Zonevreemd surrealisme

Onze regering kan in één klap het gat in de begroting dichtrijden, de economische crisis oplossen, pensioenen en kinderbijslag verhogen, belastingen verlagen en de wereldmarkt veroveren. Dan moet ze er alleen in slagen om ons meest eigen en haast onuitputtelijk nationale product te exporteren: het surrealisme. België is immers een paradijselijke kweekbodem voor absurdisme en dan heb ik het hier niet alleen over Magritte & C°. Deze week werd maar weer eens goed in de verf gezet hoe sterk onze wetgeving steeds meer en meer op die van Absurdistan begint te lijken en dan heb ik het voor een keer niet over die belachelijke GAS-boetes. In Wilrijk werd een bos gekapt om plaats te ruimen voor hoofdkantoor, parking en opslagloodsen van een transportbedrijf. Uitleg: dat bos ligt er zonevreemd bij. Hallo? Wel besteed, zou je denken, dat zal dat stomme klotebos voor eens en altijd leren om al eeuwenlang op de verkeerde plek te liggen. Allemaal de schuld van artilleriegeneraal Joseph de Ferraris die tussen 1771 en 1778 uitermate gedetailleerde landkaarten van de Oostenrijkse Nederlanden opmaakte. En laat dat bos daar nu ook al op vermeld staan. Uiteraard kun je dan wel de vraag stellen wie of wat hier in feite zonevreemd is. Dat bos? Wilrijk of dat transportbedrijf?
Intussen wordt in Vlaanderen jaarlijks 200 hectare bos – goed voor 400 voetbalvelden – vernietigd. Allemaal wettelijk in orde. Blijkt dat we hier in het totaal nog slechts 177.252 ha bos rijk zijn maar daarvan zou er 63.000 ha ‘zonevreemd’ zijn. Om je een idee te geven: Meerdaalwoud, Heverleebos en Egenhovenbos samen zijn 2.071 ha groot. Dus mag er 30 keer die oppervlakte gekapt worden omdat die volgens onze wetgeving buiten de hun toegemeten lijntjes zijn ingekleurd. Surrealisme van topniveau, noem ik dit.
Vorige week werd er ook in Leuven zo’n surrealistish toneeltje opgevoerd. De politie stelde de evolutie in de delictenlijst voor, zeg maar de in kaart gebrachte criminaliteit. Het gaat blijkbaar goed in Leuven, alleen drugsfeiten en geluidsoverlast zijn in stijgende. Op een vraag in welke mate de horeca verantwoordelijk is voor die geluidshinder werd droogweg geantwoord dat daar geen cijfers over bestaan en dat men pas op 1 september l.l. begonnen is om dat te noteren. Hallo? Op de gemeenteraad van juni dit jaar werd wel een reglement goedgekeurd die horecazaken verplicht om peperdure investeringen te doen zodat de politie ten alle tijde kan controleren of de muziek niet te hard staat maar pas drie maanden later gaat men ook effectief na of dat wel of niet hinderlijk is. Absurditeit of iets té ver vooruitziend?
Zo kun je nog een eindje doorgaan met Vlaams of Leuvens surrealisme op elkaar te stapelen. Je kunt er eens bedompt bij lachen en je schouders ophalen of je er stikkapot aan ergeren. Voor dat laatste heb ik een aangeboren talent. Nog zo’n ding dat me stierlijk de voeten uithangt zijn de weekend bijlagen bij onze kranten. Die glossy aanhangsels zijn er immers niet gekomen om de lezer te plezieren maar om adverteerders van luxegoederen aan te trekken. Die prullen staan vol mooie modepopjes met kleding die niemand van ons ooit zal dragen, vol vakantiebestemmingen waar wij nooit zullen komen, vol recepten van schotels waar je nauwelijke een holle tand kunt mee opvullen, vol restaurants waar wij nooit de benen onder de tafel zullen schuiven, vol wijnen die wij nooit zullen drinken vanwege veel te duur ofwel omdat de Chinezen er al lang mee weg zijn, vol prachtige villa’s die geen mens ooit kan bouwen, meubilair waar je niet wilt inkruipen omdat je rug niet verzekerd is, en vol prullaria die je absoluut in huis moet halen maar waarvan geen mens weet waarvoor ze in feite moeten dienen. Lifestyle, heet dat dan. Voor je weekendkrant, en dat ongevraagde en ongewenste bijvoegsel moet je dan wel 2,50 euro extra betalen. Zonde van het papier. Waarschijnlijk moet men daar die 63.000 ha zonevreemde bossen voor omhakken.
