Eerst achterbank, nu triporteur

Een paar dagen geleden werd ik in de Brusselsestraat, op tien passen van de Grote Markt,  bijna uit de schoenen gereden door zo’n ding dat geruime tijd door bakkers en beenhouwers werd gebruikt maar nu vooral dient om het jonge kroost te vervoeren. Je hebt daar nog altijd geen speciaal rijbewijs voor nodig, noch bestaan er rijvaardigheidscursussen voor. Zodoende ontbreken het die jonge vaders en moeders aan de ervaring van de vroegere Kramikskes of slagerszonen met of zonder brilletje om zich kundig door de drukte te manoeuvreren. Wat hen niet belet om zich met een rotvaart in het verkeer te mengen en daarbij voetgangers het verdere voortbestaan onzeker te maken.

Die bijna botsing was uiteraard mijn eigen schuld, wat ook nog door de fietsende vader werd bekrachtigd met een forse “Kun je niet uit je doppen kijken, neen?”. Het was dus duidelijk ik die asse op het hoofd had, eigen schuld dikke bult. Moest ik daar maar niet in de weg lopen, had ik het begrip ‘wandelstraat’ maar niet verkeerd moeten interpreteren. In al mijn argeloosheid heb ik altijd aangenomen dat je in de Brusselsestraat rustig mocht kuieren, hier en daar een etalage kon meepikken, desnoods eventjes uitrusten op een bankje of een terrasje. Foute redenering, dus. Wandelstraten zijn er uitsluitend gekomen vanwege een nijpend gebrek aan gepaste circuits voor wielercriteriums.

Nog altijd beter je kinderen in zo’n bakfiets naar school te brengen dan met de auto, denk ik dan maar in een opwellende bui van ruimdenkendheid. Mij ontgaat immers elke logica achter de redenering dat je wel verplicht bent je kroost met de auto naar school te brengen omdat er te veel en te onveilig verkeer is. Vreemd. Tijdens vakantieperiodes rij je op een ik en een gij door de stad; tijdens het schooljaar sta je – vooral in de omgeving van scholen – gegarandeerd in de file.

Ach ja, denk je dan maar verder, die jonge ouders van nu behoren zelf tot de achterbankgeneratie en op hun beurt kweken die nu een triporteurgeneratie.

Van die gedachte spring je gemakkelijk over naar herinneringen aan je eigen schoolgaande jeugd. Heel mijn leven lang werd ik slechts één keer naar school gebracht; mijn jongere broers zelfs nooit. De eerste dag dat ik naar de kakschool moest, leverde mijn moeder me daar netjes af. Daarna moest ik het maar zelf zien te redden. Voor de lol heb ik die afstand onlangs nog eens afgestapt en ik kwam uit op 342 volwassen stappen. Als driejarige snotneus betekende dat minstens drie keer zoveel dribbelpasjes. Om dan nog maar te zwijgen van het eerste leerjaar op de ‘grote school’. Die lag bijna anderhalve kilometer van m’n voordeur vandaan. Is een van mijn ouders toen op de eerste schooldag meegelopen? Goed gij, die hadden wel wat anders te doen.

Wij schreven nog met een ‘ballonetjespen’ en de inktpotten werden dagelijks bijgevuld. Onze klas werd verwarmd met een kolenstoof die roodgloeiend gestookt werd maar waarvan je het nooit warm kreeg. Wie niet oplette, kreeg de bordveger tegen het hoofd gekeild en als je honderd lijnen strafwerk kreeg, werd dat aantal thuis mirakuleus met drie vermenigvuldigd. Er bestonden geen ouderavonden maar als je wat mispeuterde wisten je ouders er al fijne van nog voor je zelf thuis was. En reken er maar op, er zwaaide dan wel wat want de ‘meester’, zoals onderwijzers toen nog heetten, had altijd gelijk.

Maar… op de weg van en naar de school kenden wij elk plekje waar je formidabel goed kon knikkeren, wij verzamelden meikevers in luciferdoosjes,  kropen onder hagen door en scheurden daar onze kleren aan, klommen in bomen en waren soms sneller weer beneden dan gepland, trapten onze schoenen kapot tegen conservenblikjes omdat een voetbal te duur was. Wij vielen onze knieën kapot en hadden minstens één keer per week een buil op het hoofd, eens per maand een bloedneus en twee keer per jaar een verstuiking of een breuk. We gingen kersen en appels pikken en daar stond geen GAS-boete tegenover maar wel een stevig pak slaag. We moesten geen afspraken maken om bij vrienden aan te lopen en we bleven daar plakken zo lang we maar wilden. Als we maar weer voor donker thuis kwamen, was het allemaal al goed genoeg.

OK, ik geef toe dat de omstandigheden toen wel wat anders waren dan nu en dat het vroeger niet allemaal beter was. Wat niet wegneemt dat ik zware deernis heb met al die jongeren die zonder iPod, Nintendo of Playstation, een gsm en laptop geen jeugd hebben. Wanneer mogen die kinderen ook nog kinderen zijn? Hallo, jonge ouders, jaag je kinderen de straat op en laat hen kennis maken met de échte wereld. En haal ze verdorie uit die bakfietsen, tenzij ze ervoor opteren om bakker of beenhouwer te worden.

