Présence

Zo maar gratis reclame in dit blad, ik weet het, het mag niet. Op het gevaar af om heelhuids door W. opgepeuzeld te worden, neem ik dat risico er hier maar bij. En wel hierom: deze week vier ik namelijk het feit dat ik net geteld 43 jaar geleden voor de allereerste keer binnen stapte in café Gambrinus op de Grote Markt. Een zaak die ik, terloops gezegd, nog altijd rangschik in de top vijf van mooiste cafés van België. Ik weet nog exact in wiens gezelschap dat was maar uit medelijden en respect voor die persoon doe ik dat hier liever niet uit de doeken. In die tijd liep ik er nog bij als een door Tobback zo verfoeide soixantehuitard. Je kent dat wel: parka, nog een echte, stijf staande jeans, legertasje met het vredesteken op geschilderd, cowboylaarzen en haar tot op de schouders. Langharig werkschuw tuig, qoui.

De kelner van dienst heette Marcel. Nu ja, kelner is te zwak uitgedrukt. Butler paste beter bij hem. Als een totaal uitgebalanceerde Jeeves kon hij stijfdeftig en met een uitgestreken gezicht een drankje voor je neerzetten, netjes met het merkteken naar voor en op 2 centimeter van de tafelrand. Schitterend gewoon.

De algemene voertaal in de zaak was Frans – zelfs nà de splitsing van de universiteit – en bestellingen werden met luide stem naar de toog geslingerd. Zo ‘deux Stella, deux’ of ‘Café tasse’ of ‘Filtre’. In dat laatste bestond immers een groot onderscheid. Een ‘tasse’ kwam prefab uit de percolator in een porceleinen kopje, het andere in een hoogopstaand glas met zilveren houder en dito filter. Die plastic Rombouts-dingen waren voor café’s met minder standing.

Bomma Vanmechelen heerste over het huis zoals Catharina de Grote in haar glorietijd over heel Rusland. Ze was eerder klein van stuk maar het eerste wat je opviel bij je binnenkomst waren haar priemende ogen. Je werd meteen getaxeerd of je het wel waard was om haar drempel over te steken. U kunt zich wel voorstellen met welke blik ze mij die eerste keer verwelkomde.

Enkele jaren, veel koffies en Campbell Scotch in tinnen kroezen later, moet ik in haar ogen toch eens over de schreef zijn gegaan. Komt Marcel plechtstatig naar mij toe gestapt met een bordje. Daarop een briefje, een naamkaartje groot, met erop gedrukt: “Votre présence dans notre établissement n’est plus long temps souhaité.” En zo’n boodschap komt midscheeps aan, vrienden. Ze heeft het me achteraf vergeven, nadat ik eerst een brandende reprimande moest ondergaan. Die bomma, toch.

In die tijd werden ‘ambetanterikken’ op zo’n stille en stijlvolle manier naar de uitgang begeleid. Tegenwoordig moet men daarvoor een legertje buitenwippers inhuren. Niet dat het veel zal uithalen maar misschien kunnen de zogenaamde cafébazen van de Oude Markt er toch eens over nadenken om een stapeltje van dergelijke briefjes te laten drukken. Je weet maar nooit of het lukt.

Een andere aanbeveling uit de trukendoos van de Gambrinus om misère en overlast te vermijden: laat iets na elven de rolluiken neer, begin met de stoelen op de tafels te zetten en neem geen bestellingen meer op. De familie Van Mechelen doet dat al sinds 1922 op die manier en heeft nooit angst moeten hebben voor een Tobback die met een sluitingsuur dreigt.

 

 

Advertenties

Sinterklaas & C°

Binnen de kortste keren is het weer Sinterklaas. Dat werd ons de voorbije weken hardnekkig in de strot geramd. Erger nog, de Sint neemt een tijdje zijn intrek in het Leuvense stadhuis. Het lijkt er sterk naar dat het stadsbestuur ermee omhoog zat dat dit historische pronkstuk werd ingeruild voor een blokkendoos aan het station en dat er tijdens de wekelijkse vergaderingen van het schepencollege maar één prangende vraag op de agenda stond: wat vangen we nu met dat oude stadhuis aan? Tot daar plots de pientere schepen van jeugd met een briljant idee op de proppen kwam: laat ons er de residentie van Sinterklaas van maken. Waarop hij van het voltallige stadsbestuur een staande ovatie mocht ontvangen.

OK, we weten wel dat de immobiliënmarkt in Spanje in elkaar gestuikt is, maar moeten we daarom ons mooie stadhuis door dat Spaanse importproduct laten inpalmen?  Mogen we toelaten dat ons publieke patrimonium op zo’n afgrijselijke manier verkleuterd wordt. Voor mij blijft Louis T. de baas van ons stadhuis, want daartoe democratisch aangemaand. Wat je van Sinterklaas moeilijk kan zeggen.

Heeft hij nu ook alweer iets tegen die goedheilige man, hoor ik  u al hardop vragen. Wel ja! Uitzondering gemaakt voor Sint Juttemis, heb ik het niet zo begrepen op heiligen, nog veel minder met heiligen die alleen de winkelstraten gunstig gezind zijn, en zeker niet als daarbij ook nog eens kinderen betrokken worden.