En om toch nog met een positieve noot af te sluiten: de Vuelta van Spanje (mijn winterland) was stukken spannender dan de Tour de France (mijn zomerland) dank zij de bompa van het wielerpeloton: Chris Horner, op enkele dagen na 42 jaar. Voor zover de man binnenkort niet betrapt wordt op doping, gaat hij ongetwijfeld de geschiedenis in vanwege zijn gevleugelde gezegde “Neem een biertje, installeer je achter je tv want de show gaat beginnen.” Verder vindt Horner dat hij te jong is om oud te zijn. Als mijn knoken nu ook nog mee wilden, zou die uitspraak mij nog op ideeën kunnen brengen.

Advertenties

Marktrock ja, Marktrock neen

Zalig zijn de Franse dorpen waar geen bar/tabac/presse te vinden is. En als dat er dan wel moet bestaan, laat het dan liefst zo’n petieterig bestoft winkeltje zijn waar men nog nooit gehoord heeft van het Nieuwsblad van twee dagen geleden en nog minder van de in Frankrijk gedrukte versie van Het Laatste Nieuws. Je bent tenslotte in het buitenland en je hoeft dan niet per se van naald tot draad te weten op welke domme manier het huwelijk van enkele BV’s weer op de klippen is gelopen of welke zanger op een Vlaamse kermis stomdronken van het podium is gedonderd. Neen, in zo’n plattelandswinkeltje koop je met veel genoegen de Midi Libre met op de cover een halve pagina grote foto van een koe die in een waterput is gesukkeld, mét lovende felicitaties voor de reddende afdeling ‘pompiers-sapeurs’. Binnenin vind je erg uitgebreide reportages over het lokale kampioenschap ‘kersenpit-spuwen’ of gedetailleerde beschrijvingen van een ‘vide-grenier’ alhier of een ‘fête d’agriculture’ aldaar. Geweldige vakantieliteratuur, die Midi Libre.
Gezegend zijn de oorden waar je van wifi verstoken blijft. Je zit anders toch maar je tijd te verdoen op facebook, alwaar je ‘vrienden’ je op de hoogte houden van de schoolresultaten van hun kroost, hoe slecht het weer in België alweer is, wat een mottig onding die ‘put’ op het Foch/De Somerplein toch maar is en hoe moeizaam en vooral traag de werkzaamheden op de Kapucijnenvoer worden afgehaspeld. In mijn zelfgekozen verbanningsoord aan de Hérault hoef ik niet te weten hoeveel en welke spelers OHL heeft aangekocht, hoeveel volk er op de Beleuvenissen was en wie zich tijdens Hapje Tapje alweer tot scheurens toe heeft volgepropt en nog veel minder waarmee dat gebeurd is.
Onder mijn schaduwboom durf ik dan wel eens heel diepzinnig in mijn glaasje rosé te staren en hoofdschuddend een meewarige ‘tss, tss, tss’ tussen de tanden te sissen. ’t Is ook altijd wat in Leuven. In mijn geliefde stad moet nog altijd de eerste scheet gelost worden waar géén salvo commentaren op volgt.
De mooiste discussie, die mijn zomer in het zuiden helemaal heeft goed gemaakt, was wel die rond Marktrock. Kolommen vol werden geschreven over de toch wel flauwe programma met de ultieme vraag: ‘Wat doet K3 op dat podium?’. Dan kwam het nieuws dat de stad haar financiële steun zou terugtrekken maar dat het festival nog wel mocht plaatsvinden. ‘Tobback heeft voor zijn beurt gepraat,’ oreerde mijn goede vriend Luc P. want die zette daarmee de herziening van het zomeramusement in Leuven op de helling. Komaan Luc, Tobback praat nooit – ik herhaal: nooit – voor zijn beurt. Hij bepaalt tenslotte zelf wie er mag spreken en wanneer.
