Maidentrip met de kar

Vrijdag 29 juli 2011

Nog voor ik wist of ik ooit wel op weg zou gaan met ‘de kar’, lag het al vast dat we van 30 juli tot 13 augustus 2011 de vakantie, samen met Jan en Ria, zouden doorbrengen in een huurhuis in Ardentes, nabij Chateauroux.

Uiteindelijk had ik me nog gehaast om m’n rijbewijs C te halen en werd de kar klaar gemaakt. Uiteindelijk had ik Mieke zo ver gekregen om de verplaatsing in de camper te maken. Ze was er niet erg voor te vinden en dus kun je je wel voorstellen met welk lang gezicht ze die vrijdagochtend 29 juli instapte.

We raakten pas om half tien weg en daarmee viel de E40-drukte nog behoorlijk mee. Ook op de ring ging het vlot en in tegenstelling tot de vorige passage konden we nu zonder haperingen Waterloo voorbij snorren. Net voor het einde van de R0 in Ittre werd het ritsen in één rij.

Voor de allereerste keer nam ik de ring rond Mons om zo naar Maubeuge te rijden.  Net in de afrit van die weg zegt Mieke, die intussen achterin had postgevat: ‘Is het normaal dat ik hier met mijn voeten in het nat zit?’ Bleek dat de afsluiting van de watertank niet helemaal vast zat. Met het schudden was die helemaal los gekomen. Alle tapijten zeiknat. Dweilen dus. In de ogen van Mieke zag ik het negatieve puntentotaal van het reizen met de kar schrikwekkende hoogten scoren. In de overtuiging dat een ongeluk nooit alleen komt, en dat, eens je Murphy over de vloer hebt, er nog wel van alles fout zal lopen, en met een klein hartje verder gereden. Mieke staarde totaal gedesinteresseerd voor zich uit en ik wist één ding zeker: die wil nooit meer mee.

Avesnes, Vervins, Laon, Fismes, Dormans, Condé-en-Brie… alles dik in orde op een lokale omleiding van zo’n 20 km na. In Montmirail was het absoluut noodzakelijk te tanken aan het Total-station waar ik ooit met de motor ook al twee keer aan de pomp had gestaan. Volgooien maar zodat ik bij de volgende tankbeurt zou kunnen uitrekenen hoeveel de kar zuipt. Mooi naar de kassa en bij terugkeer van betalen zie ik een plas onder de kar vandaan stromen. Diesel! Die net € 1,385/liter betaalde brandstof zeikte langs de motor naar beneden en bleef maar stromen. Na enorm veel gehaspel ging die dekselse motorkap dan toch open. Een toevallige collega-tanker wist voor 100 % zeker dat alle ‘joints’ die maar in die Fiatmotor zitten naar de duivel waren en bezwoer me zeker niet te starten want heel het spel zou in de fik gaan. Tja, dat wilde ik nu ook weer liever niet. Intussen blokkeerde ik wel heel die rij pompen wat vanwege minder drukke belangstelling gelukkig niet zo erg was. De lieve mevrouw aan de kassa was bereid om naar een garagist te bellen en die zou weldra komen als ik nog ‘quelques minutes de patience’ wist op te brengen. De zon scheen, het was tamelijk warm, ik stond nat in het zweet maar Mieke’s onderlip zakte op een laagte die op geen enkele barometer voorkomt om de verschrikkingen van een nakend onweer te voorspellen. Ik zag onze eerste overnachting in de camper al gebeuren in een benzinestation, met de wielen in een plas diesel, en als diner niet het oorspronkelijk geplande etentje maar wel een prefab-sandwich uit de Total-shop. Op de kaart eventjes nagekeken of in Montmirail, of in de onmiddellijke omgeving een treinstation te vinden is zodat ik Mieke tijdig naar Leuven zou kunnen evacueren met medewerking van de SNCF en NMBS.

