Het meiske met het borsteltje

Nog voor ik haar ooit gezien had, leerde ik haar kennen. Fred Vansina was nog burgemeester toen haar aanstelling als stadsarcheologe door de gemeenteraad werd gejaagd. Elke stad die zichzelf een beetje voor serieus nam, had zo’n archeoloog/archeologe in dienst en dus kon Leuven niet achterblijven. Op zich was het – vooral politiek dan – een vrij ongevaarlijk postje en het stond goed in het stedelijk organigram.

En toen kwam Tobback met al zijn grootse plannen. Een eerste daarvan was de heraanleg van de Grote Markt. Schepen Dirk Robbeets was nauwelijks tegen te houden en wilde al meteen de kraanwagens en bulldozers laten aanrukken. Dat was wel even buiten dat jonge ding gerekend, dat nu ze officieel tot stadsarcheologe was benoemd, wel eventjes in de ondergrond van die markt wilde beginnen te woelen. En zo verscheen er vlak tegenover het stadhuis – het autoverkeer was toen nog niet van het plein verbannen – een grote bouwput, meters diep. Elke dag stapte ze voorzichtig de ladder af, de dieperik in, met haar verplichte veiligheidshelm op, met een truweeltje en met een borsteltje. Drie, vier keer per dag ging ik er een kijkje nemen, ook al om te vragen: ‘En, al iets interessant gevonden?’. Waarop altijd die ontwapenende glimlach en het laconieke antwoord: ‘Nog niet. Misschien zitten we nog niet diep genoeg’.

Wat ze er heeft gevonden – knekels en de fundering van een oude weg – zal waarschijnlijk intussen al neergepend zijn in lijvige rapporten die geen mens leest maar zo leerde ik haar ook in levende lijve kennen.

Bij diezelfde werkzaamheden aan de Grote Markt, stootte men aan de ingang van de Sint-Pieterskerk op een bijzonder goed bewaard gebleven graftombe van een of andere kanunnik. Veronique wist meteen wie het was en zij rukte weer uit. Wat Tobback tot de opmerking bracht: ‘Verdorie, daar is dat meiske met haar borsteltje weer’.  Het zal wel aan haar aangeboren charme en haar overtuigingstalent gelegen hebben dat hij desalniettemin die graftombe liet afdekken met een glazen plaat, mét verlichting toe.

Lag het aan die aangeboren charme, wie zal het zeggen, maar ze kreeg wel de belangrijke collectie van Gust Boschmans uit Holsbeek in handen. Bovendien mocht ze de kelders van het Vander Kelen-Mertens in gebruik nemen om daar een archeologische afdeling uit te bouwen, waar ze bijzonder trots op was en waar ze met oneindig veel geduld ettelijke schoolkinderen iets wijzer heeft gemaakt over de levenswijze van onze voorouders.

Het leek dan ook niet meer dan logisch dat zij haar voorgangster mocht opvolgen als conservator van het stedelijk museum. Nadat ze in de tuin van dat museum de grondvesten van het College van Savoye had blootgelegd, en er een Middeleeuwse tuin had mogen nabootsen, werden de borsteltje een beetje opzij gelegd. Zelfs toen men op het Fochplein op zoek ging naar de ‘sacoche’ van Louis’ bomma bleef het diplomatisch stil van harentwege. Het meiske met haar borsteltje was een madame zonder borsteltje geworden. Ze had immers het brandnieuwe Museum M te runnen. Zo klein en zo frêle maar toch zo verschrikkelijk groot. Dag meiske met het borsteltje, we zullen je missen en dat doen we nu al.

 

Advertenties

Reisverslag Spanje 2012 week 2

Vrijdag 20 januari

Gisterenavond, ik stond op het punt om in te dommelen, komt mijn jonge Franse overbuurman aankloppen, zijn laptop in de hand. Hij wil me een paar van zijn werken laten zien. Graffiti vind je overal maar sommige mensen weten er toch wel serieuze kunstwerken van te maken. In de laatste categorie hoort deze jongeman thuis. Hij heeft me gevraagd contact te houden via MYSPACE.FR SPIRYTONE.