Daarna verscheen er een open brief van de oude vzw waarin de naam en het merk ‘Marktrock’ geclaimd werd en dat men die naam maar beter niet meer gebruiken kan. Onafgezien of dit juridisch wel allemaal klopt, en dat die claim wel bijzonder laat komt, klonk de klacht van de in 2007 opgedoekte vzw bijna zo kinderachtig als de programmatie van K3. Je zou denken dat die mannen nu in alle rust ergens op een terrasje zouden zitten te genieten, tevreden terugblikkend op al het goede dat ze in het verleden gepresteerd hebben en dat het sinds hun verdwijnen nooit meer geëvenaard is. Niet dus. Als het eerste het beste oude-mannen-clubje komt men nu weer eens grommend uit de hoek. Met een belerend vingertje. Je zou haast vrezen dat er een verborgen agenda achter zit.
Als Marktrock-fan van het eerste uur ben ik die mensen eeuwig dankbaar voor hun inspanningen. Tot 1982 kon je op 15 augustus in je blote kont over de Bondgenotenlaan lopen zonder dat iemand het zou gemerkt hebben. Probeer dat nu nog maar eens zonder GAS-boete. Met veel nostalgie denk ik terug aan de toognachten met Miel V., Luc W. en Dirk L., met nog meer heimwee aan de gezamenlijke dromerijen met Jokke VO. en Jokke K. over de namen die we graag op de affiche zouden zien. Sommige daarvan hebben ook het podium gehaald, met Warren Zevon was het in 1996 bijna gelukt, Tom Waits, Bob Seger, Michael Franks en The Eagles waren spijtig genoeg net iets te duur.
Met even veel spijt heb ik moeten vaststellen dat Marktrock, net vanwege het spectaculaire succes, in de klauwen van de entertainment-industrie terecht kwam. Wie de affiche haalde, werd al lang niet meer boven de Oriënt beslist, maar wel ergens in Werchter.
Nu ik op een leeftijd ben gekomen dat ik niet absoluut niet meer hoef ‘geëntertained’ te worden, zorg ik ervoor dat ik op 15 augustus mijlenver van Leuven weg ben. Volgend jaar mogen de mannen van de voormalige vzw met mij meereizen.

De Tour baarde een muis

Passeerde ik onlangs toevallig langs het circuit van de 13de rit uit de voorbije Tour de France, ergens tussen Tours en Saint-Amand-Montrond. Onderweg leek het wel of die rit was hier niet op 12 juli maar pas gisteren voorbij gekomen, hoogstens eergisteren. Alom stonden nog de meest absurde constructies een fiets voor te stellen, de wegen waren nog altijd beklad met namen van wieleridolen, een molen wiekte nog steeds in rood, geel en groen, en je struikelde zowat over de resultaten van de uitsloverij vanwege de lokale agrarische sector onder het motto ‘creatief met strobalen’.
Die 13de rit van de Tour zal ik niet snel vergeten. Van in Corsica zat ik me constant af te vragen waarom ASO ruim 200 renners liet starten terwijl men aan vier spurters, twee klimmers en een rode lantaarn toch al ruim voldoende had. En dan kwam die waanzinnige etappe die mij, compleet gedegouteerd van alle drugsverhalen, weer met het wielrennen kon verzoenen. Ik kon mij heel dit rit voor de geest halen en kende het circuit zo goed als van buiten. Hier zie, op deze plek werd het peloton in waaiers getrokken. En kijk, daar had Valverde pech, en hier miste Froome het juiste treintje.