 

 

 

Advertenties

Bronx aan de Dijle

Ergens gelezen dat je niet mag verwachten oud en wijs te worden zonder eerst jong en dwaas te zijn geweest. Waarom blijft het me dan toch verbazen dat zovelen de fase van dwaasheid blijven rekken tot ver over de middelbare leeftijd heen en vergeten dat je tussen jeugd en ouderdom de verdomde plicht hebt enige wijsheid op te steken? En voor zover dat al gebeurde, die wijsheid dan ook nog een beetje fatsoenlijk toe te passen.

Dat, en nog andere dingen, schoten me door het hoofd bij een uitzending van Ter Zake vorige week waarin een boom werd opgezet over ‘veiligheid’. Schaarbeek werd er vergeleken met Leuven. Nu ja, vergeleken… Een zekere K.B. mocht het veiligheidsprobleem van Leuven uit de doeken komen doen. Die hoogst waarschijnlijk respectabele en eervolle man – maar dat was Brutus ook – was duidelijk iemand met een hogere opleiding achter de rug want hij wist zelfs hoe een statistiek te hanteren. Aan de hand daarvan probeerde hij te bewijzen dat onze stad een haard van criminaliteit is, dat we die cijfers niet mogen onderschatten en dat we daar de ogen niet mogen voor sluiten. Om zijn stelling kracht bij te zetten nam hij met doodsverachting de camera mee op sleeptouw naar de Oude Markt en met vol onrust rollende ogen wees hij daar op een gebroken bierglas met de vraag hoe zoiets in godsnaam toch mogelijk is. De man besloot met de waarschuwing dat elk respectabel en eervol mens – zoals hij zelf – zich na 22 uur nog nauwelijks in het centrum kan bewegen, tenzij in een vlaag van wanhopige zelfdestructie.

Kijk, bij zo’n opeenstapeling van nonsens gaat mijn bloed koken, terwijl ik toch al jaren mijn spontaan opwellende golven van verontwaardiging onder controle probeer te houden. Nu heb ik het al niet zo op statistieken begrepen want daarmee kun je bewijzen dat het verdrinkingsgevaar in een vijver van gemiddeld 10 cm diep enorm groot is.  Die jaarlijks gepubliceerde criminaliteitcijfers zijn wel helemaal een lachertje want daarin wordt alles opgenomen waarmee de politie wordt geconfronteerd: nachtlawaai van fuivende studenten, een open geschopte vuilniszak, iemand die ’s zondags zijn gras maait, een fiets die wordt gepikt, een iets te luidruchtige BBQ en wat dies meer zij. Kortom, dingen die in Leuven – en in gelijk welke stad – aan de lopende band gebeuren. Met dergelijke statistieken kun je dus aantonen dat Leuven onveiliger is dan een stad waar elke dag minstens één moord wordt begaan, waar dagelijks drie verkeersdoden vallen, waar de drugs per ton worden aangevoerd en waar je geen oog dicht kunt doen vanwege aanhoudend nachtelijk echtelijk geweld.

De hoogopgeleide, respectabele en eervolle persoon in kwestie gaf ook nog mee dat hij nu al 6 (zegge en schrijve: zes) jaar in Leuven woont. Een recente immigrant dus. Een importproduct, net zoals ik 55 jaar geleden. Helaas, of gelukkig maar, heb ik nooit in een rustige villawijk van Heverlee gewoond maar wel pardoes in het midden van het verderfelijke oord, Leuven geheten. Erger nog, ik dook zowel letterlijk als figuurlijk onder in het zedenverwilderend nachtleven van dit gangsterparadijs aan de Dijle. Meer dan goed was voor m’n gezondheid, meer dan goed was voor m’n medemensen. Ondanks alle betogingen en studentenprotesten tegen alles en nog wat, de tijdelijke terreur van paracommando’s en motorbendes heb ik me – en haast alle Leuvenaars met mij – in deze stad nog nooit bedreigd gevoeld. Heb ik ooit kletsen op m’n smikkel gehad omdat ik dat zelf had gezocht? Bwah ja, zeker. Heb ik dat ooit aangevoeld als crimineel? Welneen. Vind ik Leuven daarom een gevaarlijke stad? Helemaal niet!

Wat ik wél als crimineel aanvoel, is het feit dat een zogenaamde bezorgde burger uit de betere wijken mijn stad zo maar publiekelijk mag afschilderen als zwaar te mijden. Dat is pure laster en stemmingmakerij. Vuile slagen onder de gordel. Trouwens, daags na de getuigenis van de heer K.B. publiceerden de kranten de tevredenheidscijfers en daaruit bleek dat Leuven met kop en schouders boven de andere centrumsteden uit torent. Waar heeft die man het dan over?

Geachte heer K.B. mocht ik in uw schoenen staan, ik bleef geen dag langer in deze onveilige stad wonen. En als u dan toch een verhuiswagen bestelt, neem dan ineens eentje die groot genoeg is om al die andere zeurpieten en malcontenten, die in deze stad angst hebben van hun eigen schaduw, mee naar andere oorden te nemen. Bon voyage!