Om het verhaal kort te houden: die gast is hier pas om kwart voor vijf opgestapt. ’s Morgens nietwaar… Mijn vaatje Beaujolais haalt met zo’n bezoekjes de Spaanse grens niet. Om zeven uur hebben alle vervloekte kerkklokken van de wereld, en die van Alet in het bijzonder, me uit het bed én de kater gehaald.

Het is bewolkt, het druppelt nu en dan en de wind steekt op. Vandaag verkas ik naar de kust. Wordt het Coullioure, Leucate of Port Vendres? Dat zal toch pas onderweg beslist worden, vrees ik.

In Quillan dacht ik even te stoppen om geld uit de muur te halen. Aan het station was geen enkele camperplek meer vrij en dus maar doorgereden. Even buiten Quillan begint een adembenemende kloof en het was weer prachtig om er doorheen te rijden te meer omdat er weinig verkeer was en dan heb je toch wel wat meer marge om eens rond te kijken. In Maury gestopt aan het postkantoor want ik had verdorie nog net één briefje van 5 euro op zak. In Rivesaltes kreeg ik een mooi uitzicht op de Canigou die een sneeuwbed over zijn kruin had. De doortocht van Perpignan verliep weliswaar in file maar zonder verkeerd rijden. Hartelijk bedankt Madame Garmin! Coullioure voorbij gereden omdat Inge me verteld had dat het niet gemakkelijk is om van de camperplek naar de stad te lopen en omgekeerd nog veel moeilijker want heel sterk omhooglopend. Dus maar doorgereden naar Port Vendres. Ook al geen succes. De camperplek is wel OK maar je moet wel een heel eind lopen tot in de stad. Er ligt een heel klein strandje tegenover de CP maar dat is zo vuil en ligt zodanig vol rommel dat je er de hond niet eens op wil laten. Het stadje is vrij industrieel (je moet trouwens langsheen de haveninstallatie lopen om er te komen) en dus is het bij wandelen gebleven.

Tegen de avond liep de plek behoorlijk vol, vooral Fransen die voor het weekend op stap waren.

Vertrek Alet 51.268 km

Aankomst Port Vendres 51.426 km

Gereden 158 km

Zaterdag 21 januari

In alle vroegte vertrokken en net niet vroeg genoeg om de incasseerder te ontlopen. Dus 4,80 € moeten betalen. Geen plek gevonden waar je de WC kon storten en dus even gedacht om in Le Boulou service te doen maar van zodra ik de wegwijzer naar Barcelona zag, maar weer eens van gedacht veranderd.

Na Girona een rare vaststelling moeten doen. Overal langs de kant van de weg zitten hoertjes maar wel in de bloody middle of nowhere. Rare manier om commerce te doen.

Barcelona kwam dichter bij en toen pas kon je goed zien dat de crisis in Spanje heel hard heeft huisgehouden. Overal grootscheepse openbare werken die er totaal onafgewerkt bijliggen en die hoogst waarschijnlijk nooit meer opgestart zullen worden. De Spanjaarden hebben dan ook wel heel erg boven hun stand geleefd, vind ik. Je hebt een autosnelweg (betalend) en daarnaast ligt nog vierbaansweg met snelwegallures en daarnaast nog eens een dienstweg ook alweer twee rijbanen breed. Tja, zo’n dingen kosten wel wat geld, vooral als je een beetje rotsen moet opblazen, bruggen bouwen en halve bergen verzetten.

En dan heb je Barcelona waar het ringweg op was, ringweg af, weer een stukje snelweg, weer naar ginds, weer naar daar. En dan plots sta je in La Palma de Cervello. Daar zou ik de kar kunnen achterlaten bij vrienden van Jo en Myriam. Ik stond daar al om 13 u maar zij kwamen er pas om 15 u toe.

Ze hadden erop gerekend dat ik enkele dagen in Barcelona zou blijven maar daar had ik niet veel zin in. Mijn kar stond 25 km buiten de stad en je mag nergens met de hond binnen.