Jakkes, weer zo’n ellendig lange aanloop om u uiteindelijk aan Leo De Budt te herinneren. Neen, Leo was geen renner die in lang vervlogen dagen anoniem in het peloton figureerde, Leo was een cartoonist die onder zijn schuilnaam Buth het stripfiguurtje Thomas Pips tekende in de toen nog bestaande krant Het Volk. Voor de jongere lezers: een krant bestaat uit een aantal vellen bedrukt papier met tamelijk objectieve verslagen en uiteenlopende opinies waaruit en waarmee de pre-internetgeneratie zich een wereldbeeld probeerde te destilleren. Na Wereldoorlog II (voor het jonge grut: wij waren daar het slachtoffer van tussen mei 1940 en september 1944) tot in de jaren 60 bracht Het Volk in juli een speciaal Tourkrantje uit, waarin Buth zijn Thomas Pips en diens vrienden Lange Lo en Kilo liet opdraven als profrenners. Legendarische cols als de Aubisque, Peyresourde, Izoard of Galibier werden steevast afgebeeld als grimmig kijkende boemannen met enorme voorhamers in de hand om de renners plat te kloppen. Mooier was nog dat Buth in elke tekening een muisje wist te verstoppen. Het was dan ook elke dag zoeken waar die dekselse muis nu weer kon zitten.
Pakweg een uur na de ritaankomst rolden die ‘tourgazettekes’ van de drukpersen in de Gentse Forelstraat en vliegtuigjes dropten die dan zowat overal in het land. Elke snotneus die wilde meetellen, en dat wilden alle snotneuzen, deden hun uiterste best om aangeduid te worden als bezorger van dat krantje. Je moest daarvoor hard kunnen fietsen en hard kunnen roepen maar vooral moest je goed aangeschreven staan bij de lokale krantenboer. Zo leerden wij al op prille leeftijd hoe belangrijk goede connecties wel waren, lang voor het begrip ‘networking’ algemeen goed werd.
Als je tot dat selecte kringetje kon doordringen, kreeg je zo’n oranje petje met ‘Het Volk’ op de klep en een dito ‘musette’ waarin je de krantjes kwijt kon. Hoewel dat je enige beloning was voor het werk van de volgende drie weken, was je er toch apetrots op want er waren er maar drie anderen met hetzelfde. Tegen halfzes trapte je dan de ziel uit het lijf naar een open weiland, pakweg 3 km verderop. Dat werd elke dag afgebakend met vuurtjes, gestookt met veel groen hout om voldoende rook te ontwikkelen. GPS moest nog uitgevonden worden en piloten vlogen op het zicht. Als je het vliegtuigje hoorde aangeronkt komen, moest je wel snel wegduiken om het gedropte pak kranten niet op je knikker te krijgen.
En dan knalde je door de straten luidkeels roepend ‘Stanneke Ockers heeft gewonnen’ of ‘Bobet in het geel’. Als de ritwinst naar Hassendorfer, Defilippis, Nencini of Jean Forrestier ging, riep je gewoon ‘Tourgazetteke’ want die exotische namen bekten niet goed wat de afzet niet bevorderde. Als je ‘Fred De bruyne’ kon roepen, scheelde hem toch al gauw tientallen krantjes.
Maar wie ook gewonnen had, Thomas Pips speelde in dat krantje elke dag de hoofdrol. Of was het de muis van Buth? En daarom ben ik Leo De Budt eeuwig dankbaar want dank zij hem kijk ik elk jaar weer uit naar de start van die verdomde Tour de France. Dat plezier kan zelfs een Armstrong of een Roger Walkowiak me niet afpakken.

Berg met witte konijnen

Nu we het vorige keer toch over muziek hadden… Via rock-‘n-roll, folk en jazz kwam ik destijds bij klassiek uit. Dat weet iedereen die me een beetje kent en nu dus ook iedereen die me niet een beetje kent. Het is door de jaren heen zelfs erger geworden: intussen houd ik ook hartstochtelijk van opera. En dat is allemaal de schuld van mijn veel te jong gestorven vriend Richard Behets.
Na de meest onbeschrijfelijke avonturen in Ierland en Zuid-Afrika was die in de Muntschouwburg terecht gekomen, eerst als toneelmeester bij het Ballet van de XXste Eeuw, later in het operagebouw zelf.