Bijna drie uur na het eerste telefoontje en een dik uur na het herinneringsbelletje komt er iemand in overall opdagen. De redding is nabij, het druppen van de diesel heeft intussen opgehouden. Wie weet hoeveel er van de 55 getankte liters nog overblijft? Er is zeker zeven tot tien liter weggestroomd. Die vent bekijkt de zaak eens grondig en bij elke ‘aiaiai’ die hij vanonder de motorkap uitstoot, schrompelt mijn hoop om ooit in Ardentes aan te komen nog wat meer ineen. En dan volgt een, zelfs voor mijn getrainde oren, mitrailleurvuur van onverstaanbare Franse zinnen waarbij vooral de woorden ‘trop-plein’ en ‘ça ira’ blijven hangen. Het heeft me dus meer dan drie tenenkrullende uren gekost om er achter te komen dat ik de bak van onze kar nooit helemaal mag vol gooien. Ik moest de man niets betalen maar stopte hem toch 20 euro in de hand voor ‘les frais de déplacement’ en dus maar weer verder.

In Villenauxe ontdekt dat er in Esternay, meer dan twintig kilometer eerder, een camperplek bestaat. Stomweg voorbij gereden, ook wel omdat ik niet tijdig m’n gids bekeken had. Volgende stop zou Nogent-sur-Seine moeten zijn. Daar zijn slechts 2 stelplaatsen voorzien op de parking aan de ingang van de camping. Tja, denk je dan, in deze tijd van het jaar zijn die natuurlijk ingenomen maar je kunt er toch maar beter eens passeren, desnoods voor een plek op de camping. Die ligt dik 2 km buiten de stad dus voor alle zekerheid maar aan de Proxi in Villenauxe gestopt om een noodrantsoen in te slaan. Terwijl Mieke nog naar de bakker is, komt die vriendelijke madame van de Proxi me vragen of ik geen stroom nodig heb want dan wil ze de kabel wel in het stopcontact steken. Een heleboel kennissen van me, zelfs mijn broer, hebben het niet zo begrepen op Frankrijk. Dat heb ik nooit gesnapt en vandaag, hier in een gat als Villenauxe, met deze goedhartige madame, snap ik van hun bezwaren en reserves wel helemaal geen snars meer. Mijn zwak voor Frankrijk wordt weer helemaal opgekrikt. Goed zo.

Wat er ook gebeurt: ik wil stoppen in Nogent. Mijn schouders doen pijn vanwege de ongebruikelijke stuurhouding en zitpositie, mijn nek staat stijf van het constant links en rechts in de buitenspiegels kijken, ik ben stik kapot van het extreme aandacht schenken aan de weg en de andere weggebruikers. We arriveren aan de camping in Nogent s/Seine – terloops gezegd: op de centimeter na correct zoals de coördinaten vermeld in Facile en Route – en daar staat toch wel niemand zeker. Meer nog, een half uurtje later staat heel die enorm grote parking, die ook voor de sportvelden en het zwembad moet dienen, poedelnaakt leeg. Op onze Dethleffs na.  Als aperitief kraken we een flesje witte Beaujolais, lekker koud vanuit onze kapotte koelkast die thans geanimeerd wordt door ingevroren water in plastic colaflesjes. Nooit voordien heeft een eenvoudige maaltijd van plakken ham, salami, paté en kaas, met daar een stokbrood bij, zo goed gesmaakt als daar in Nogent. Daarbij niet in de minste plaats bijgestaan door de buitengewoon lekkere fles Mercurey, één van de betere Bourgognes, die Mieke zich in de Proxi heeft weten te bemachtigen. Het leven kan mooi zijn.

Ondanks het gefoeter van Mieke, dat ze het toch maar triestig vindt om een laddertje van vier sporten te moeten beklimmen vooraleer zich in een – volgens haar – claustrofobisch aandoende slaapkooi te wurmen, valt ze als een blok in slaap. Ik trouwens ook. We hebben tenslotte per kop een fles behoorlijke wijn achter de kiezen.

Intussen waren we ook al tot de vaststelling gekomen dat mijn markeerlichtje, links achteraan, spoorloos verdwenen is en nog iets erger: de kraan in de keuken laat geen water door maar telkens je die pomp doet draaien, vloeien stromen water weg via het verwarmingssysteem. Weer iets om naar te (laten) kijken, eens terug thuis.

