniseerde’ Stella nog nauwelijks in herkennen. Komaan, heren aan de Zoutstraat, laat die rekenmachientjes voor wat ze zijn, wordt terug brouwer en breng de hoppige Stella van pakweg 40 jaar geleden weer op de markt, al was het maar voor even. Alvast deze jongen – en mijn pa ook – zal jullie dankbaar zijn.

Advertenties

De koningin der onnozelen

Met de jaren heb ik moeten toegeven dat gemodereerd denken meer bij mijn leeftijd past dan altijd maar opstandig een grote muil opzetten en zout strooien op elke slak die een slijmspoor achterlaat. De voorbije week is die nieuwe mentale instelling sterk op de proef gesteld, wat zeg ik, er was weer eens een aanleiding om – zoals vanouds – roodaangeschoten van woede kwistig om te springen met godverde-godverdes. Die aanleiding, beste dames en heren, was onze minister van Gebrek aan Cultuur en de haar adviserende maar daarom niet altijd even competente commissies.

Plots schoot me dat prachtige lied van Georges Brassens door het hoofd waarvan het refrein als volgt klinkt: ‘Il y a peu de chance qu’on détrone le roi des cons’. In dit geval moest dat dus ‘la reine’ en/of ‘les rois’ zijn. Waarom? Omdat ons Leuvens huisorkest La Petite Bande op droog zaad wordt gezet. Daarom!

En waarom is onze minister ‘la reine des cons’? Omdat ze haar politieke verantwoordelijkheid verschuilt achter het voortijdig publiceren van de adviezen. Zo ontwijkt ze de te verwachten hoop gekrakeel rond het al of niet toekennen van subsidies wat ze als de pest kan missen na alle heisa rond haar al even stupide besluit rond Uplace. En dus ging Joke te rade bij Pontius Pilatus. Goed gezien van haar.

Waarom zijn die adviesraden, en meer bepaald die rond muziek, ‘les rois des cons’? Omdat hun advies uitblinkt in vaagheid. Die dames en heren hebben zowat 103 muziekensembles onder de loep genomen en daar een ranglijstje van gemaakt. Hoe je zoiets in alle objectiviteit kunt doen, blijft mij voor eeuwig een raadsel, alsof het hier gaat over een gewone kermiskoers. In dat lijstje van 103 ensembles staat La Petite Bande op een bedroevende plaats 69 a.u.b. Waarom? Daarom! Muziekliefhebbers van Mexico tot in Japan liggen daardoor in een deuk van de lachkrampen.  Internationaal wordt La Petite Bande hoger aangeschreven dan in de buurt van het Martelaarsplein.

Wat me vooral stoort is dat er bij die kwalificatie geen verdere uitleg te vinden is, tenzij ik daar weer overheen gezien heb. Wat er wel te lezen staat is het volgende: De oude muziek en barok hebben Vlaanderen mee op de internationale muziekkaart gezet. Het is evenwel onmogelijk om binnen de budgettaire ruimte alle ensembles in stand te houden. Daarom heeft de commissie in eerste instantie twee ensembles een negatief preadvies gegeven, waarvan er één na repliek toch positief beoordeeld werd. Voor zover ik die tekst begrijp, betekent dat zoveel als ‘laten we LPB niet langer in stand houden’.  Nog gekker wordt het iets verder in dat rapport: ‘Wat met opvolging? Ensembles die rond één persoon draaien die de pensioengerechtigde leeftijd nadert, moeten als een goede huisvader nadenken over opvolging’. Hoezo, sinds wanneer bepaalt het feit van al of niet opvolging de kwaliteit van een ensemble? Dus is dit gewoon een vuile tackle met gestrekt been op Sigiswald Kuijken en op alle andere dirigenten die na hun 65ste het dirigeerstokje nog durfden te hanteren. Steek het maar in jullie mouw Georg Solti, Otto Klemperer, Leonard Bernstein, Bernard Haitink, Wilhelm Furtwängler en andere von Karajans.

Wat me vooral stoort is dat hier niet zo weinig voorbij wordt gegaan aan de verwezenlijkingen van Sigiswald Kuijken. Hij was de pionier wat de authentieke speelwijze van barokmuziek betreft. De viool werd niet langer onder de kin geklemd maar tegen de schouder gehouden. Eerst moest iedereen daar mee lachen maar nu past elk barokorkest dat wel toe. Hij was ook de man die dacht dat Bach zijn cellosonates in feite voor viola di spalla geschreven had, liet zo’n instrument nabouwen en dat ding blijkt nog beter te klinken dan een cello. Hij heeft er ook een goede gewoonte van gemaakt om telkens voor een concert een causerie te houden zodat de muziek ook voor een leek begrijpelijk en verhelderend wordt. En ach, er zijn nog zoveel zaken waarom we iemand als Sigiswald moeten pamperen en koesteren. We zullen dat blijven doen, daar kan zelfs een Schauvliege niets aan veranderen.

Vooruit, beste lezer, onderteken de petitie op www.savelapetitebande.be.