Bedankt Leuven Actueel en iedereen

zao-fox-village-japan-3
Jakkes, wat is me dat allemaal. Na Reynaert 75 keer zijn passie te laten preken in Leuven Actueel dacht ik dat het welletjes was geweest en dan blijkt dat er tòch mensen bestaan die dat gewauwel ooit gelezen hebben. Erger nog, sommigen betreuren het zelfs dat het ermee gedaan is. Wat heb ik de mensheid nu weeral misdaan om zoveel (postume?) sympathie te mogen oogsten…
Toen ik nog redacteur bij Passe-Partout was, zei toenmalige directeur Wouter Vanmelkebeke (toevallig nu big boss bij Leuven Actueel) ooit: “Jij zult dit nooit kunnen opgeven. Zelfs als je 85 wordt, zit jij hier nog altijd je stukjes te tikken.” Het was echt niet om hem absoluut ongelijk te geven –wat ik overigens héél graag deed en nog lang hoop te doen – dat ik per 1 september 2009 met pensioen ging met het vaste voornemen nooit nog één letter op papier te zetten.
En dan komt Bartje Mertens je de oren van het hoofd zeuren: komaan, man, jij moet een column schrijven; de onderwerpen kies je zelf, desnoods schrijf je over je hond. Omdat je intussen ontdekt hebt dat er nog één ding erger is en moeilijker vol te houden dan schrijven, namelijk niet schrijven, rol je ongewild weer in het verdomde wereldje van deadlines.
Je dwaalt met de camper (én hond) langs Europese wegen, lichtjes de tel van de dagen kwijt, tot het je plots weer te binnen schiet: Verdomme, ik moet nog een stuk afleveren. Dan is het zoeken naar een onderwerp, een stek waar je op het internet kunt inloggen want de persen moeten draaien. Zo leer je dan weer dat er campinguitbaters bestaan die het aandurven om 5 euro te vragen voor één uurtje verbinding op hun veel te zwakke ADSL-lijn. Als je het terecht vertikt om in de buurt van een MacDonalds gesignaleerd te worden, moet je wel tot een gat in de nacht opblijven en wachten tot alle oma’s van de camping ermee opgehouden hebben met hun kleinkinderen te skypen. Het leven van een journalist was al geen lachertje, dat van een dolende stukjesschrijver is helemaal geen pretje. Wel helemaal niet als je dan ook nog voor langere tijd wilt overwinteren in aangenamere oorden met een mediterraan klimaat en waar azuur de overwegende luchtkleur is.
Dan raak je een beetje geïsoleerd van het thuisfront. In het begin omdat het technisch moeilijk in elkaar zit om dat in stand te houden, na een tijdje – als je voldoende ‘verzuidelijkt’ bent – omdat het je geen barst meer kan schelen wat er in en om je thuisstad gebeurt. In dergelijke omstandigheden is het haast onmogelijk om kort op de bal te spelen wat Leuvense actualiteiten betreft, ook al omdat Leuven Actueel een tweewekelijkse publicatie is. Je kunt het bezwaarlijk blijven hebben over de wildgeslagen rollatorbende van de Benidorm Bastards, je kunt niet eindeloos blijven kauwen op de kleine kantjes van onze spaarzame noorderburen, lawaaierige Spanjaarden of boven hun stand levende Britten. Neem daarbij dat ik intussen geleerd heb om het zalige nietsdoen tot hogere kunstvorm te verheffen – zelfs dàt moet je kunnen delegeren – en dat er wel elke maand een of ander ouderdomskwaaltje de kop opsteekt, maar vooral dat de noodzakelijke goesting stelselmatig afneemt. Ermee kappen is dan de enige consequente beslissing.

Nu en dan zal er nog wel wat op mijn blog verschijnen (https://camperhuub.wordpress.com) en wie mijn passiepreken helemaal niet kan missen, moet me maar komen opzoeken in mijn winterse verbanningsoord.

Wouter, bedankt voor het geduld. Katrientje, bedankt voor de eindeloze vriendschap. Bart, bedankt voor het vertrouwen. Bedankt Leuven Actueel. Bedankt lezers.