Zaterdag 30 juli 2011

De volgende ochtend om 9 u al weer op weg. Zalig toch, zo’n zaterdagmorgen in Frankrijk. Pas tegen half elf krijg je de eerste tegenligger te zien want dat is zowat het uur dat heel Frankrijk op een zaterdag ontwaakt. Je rijdt door dorpen zonder dat daar ook maar een kat beweegt, uitzondering gemaakt voor de elektronische borden die je op je snelheid wijzen en je daar met een groene glimlach of een rode grimlach voor bedanken/bestraffen.

Onderweg vertoont Madame Garmin enige nukken. Ze vertikt het om nog enige informatie door te geven. Mieke, au secours! Kijk hier op de algemene kaart, dat zijn de plaatsen waar we doorheen moeten. Kun jij nu op de detailkaart aanwijzen hoe we daarheen moeten? Dat lukt haar behoorlijk en ze is zodanig geconcentreerd bezig dat ze het niet meteen doorheeft dat Madame Garmin intussen weer haar diensten aanbiedt, zij het zonder geluid. En zo komen we dan toch heelhuids aan in Briare waar ik absoluut die fameuze constructie van Gustave Eiffel wil gaan bekijken. Het duurt eeuwen vòòr Mieke begrepen heeft dat er hier een kanaal over een brug over de Loire stroomt en dat die bootjes daarboven niet op wielen worden voortgetrokken. Mooi toch…

Iets na 15 u komen we in Ardentes toe en op de Place de la République draai ik de parking op waar ik met m’n kont zowat een autolengte over de afgemeten parkeerplaats uitsteek. Er is ook een café Saint-Vincent, mét terrasje. Daar is het iets aangenamer om op Jan en Ria te wachten. Een madame met een omvang van wel drie meter heet ons welkom, haar zoon giet ons een pastis in, een oude stamgast begint ons de oren van de kop te zagen. We laten het niet aan ons hart komen. Na een telefoontje weten we dat Ria nog maar net Auxerre buiten gereden is, m.a.w. volgens haar nog anderhalf uur rijden, volgens een vrachtwagenchauffeur aan de bar nog drieënhalf tot vier uur. Ik geloof die man eerder dan de iets te optimistische inschatting van Ria. Intussen heeft de dikke madame (weer zo’n vriendelijk mens) ons een hoop informatie komen aanreiken, wat we in de Berry zeker moeten gaan bekijken (Blijf weg uit Chateauroux want daar is nu eens niets te zien, vertelt ze) welke feesten we niet mogen missen, dat ze ooit in Luik op een Afrikaans trouwfeest is geweest, dat haar ene zoon in Parijs heeft gestudeerd en daar in oktober een goed betaalde job krijgt aangeboden en dat haar andere zoon de zaak runt want zij kan zich met haar zowat 150 kg nauwelijks nog bewegen en bovendien is ze diabetisch. Vijf levensverhalen verder komt daar toch een donkerblauwe Mondeo met Belgische nummerplaat de parking opgedraaid en na (in mijn geval weer) een pastis gaan we op zoek naar de Loges de Brenne. Als een volleerde trucker rijd ik achteruit de oprit in. Terloops: in een smal straatje met een sloot aan de overkant! Die nodeloos geachte rijlessen voor dat verdomde C-rijbewijs hebben dan toch enige nut opgeleverd.

De kar mag nu een beetje rusten. Mieke is blij dat ze van het gerammel verlost is en de hond kan weer eens als een gek door de velden rennen. Onze maidentrip zit erop. Ik zou liever verder naar het zuiden rijden want hier zit de grijze lucht potdicht en het blijft motregenen.

En hier staat de kar dan twee weken te niksen. Een paar nachten ga ik erin slapen, kwestie van het gewoon te worden.