Naar hun nieuwe appartement gaan kijken, en ja, dat was me wel een kast van een huis met langs drie verschillende kanten uitzicht op de jachthaven. En natuurlijk heel smaakvol ingericht.

Die avond terug naar Las Palmas gereden, pinten gaan drinken in hun voormalige stamkroeg en daarna naar de lokale Italiaan voor een pizza, rode wijn en nog meer pinten.

Jo wilde het niet té laat maken, zei hij, maar met de koffie en de grappa achteraf (tris) was het toch alweer 1 uur voorbij toen ik de poort van Juan achter me kon sluiten en m’n nest kon intrekken.

Aankomst La Palma di Cervello om 13 u km 51.659 km

Gereden 233 km

Zondag 22 januari

Huub heeft me heel de nacht wakker gehouden. In de verte zaten twee honden die niet ophielden met blaffen en dus kon hij niet achterblijven. Om half acht van pure miserie dan maar opgestaan, alles bijeen gescharreld en vertrokken.

De dag kondigde zich weer heel mooi aan en dat werd het dus ook.

Nog voor het middaguur was ik al in Peniscola aan camping La Volta. Een fijne plek vind ik. Hartelijk bedankt Guido uit De Panne om deze tip op het forum van Campersite te zetten.

Om kwart voor zes (’s avonds) zat ik daar nog in korte broek en in t-shirt, met alle ramen en deuren open. Er staan hier nogal wat Zweden en Duitsers. Tja, tegen 6 € per dag hoef je niet aan de kust te staan, te meer omdat ze hier allemaal wel de fiets of een brommer bij hebben.

Ik ging even kijken of Guido van Campersite hier nog zou rondhangen, wat duidelijk niet het geval was. Spijtig want ik had graag kennis met die mensen gemaakt.

Het grote nadeel van deze camping is dat de bomen er angstaanjagend dicht bij elkaar staan en dat je er met een beetje camper niet doorheen raakt. Die worden dan naar parking verwezen, een kiezelig stuk grond achteraan waar het bumper tegen bumper staan is en waar vooral Duits de voertaal is. Achteraan de camping heb je alle ruimte van de wereld maar je raakt er bijna niet. Alleen de kleinere campers kunnen daar een plekje vinden terwijl het er heerlijk staan is. Ik maakte kennis met een Bretoen die zijn shelty er kon laten los lopen omdat die daar toch niemand stoorde, misschien ook wel omdat die hond beter opgevoed is dan de mijne.

Nog een geluk dat ik in de Super U in Limoux Stella gekocht heb. Het was hier deze namiddag 24° in de schaduw. Gewoon een zalige dag!

Aankomst Peniscola La Volta om 13.30 u km 51.881

Gereden 222 km

Maandag 23 januari

Nog maar eens naar Eddy gebeld maar in Alfaz zit het kot boordevol. In plaats van nog enkele dagen in La Volta te blijven, naar Frey gebeld en volgens hem zouden er weinig problemen zijn om nog een plekje te vinden op camping Cap-Blanch. Tja, dan ben ik toch maar op stap gegaan.

Madame Garmin bracht me zonder problemen op de snelwegen die niet betalend waren, ze voerde me omheen Castello, Valencia en Gandia (hier had ik bijna Gandaham geschreven) maar in Calp ging het hopeloos de mist in. Ik zat hopeloos verstrikt in de wirwar van straatjes en raakte maar niet meer terug op mijn uitgangspunt. Uiteindelijk zat ik toch op het goede spoor, na zowat een uurtje rondtoeren in Calp.

In Altea ging het wel de goede kant uit en uiteindelijk reed ik de camping op. Onderweg had ik een nieuwe camperparking (betalend) gezien. Dus had ik een uitweg mocht het hier vol staan. Er was nog één plek vrij, helemaal achteraan de camping, en toen ik er eens stond wist ik wel waarom. De zon schijnt er maar één enkel uurtje per dag en de plek lag vol dennennaalden en vruchtjes van platanen. Kortom, dingen die zich heel erg graag in de pels van Huub verstrikken.