Generatiegenoten van mij herinneren zich nog wel hoe we de meest onwaarschijnlijke onzin moesten slikken over een stokoude man die op daknokken balanceert, door schoorstenen kruipt, in een dik boek nakijkt of je wel braaf bent geweest en dan krijg je lekkers; was je stout kreeg je van de roede. Voor dat laatste moet de goede man zelfs de hulp inroepen van zijn Zwarte Pieten wat me van die heilige bisschop uit Myra toch wel tegenvalt want lichtjes racistisch getint.

Dan moesten we avonden lang, nog nadampend van de wastobbe en met de haartjes nat, ons de kelen schor zingen met ‘Sinterklaas kapoentje’ of ‘Zie ginds komt de stoomboot’. En wat kreeg je daarvoor in de plaats? Een mandarijntje, een reep chocolade, drie nicknackjes. Met heel veel geluk zat er ‘Het Eiland Amoras’ van Suske en Wiske of misschien wel een autootje van Dinky Toy bij. Wat een kinderfeest moest zijn, groeide geheid uit tot een jeugdig trauma want bij je klasgenootje aan de overkant van de straat had Sinterklaas dan wel minstens een reusachtige bouwdoos van Meccano of een nieuwe fiets achtergelaten, inclusief bergen snoepgoed. Groen van afgunst stond je er niet eens bij stil hoe hij die dingen door de schouw had gekregen.

Vandaag lijkt 6 december wel uitgegroeid tot een orgie van consumentisme. Geen snotaap die voor minder dan een iPad, Playmobil, of BlackBerry mét veel kredietwaarde, nog eens ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ wil aanheffen.

Nog een geluk dat de gemeenteraadsverkiezingen volgend jaar in oktober vallen. Anders moest schepen H.B. zich al half september beginnen op te tutten met een witte pruik en een valse baard. Immers, het is onze schepen van jeugd die hoogstpersoonlijk als de Sint in het stadhuis zal tronen. Ouders wezen hierbij gewaarschuwd.

Levenloze dingen en pukkels

Je hebt mensen die in slaap vallen nog vòòr hun hoofd de kussensloop heeft aangeraakt en je hebt er die nog uren liggen te woelen vooraleer hun ogen dicht willen vallen. Zelf behoor ik tot de tweede soort. Nu dacht ik daarvoor de ultieme oplossing te hebben gevonden: een nachtelijke wandeling net voor het naar bed gaan. Dat gebeurt meestal pas rond 2 à 3 u, zeker nooit voor middernacht. Zo’n beetje in de sfeer die Ramses Shaffy zo mooi bezong: “De mensen zijn gaan slapen. De auto’s en de fietsen zijn levenloze dingen. De stad behoort nu nog aan een paar enkelingen, zoals ik, die houden van verlaten straten om zo maar hardop in jezelf te kunnen praten…”

Klinkt allemaal vrij weemoedig en romantisch maar dat is het niet. Zo’n nachtelijk uitstapje is meer een struikeltocht over levenloze dingen zoals daar zijn: open getrapte vuilzakken, tegen de vlakte gesmakte fietsen, aan diggelen gegooide bierglazen, uitgerukte verkeersborden, vernielde bloembakken…

Het eerste wat je dan door het hoofd schiet, is: godverdomde studenten! Twee stappen verder ben je beschaamd over zoveel ongeremde vooringenomenheid en blinde partijdigheid. Immers, tijdens de vakantieperiodes struikel je net zo goed over identiek dezelfde levenloze dingen terwijl er in heel de stad geen student meer rondloopt. Die zitten dan al allemaal veilig in Hotel Mama of hangen ergens aan de toog in het dorpscafé onder de kerktoren van hun thuisbasis waar ze zich gedwee de wet laten dicteren door de sociale controle die in hun parochie iets minder breeddenkend is dan in Leuven.

Die rommeltoestanden worden dus even goed veroorzaakt door onze eigen Leuvense jongeren – onze eigen kinderen, zeg maar – als door geïmporteerde studenten, nietwaar. Ach ja, denk je dan, we zijn allemaal jong geweest en staken toen ook apenstreken uit. OK, we zagen er de lol niet van in om tegen vuilnisbakken te schoppen of fietsen in de Dijle te kieperen, maar we maakten ook wel eens te veel lawaai of we plasten ook wel eens tegen een gevel. Was de maatschappij toen toleranter? Wellicht wel, al had je toen ook ouwe zeurpieten – zoals ik nu – die op elke slak kwistig zout strooiden en ons de huid vol scholden. Wie niet tegen jong volk kan, en hun strapatsen niet wil accepteren, moet dan vooral niet in Leuven komen wonen. If you can’t stand the heath, stay out of the kitchen.

Nu we het toch over studenten hebben, is het u ook opgevallen dat die alsmaar meer op kinderen beginnen te lijken? Sommigen lijken nog maar net hun plechtige communie achter de rug te hebben. Die indruk zal wel aan onze ouderdomsverschijnselen te wijten zijn. We vergeten daarbij nogal snel dat onze ‘grote revolutionaire leiders’, die vijftig jaar geleden de verzamelde bisschoppen de schrik op het lijf joegen, ook dezelfde leeftijd hadden als die ‘kinderen’ van nu.  Zo’n Paul Goossens was nog maar net de laatste pukkel ontgroeid en Ludo Martens had nog jaren na ’68 last van acne. Om maar te zeggen dat alles betrekkelijk is.