De mannen die de gas doen branden

1538913_623882537692787_6791472056126619311_n
Na het heen en weer gescheld tijdens de voorbije verkiezingscampagne was hét gespreksonderwerp van het laatste jaar ongetwijfeld de toepassing van GAS-boetes. De ene lag er maanden lang van in een deuk en moest dringend aan de zuurstoftank om weer bij te komen, de andere ergerde zich nog blauwer dan de Donau van Johan Strauss. In december vorig jaar publiceerde het weekblad Knack zelfs een ‘Top 100 van de absurdste GAS-boetes’, een warme aanrader voor liefhebbers van hilarische literatuur.
Geen grijs haar op m’n hoofd dat er ooit aan dacht om enige aandacht aan die GAS-boetes te besteden, ware het niet dat hier toevallig de Leuvense cijfergegevens voor het jaar 2013 neerdwarrelden en die cijfers zijn m.i. wel erg relevant. Het voorbije jaar werden in het totaal 1.816 dossiers opgesteld, of pakweg vijf per kalenderdag. In slechts 60 % van de gevallen volgde ook een effectieve boete voor een gemiddelde van € 87,50.
Opvallend is wel dat daarbij slechts in 1,8 % van de gevallen – of tien dossiers – minderjarigen betrokken waren terwijl die GAS-boetes toch altijd als ‘kinderpesterij’ werd afgeschilderd. Bovendien heeft Leuven het voorbeeld van andere steden niet gevolgd. Die stelden de leeftijdsgrens op 14 jaar; in Leuven is dat 16 jaar. Dat betekent wel dat er nog altijd 1.806 ‘grote mensen’ een boete aan de broek gesmeerd kregen. Neem daarbij nog dat ik met mijn ingeboren gevoel voor scepsis en sarcasme in dat lijstje maar weinig als echt belachelijke boetes te bestempelen kan weervinden. Of het zou al moeten zijn dat de drie gevallen van ‘aanbellen aan huizen zonder reden’ m.a.w. belleke-trek je verschrikkelijk aan het lachen brengen.
In alle andere gevallen betreft het wel inbreuken die ieder nuchter denkend medeburger in meerdere of mindere mate op de zenuwen werken. Niet-reglementair plaatsen van afval en sluikstorten, bijvoorbeeld (718 gevallen). Of vandalisme en beschadigingen (102 gevallen), of het open trappen van vuilzakken (36 gevallen). Niemand heeft graag dat er iemand in zijn portiek, tegen zijn deur of in de brievenbus plast (466 gevallen) of dat je op weg naar je werk doorheen een plas braaksel (19) moet waden.
Vragen over objectiviteit kan men zich stellen bij de 54 gevallen ‘niet schikken naar de bevelen van politie’, het uiten van beledigingen (6) of het lastig vallen van personen (2). Als ik me niet schik naar de bevelen van de politie krijg ik gegarandeerd een PV in m’n strot geramd en wat het beledigen en lastig vallen van personen betreft, zou het in mijn geval GAS-boetes regenen.
Vreemd genoeg vind ik in dat lijstje geen verslag over niet opgeruimde hondendrollen weer, terwijl de Leuvenaars dat in vorige onderzoeken toch als het meest storende element voor een gezellige stad aanwezen. In Frankrijk of Spanje riskeer je een boete van € 200 als je zonder poepzakje met je hond de straat op gaat. Hier dus niet. Wel waren er vijf boetes voor het laten los lopen en zelfs twee voor het aan de ketting laten liggen van honden.
Verder stel ik me toch vragen bij die slechts vier gevallen van ‘bedelen op de openbare weg’. Je kunt je in de stad nauwelijks bewegen of je krijgt op elke straathoek wel een plastic bekertje onder de neus gedrukt en wordt je met veel verdriet en het leed van de hele wereld in de ogen naar een aalmoes gevraagd. Diezelfde beklagenswaardige sukkelaars troepen rond 19 u – na gedane dagtaak – vrolijk samen en worden met busjes opgehaald. Georganiseerde liefdadigheid met een reukje aan, denk ik dan maar.
En dan is er nog die éne (1) boete voor straatmuziek. Van zodra de temperatuur boven 15 C° uitstijgt, kun je nauwelijks een terrasje doen zonder muzikale opvrolijking. Versta me niet verkeerd, ik houd van muziek en er zitten best goede muzikanten tussen die buskers, maar mijn gehoorvermogen wordt maar al te vaak geteisterd door snerpende vioolsnaren of vals tonen uit een accordeon. Tenzij dat onder de rubriek ‘geluidshinder’ wordt beboet. Een mens zou heimwee krijgen naar Johnny Gitaar, alias Django.
Voor het overige ziet het leven in Leuven er nog niet zo slecht uit en denk ik: laat het gas maar branden.