Ik zat net even in de zon te genieten van een Stella toen Eddy kwam aangereden. Een heel aangenaam weerzien, verdorie. Hij waarschuwde me voor de enorm hoge boetes die hier geïnd worden als je de hond op het strand laat lopen. Tot 2.000 euro als je op de verkeerde politieagent valt.

Samen met Frey en Fab iets gaan eten in El Sacristan en mij de steak met  frietjes goed laten smaken. Drie maaltijden + 2 flessen wijn + 1 espresso + 1 Irish coffee = 43 euro. Belachelijk goedkoop.

Aankomst Altea CapBlanch om 14.30 u km 52.179

Gereden 298 km

Dinsdag 24 januari

Pas nu maak ik kennis met wat de doorsnee toerist van een camping verwacht. Afgeboorde percelen, zelfs aangelegde tuintjes, bloemetjes en plantjes, bijgebouwen in zeil, alles erop en eraan. Mensen die zich in peignoir naar de douches begeven, mensen die hun afwas aan de kraantjes staan te doen, mensen die de hond uitlaten. Mooi, denk ik dan, maar Mieke zou ervan gruwen.

Hoewel dit een normale dag wilde worden, is het toch nog op een rampzalige datum uitgedraaid. Mieke belde met het nieuws dat Veronique, de conservator van museum M, een ongeval heeft gehad en dat ze hersendood is verklaard.

Woensdag 25 januari

Niets lijkt nog belangrijk omdat je constant aan het denken bent aan de betrekkelijkheid der dingen en dat je altijd maar afscheid dient te nemen.

De twee tegenoverliggende plekken zijn vandaag vrij, m.a.w. in de namiddag waren ze alweer bezet door een Brits en een Nederlands koppel.

Mieke belde dat de beademing van Veronique is stilgezet en dat ze dus overleden is. Wat heeft dan nog zin? Ik voel me zelfs een beetje beschaamd omdat ik hier mag zitten.

Tot in Albir gewandeld en de winkels gezien die er toe doen. Nu met Frey nog afspreken om daar met de auto heen te rijden want met hond + boodschappen dat eind te wandelen, is gekkenwerk. Erger is nog dat je er een plekje moet vinden om hem vast te binden want nergens kom je er met de hond in. Stomme Spanjaarden. Ils ne savent pas encore que Franco est tout à fait mort, zoals Brel zingt.

Donderdag 26 januari

Vandaag komt Eddy me oppikken om met zijn pa Louis en kameraad Ronny in de Sabor te gaan eten. Dat was toch goed 25 minuten wandelen naar de jachthaven van Altea. Die zaak wordt gerund door een Belg, samen met zijn zoon en dochter en ik begrijp waarom de tent helemaal vol zat en dat je er moeilijk in kan zonder reservatie. Het eten is er verdorie perfect. Een menu kost 15 euro maar daar krijg je dan een voorgerecht, hoofdschotel + dessert voor. Een fles rosé (Ronny bestelde dat) kost ocharme 9,50 euro. Een plankje reusachtige gamba’s + kabeljauw in witte wijnsaus + dame blanche = 15 €. Koffietje 1,20 €. En dan nog een pousse van het huis. Om maar te zeggen dat ik behoorlijk bij het mijne was want we hadden nog een tweede fles besteld en Ronny bleef toch lichtjes achter. Louis en Eddy bleven bij het water, zodat ik mag stellen dat ik toch iets meer dan een liter wijn binnen had.

Een praatje gemaakt met de Britse en Nederlandse buren en daar kwam uiteraard de box Beaujolais bij te pas.

Benidorm bastard

Wie het een jaar geleden voorspeld had, kreeg 100 procent zeker een dreun vol op de neus. Helaas is het onmogelijk om een touw te knopen aan de wijzigende psychologie van de ouder wordende mensheid. En dus zit ook ik nu ergens aan de Costa Blanca, die in deze tijd van het jaar iets meer waarheidsgetrouw Costa Pelo Canoso of Grijze Haren Kust zou mogen heten. Juist ja, ook ik heb het leger kalende en krommende gepensioneerden vervoegd dat de Noord-Europese winter ontvlucht in de Spaanse luwte. Een leven lang heb ik me kapot gelachen met deze jaarlijks weerkerende volksverhuizing van Benidorm Bastards die tijdelijk heel de kuststreek van de Middellandse Zee bevolken om samen met de zwaluwen weer noordwaarts te reizen.