Nu moet je weten dat ik – als fervente rocker – opera altijd heb beschouwd als een genre voor ouwe sassa’s en/of een geldverslindende hobby voor de hogere bourgoisie, wat wij destijds – progressief als we waren – graag schreven als ‘boerzwazie’. Uiteraard kende je het slavenkoor uit Aïda wel, want dat had het radioplezier uit je prille jaren verzuurd, en van Dorus wist je wel dat zijn ‘Figaro’ ergens uit een opera kwam. Voor de rest wist je niets van dat soort muziek en dat wilde je ook graag zo houden.
Richard was altijd wel goed voor een straf verhaal aan de toog. Hoe hij het had klaar gespeeld om les te geven aan de kunstacademie van Dublin. Hoe hij in Zuid-Afrika was verzeild geraakt en daar ervaringen in het theater had opgedaan. Hoe hij zowat overal ter wereld de enscenering voor Maurice Béjart moest klaar krijgen met alle problemen van dien. Hoe hij in een New Yorkse kroeg doorzakte met een Ier die achteraf een big shot bij de vakbond was en waardoor hij een ‘green card’ of werkvergunning wist te versieren. Kortom: een leven vol onverwachte en ongeplande toevalligheden maar die hij dan wel weer een draai in zijn voordeel wist te geven. Nu dus toneelmeester in de Munt.
Tientallen keren slaagde ik erin om zijn uitnodigingen om eens naar die Munt te komen af te slaan maar op een avond moest en zou ik mee naar zijn auto komen. Hij opende de koffer en daar zat een twintigtal witte konijnen in. “Voor het theater,” grijnsde hij. Dat overtuigde me om eens mee te gaan. We spraken af aan de artiesteningang, hij pikte me daar op en na een dwaaltocht doorheen een wirwar van enge gangen en smalle trappen werd ik een zetel geploft. Vòòr het doek huppelden die witte konijnen over de scène en uiteraard deden die wat je van konijnen mag verwachten, vooral als er wat rammelaars tussen zitten. “Als dat opera is, kom ik zeker nog eens terug,” was mijn eerste gedachte. Toen de muziek begon, vervloog die intentie al even snel als ze spontaan was opgekomen. Achteraf vernam ik dat ik ‘Wozzeck’ van Alban Berg had uitgezeten. Not my cup of tea!
Het heeft heel lang, veel nieuwe straffe verhalen en nog veel meer pinten geduurd vooraleer Richard me nog eens mee kreeg. Weer afspraak aan de artiesteningang en pas op het laatste nippertje binnen geraakt. Het doek ging al op toen wij nog achter de coulissen liepen op zoek naar een plekje. Tosca. Lag als iets beter in het oor dan Berg maar wist ik toen dat Puccini een van de grootste kleppers was, en later een van mijn favorieten zou worden. Wel een onvergetelijk hilarisch ogenblik: toen Tosca van de toren sprong, was het vangnet blijkbaar iets te sterk gespannen zodat ze – alleszins vanuit mijn standpunt – even terug omhoog bortste en weer boven de torentrans uit veerde.
Weer maanden later ging ik nog eens mee en toen reed Richard dik in de prijzen want toen begon ik er zin in te krijgen. La Clemenza di Tito van Mozart in een prachtige enscenering. Ruw geschat heb ik me toen maar de helft van het schouwspel verveeld.
Een jaar of wat later kreeg ik Don Giovanni van diezelfde Mozart voorgeschoteld, met een ongelooflijke José Van Dam in de titelrol. Ik wist niet was ik zag en nog minder wat ik hoorde maar ik was wel helemaal van de kaart. Dat was de laatste keer dat ik op uitnodiging van Richard een stap in de Munt zette. Daags nadien stond ik op de wachtlijst voor een abonnement en toen ik dat eindelijk had, begon het tijdperk Mortier/Cambrelain. Bedankt Richard!
En terloops: in oktober staat La Clemenza weer op het Muntprogramma.