Advertenties

Blaaskaak in het stadspark

Vulpes_vulpes_1_(Martin_Mecnarowski)
Volgens beroemde urbanisten en nog meer bekende architecten is een stad een levend organisme met biologische wetmatigheden. Als je een half jaartje uit Leuven bent weggeweest, moet je die mensen gelijk geven. Vooral wat die biologische wetmatigheid betreft. Na al die maanden loop je nog eens naar het centrum, maar op die wandeling van zeg maar 1.200 meter verplicht de biologische wetmatigheid je over fietsen te struikelen of toch minstens op levensgevaar de rijbaan op te lopen omdat die niet levende organismen het trottoir blokkeren. Eén ogenblik van onoplettendheid en je loopt je te pletter tegen aan verkeersborden, lantaarpalen of bomen vastgeketende tweewielers. En zeggen dat bepaalde personen van mening zijn dat dit, en nog veel meer, moet kunnen. Tot zover is er in onze eeuwenoude maar springlevende stad nog niets veranderd. Zelfs de Gele Olifant en de nooit afgewerkte Sint-Pieterskliniek staan nog altijd op hun vertrouwde plek.
Met enige verbazing zie je dat een aantal vertrouwde winkels van bestemming is veranderd. Hier is er weer een nachtwinkel bij gekomen, daar heeft alweer een of andere multinational een bijhuis neergepoot waar men zich, via een veel te dure en veel te snelle hap, een onderdeel van de vetmestindustrie kan wanen. Ginder heeft een voorheen best aangenaam café zichzelf met veel poeha opgewaardeerd tot ‘brasserie’. Je krijgt er voor te veel geld een exclusief drankje met veel tralala voorgeschoteld waarmee je jezelf zonder schaamte kunt meten met de rest van de m’as-tu-vus. Iets verderop heeft men meerdere panden tot één winkelruimte samengevoegd. Tot ergernis en mindere winst van de bouwpromotor die de pompeuze Wederopbouw-gevels heeft moeten laten staan maar daarachter mocht hij alles wegvegen in functie van ruime appartementen ‘van hoge standing’.
Er is in het centrum weer een stukje winkelwandelstraat bijgekomen en verderop in de Tiensestraat ligt een heel woonblok plat want ook daar moet een prestigieus project verrijzen dat de vraag doet opwellen wie daar nu wel of niet beter van wordt. Of het zouden de studenten moeten zijn die hier weer een nieuw concentratiepunt krijgen. Aan het aantal bijgekomen deurbellen zijn er ook in de achterafstraatjes weer tig perfecte woningen opgedeeld in studentenkamers. Jonge Leuvenaars worden dus weer iets meer verplicht naar de omgeving van Tienen of Aarschot te verhuizen.
Dan ga je eens naar het intussen zeer mooi gerestaureerde station kijken en dan verneem je onderweg dat het in de gelagzaal gedaan is met kelners die naar de toog ‘Café-tasse. Deux!’ roepen. In navolging van het postgebouw wordt ook dit monument in handen gegeven van een internationale keten. We zullen het in de toekomst dus niet meer met kletterende kopjes maar met plastic bekers moeten doen. Belangrijke mededeling aan alle naar koffie hunkerende treinreizigers: steek gewoon het plein over; daar is de koffie beter en wordt die met meer liefde opgediend.
Zo’n eerste wandeling doorheen je eigen stad als je een tijdje bent weggeweest, komt aan als een loeiharde por tussen de ribben. Tiens, vorig jaar was dat hier toch een andere winkel. Oei kijk nu, wat hebben ze hier intussen weer mee uitgestoken. Verdorie, waarom moest dit gebouw hier nu weer tegen de vlakte. Je begint je een beetje een vreemde in eigen stad te voelen.
Om dat gevoel kwijt te raken loop je dan maar naar het stadspark, toch al altijd een zee van rust en vertrouwen. Hoewel, als je de berichten mag geloven is dat daar thans een brandhaard van drugshandel en –gebruik en dus een gevaarlijk oord des verderfs geworden. Niet moeilijk natuurlijk als je moet vernemen dat Herwig Van Hove er zich nu op beroemt alle fauna uit dat park te hebben geroofd, geslacht, gepluimd of gevild en opgegeten. Misschien moet die man toch maar eens zijn memoires schrijven met als titel ‘Baas Gansendonk in de Gillenhof’.
Alleen tweederangsfiguren hebben het nodig dat ze nodig zijn. Echt groten daarentegen hebben dat niet nodig. (Vrij naar Connie Palmen in ‘Lucifer’)