Nu zit ik me te vergapen aan de oogst van artisjokken en appeltjes van oranje, verbaast het me dat de amandel- en krentenboompjes al in bloem staan, dat de bougainvillea en rozemarijn al bloeien, dat de zon heerlijk schijnt met temperaturen van meer dan 20°. Het is immers nog altijd maar januari. Van het thuisfront verneem ik dat het in Leuven al dagen lang grauwt, miezert en hagelt, terwijl ik hier in short en T-shirt rondhos. Daar staat tegenover dat jullie nog altijd naar de Gambrinus, ’t Poske of Jeezesboom kunnen voor een heerlijke drieëndertiger.

Alles is vorig jaar begonnen toen we in november al onder een sneeuwdek kreunden. De vieze brij begon me zodanig op de heupen te werken dat ik besloot om op de occasiemarkt een camper te zoeken, een mobilhome als je dat liever hoort. Ik vond m’n gading in een betaalbaar ding dat meer dan tien jaar oud was maar niet te veel kilometers op de teller had. Sindsdien heb ik me al vaak de bedenking gemaakt: was ik niet beter vanuit mijn zolderraam over de vale, natgeregende daken van Leuven blijven staren. Immers, de beginnersfouten stapelden zich op. Eerst had ik niet goed verstaan (of niet willen begrijpen) dat ik voor dit model een rijbewijs C nodig had en dat ik me dus vakkundig moest laten omscholen tot vrachtwagenchauffeur alvorens van de beloofde vrijheid te kunnen genieten. Dan ontdekt dat aan zo’n camper – door mijn echtgenote liefdevol ‘de kar’ gedoopt – zowat alles kan kapot gaan, en dat dan ook zal doen. Daarna weer ondervonden dat je er, als je er niet mee onderweg bent, ook een stalling voor moet vinden. Dan weer moeten ondergaan dat parkeerplaatsen in elke agglomeratie van West-Europa, tot in het kleinste dorp toe, niet op jouw kar berekend zijn en je dus naar de stadsrand wordt doorverwezen of noodgedwongen verder moet rijden. En dan moet je er nog rekening mee houden dat reglementair toegestane slaapplaatsen heel dun gezaaid zijn en dat je niet overal je vuil kwijt kan. Vrijheid? Mijn voeten!

Maar je hebt dat ding nu eenmaal en bij de eerste najaarsbui of herfststorm beginnen je knoken weer pijn te doen en de enige remedie daartegen – dat denk je toch – is zuiderse warmte en iets meer licht. En op een bepaalde dag beslis je dan maar om naar Spanje te rijden.

En dus zit ik hier tussen kale Nederlanders, grijze Duitsers, norse Noren en altijd jolige Fransen m’n tijd te verdoen. Het leven kan hard zijn.

 

 

 

Reisverslag Spanje 2012 week 1

Donderdag 12 januari 2012

Wat al zo lang op het programma stond, is dan toch gebeurd. Op weg naar Spanje! Of we daar ook zullen aankomen, laat ik helemaal in het midden want niet eens belangrijk. Onderweg zijn is belangrijker dan de bestemming.

Via Waver, Namen en Bouillon naar Sedan. Eén grote waterspiegel. De Maas stond buiten zijn oevers en had zich daarin van geen velden of weilanden iets aangetrokken. Dat bleek zo tientallen kilometers het geval.

Ik wilde de camperplaats in Dun-sur-Meuse weer even opzoeken. Daar stond ik in november nog en daar kun je de hond nog eens vrij laten lopen. Nu ligt die plek vlak aan de Maas en die stond voor drievierde ook onder de plomp. Ook aan de zijrivieren van de Maas stond men met de voeten behoorlijk in het water.