Zaterdag 13 augustus

Na twee weken Brenne zit deze vakantie er weer op. Jan en Ria vertrekken ‘de bonne heure’ zoals dat heet, uit angst voor het zwart weekend. Wij iets later. Ik wil niet verder dan Auxerre rijden omdat de CP daar vlak bij het water én vlak bij het centrum ligt. Om de stemming er toch min of meer in te houden, wil ik met Mieke deze avond op restaurant en daar ontbreekt het in Auxerre niet aan. Moet het toch weer lukken dat er die namiddag wat te doen in de stad aan de Yonne. Alle parkeerplaatsen staan vol, zelfs de camperplekken zijn ingenomen en het is zoeken naar een vrije plek, meer nog, het is zoeken om door het gewoel heen te komen. Dus maar snel de stad uit en waar mogelijk stoppen om in de gids naar de dichts bijzijnde CP te zoeken. Gurgy zegt het boek en dus allen daarheen. Blijkbaar net op tijd want de tien plekken op het asfalt staan vol. Ik manoeuvreer een nog acceptabele plek in en meteen staat er een Nederlander mij te helpen en richtlijnen te geven. De man heeft ook een Dethleffs en wil deze wel eens van dichterbij bekijken. Graag gedaan, Piet. Intussen is Mieke al druk in gesprek met zijn vrouw Elly, daarin mede bijgestaan door Huub. Piet en Elly hebben ook twee honden maar ze hebben er maar eentje mee. Ze zijn van Leerdam en zijn op terugweg uit Spanje en Portugal. Dit is al de derde keer dat ze op deze plek komen staan. Vlak naast de plaats waar ik sta is een picknicktafel en die nemen we in beslag. Piet test voor de eerste keer in zijn leven de wonderlijke combinatie van pastis met een ijsblokje en een scheutje water. Het is geen meevaller. Voor hem. Intussen zitten Mieke en Elly aan de wijn. De mannen schakelen over op bier. Een gezellige boel wordt deze aperitiefperiode wel. Intussen loopt Mieke ook nog eens naar een verkoopstandje van wijn en laat zich daar meteen wat Chablis en rosé in de kleren naaien. Die nieuwe aankoop moet getest worden. Het wordt al maar later en op onze vraag of hier in de buurt een restaurant is, zegt Elly doodleuk ja maar dat zij nog voldoende in huis heeft voor ons vieren. Ze slaat aan het koken en wij dekken de tafel. Weer hebben we eens gegeten en vooral gedronken. ’t Is al een tijdje donker vooraleer we afscheid nemen.

Zondag 14 augustus

Die ochtend zouden we samen ontbijten. Op onze picknicktafel uiteraard. Elly moet toch wel goed boven haar theewater geweest zijn want deze morgen vroeg ze Piet wie de afwas had gedaan. Ze wist niet meer dat zijzelf dat de vorige avond nog gedaan had.

Na het ontbijt waren we weer op weg. In Moussy zouden we onze voorraad champagne aanvullen en ik dacht eraan om te overnachten in Mareuil sur Ay. Op onze weg daar naar toe passeerden we uiteraard in Montford-Lucy en dus moesten we wel stoppen aan Hôtel de la Place, onze vaste stek in die streek. We werden meteen herkend en we verontschuldigden ons dat we er niet zouden logeren omdat we nu met de camper waren en dat we toch wel wilden komen eten, enz. Geen probleem, zei madame, jullie kunnen hier toch op de parking staan. Zo gezegd zo gedaan. Wij stonden er goed en moesten alleen maar de parking oversteken om aan tafel te kunnen schuiven. Nadien nog wat aan de toog gehangen met de patron en die was vrij royaal met de afzakkertjes…

Maandag 15 augustus

Eerst geld uit de muur halen want  bij Veuve Godart & Fils in Moussy gelooft men nog altijd niet in elektronische betalingen. Meer dan drie weken vooruit op de verwachtingen was de oogst al volop bezig. In de zaak stond de tafel gedekt voor wel 30 personen en waren enkele vrouwen heel druk met kookpotten en bakpannen. De plukkers moeten te eten krijgen. Intussen voerden tractoren vrachten druiven aan en draaiden de persen op volle toeren.

Na onze aankoop ging het weer huiswaarts. In de namiddag parkeerden we in de Noormannenstraat. In de verte hoorden we nog het geraas van Marktrock. Daar waren we gelukkig aan ontsnapt.