Een zwaai van de pluimstaart

vos 7
De avond drapeerde zich als een klamme handdoek over het Grote Dierenbos en in de ondergaande zon lag Reynaert voor zijn hol, ergens op een hoogte aan de rand van Nobelstad, zijn lange leven en de pietluttigheden van het hedendaagse bestaan te overschouwen. De jaren hadden hun lasten zwaar gelegd, de knoken wilden niet meer zo goed mee, de spieren werden met de dag strammer en de rosse schijn in baard en staart was nu wel helemaal grijs geworden, met hier en daar zelfs een kale plek. Ooit kon hij als de best zijn plan trekken; nu had hij steeds meer en meer de hulpvaardige bijstand van zijn Hermeline nodig. Zijn beruchte felheid – toch een eigenschap waarover Willem die Madocke maecte een stichtend boek over hem had geschreven – was druppelsgewijs uit zijn lijf ontsnapt. Het hoefde voor hem allemaal niet meer zo broodnodig.
Hij keek neer op de talrijke torens waaronder Belijn de Ram en zijn confraters de goegemeente duidelijk maakten in welke zondenpoel ze zich wel niet wentelde en hoe ze dat met veel ‘ora pro nobis’ en een volle aflaat – mits een royale bijdrage – weer kon goedmaken. Hij zag de torens waarin de eksters de door hen gestolen spiegeltjes en kralen straffeloos mochten oppotten, het kasteel van koning Nobel, de hoge torens waarin de nakomelingen van Cuwaert de haas en Coppe de kip in op elkaar gestapelde lagen moesten wonen, de statige gebouwen waarin de companen van Bruneel de Ezel het jonge grut bijbrachten hoe ze zich op de meest comfortabele manier konden neerleggen bij de regeltjes van het Grote Dierenbos, en hoe ze die met een greep uit de Grote Trukendoos konden omzeilen. “Torens dienen alleen om ons eraan te herinneren hoe nietig we wel zijn en dat we maar beter onze bek kunnen houden,” mijmerde Reynaert hardop. Hij had nooit begrepen waarom iedereen dat zo maar lijdzaam over zich heen liet gaan.
In zijn overpeinzingen werd hij plots opgeschrikt door Bamer, een verre neef die maar wat graag zijn vossenstreken wilde overnemen. “Komaan ome Reynaert,” fleemde hij, “waarom wil je ophouden met je fratsen? Doe ze mij nog één keer voor en je krijgt van mij telkens een malse kip als avondmaal.”
Reynaert kwispelde eens met de pluimstaart en zei: “Och jongen toch, je moet weten te stoppen waar anderen beginnen. Je kunt Coppe en Canteclaer maar één keer de strot afbijten, het lukt je maar één keer om Bruun de Beer zijn gulzige snuit in een boomstronk vast te prikken, je kunt Tibert de Kater maar één keer het hoofd in een strik doen steken, Cuwaert de Haas kan je maar één keer Malpertuus binnen lokken en opeten, je kunt Hersinde, de vrouw van Isegrim maar één keer bespringen en Belijn maar één keer vogelvrij doen verklaren. Trop is te veel en teveel is trop. Je kunt jezelf niet blijven herhalen zonder belachelijk te worden. Als Isegrim en die andere dieren niet willen zien of horen, moeten ze dat zelf maar weten. Als ze het getater van Tiecelijn de Raaf willen geloven en dat met misplaatste trots als hun hoogst persoonlijke mening in alle heftigheid en met luide stem aan de wereld opdringen, moeten ze dat voor mij niet laten. Ik trek met je grootoom Grimbeert de Das naar een ander Dierenbos. Begin maar alvast te oefenen voor je eigen avonturen.” Daarmee moest Bamer het dan maar zien te stellen.
En hoe beschreef de grote L.P. Boon het einde van Reynaert in zijn mooie verhaal ‘Wapenbroeders’?
“En hiermede is het boek van den vos Reinaerde afgelopen. Het schijnt dat er in later jaren nog een boek verschenen is, waarin beweerd wordt dat Reinaert de plaats van Nobel innam… doch alhoewel alles mogelijk is in deze wereld, wil ik DIT toch niet geloven. Want als Reinaert niet langer Reinaert meer gaat zijn, doch Nobel worden moet, dan zou dit alles nog nuttelozer zijn dan het reeds is.”