Verdun heb ik links laten liggen want die stad veroorzaakt altijd een droevige en opstandige sfeer. Je passeert daar langs de grootste waanzin van de mensheid, slagvelden waar honderdduizenden het leven lieten. En dan word ik telkens weer nog geen beetje pissig op maarschalken en andere generaals die de Europese jeugd genadeloos lieten afslachten, doodleuk om het thuisfront in het Frans, het Duits of het Engels te kunnen mededelen dat hun frontline tien meter was opgeschoven. Naar de ene of de andere kant want de kansen keerden elke dag. Totale waanzin!

Via een ommetje kwam ik uiteindelijk toch weer op de Voie Sacré terecht, de verbinding tussen Verdun en Bar-le-Duc met om de kilometer een paaltje met een Franse helm erop. In een straal van 50 km rond Verdun je de militaire begraafplaatsen nauwelijks uit de weg gaan. Overal liggen ze verspreid, de sobere Duitse kruisen, de helwitte Amerikaanse, de donkere Franse. Hier en daar een nationalistisch gedenkteken.

De camperplaats van Bar-le-Duc bleek net achter het station te liggen, de voor campers gereserveerde plekken stonden vol auto’s van pendelaars en de beloofde stroomvoorziening en andere faciliteiten bleken ofwel goed verstopt ofwel helemaal niet aanwezig. Erger was dat je er de hond niet vrij kan laten lopen en dus besliste ik maar door te rijden naar de volgende halte: Ligny-en-Barrois. Dat is een veel kleiner stadje, je staat er ook aan een kanaal en er is veel ruimte.  Het stadje heeft niet veel om het lijf maar er is wel een Turk waar je een kebab kunt afhalen.

Rond 21 u begon het te regenen zonder ophouden. Kwam er een auto op een camperplek staan; geen enkel probleem want ik stond er toch maar moederziel alleen. Ik bekeek een dvd maar in die auto begon duidelijk een heel ander verhaal. Waarschijnlijk een jong koppel waarvan het thuis (nog) niet mag, ofwel een anders samengesteld koppel waarvan het thuis al evenmin mag (kan). Hoe dan ook, de eerste dvd was gedaan en ik liet de verduistering een beetje zakken om te zien of het nog regende. Floepte in die auto ineens het licht aan en zag ik een paar witte billen boven het raampje uitkomen. Na twee minuten het licht weer uit. Waarschijnlijk was het te moeilijk om in het duister een of ander kledingstuk te kunnen verwijderen. Toen ik de hond nog eens uitliet, en verdorie het was toch al kwart voor middernacht, stonden ze nog van jetje te geven. Pas een uur later hoorde ik de auto wegrijden.

Km stand bij vertrek: 49.996 km

Aankomst Ligny en Barrois om 16 u op 50.245 km

Gereden: 305 km

 

Vrijdag 13 januari

Het was moeilijk slapen want net over het kanaal passeert een brug waar heel de nacht verkeer over raasde. Er was bijzonder veel achtergrondrumoer en ik vond duidelijk mijn draai niet. Voor zover ik me herinner, heb ik slechts tussen vier en zes een beetje geslapen. Al die andere tijd was het licht aan, licht uit, op de horloge kijken en twee keer Huub aanmanen tot enige rust. Die had het duidelijk ook moeilijk.

Rond 9.30 u weer op pad. Naar Neufchateau, Langres, Dijon, Beaune en Macon en zo naar de Beaujolais. Kwam ik toch voorbij in Domrémy, het zogenaamde geboortedorp van de zogenaamde Jeanne D’Arc. Een touristtrap waar zelfs Sarkozy zich heeft laten aan vangen maar dat is zijn zaak. Boven op de heuvel lag nog altijd het klooster waar Jean Blaute tijdens ‘De Bende van Wim’ op het orgel had gespeeld, en waar ze voor de schijn hun tentje hadden opgeslagen wat helemaal verboden is maar voor tv wel even kan.

Plots viel de boordverwarming uit. Alweer een doorgebrande zekering (30 A).

Dijon ging bijzonder vlot maar daarna begon de ellende, in de hoedanigheid van de Route des Grands Crus. Frustrerend is het wel om langsheen al die dorpen met magisch klinkende namen te rijden: Gevrey-Chambertin, Nuits-St-Georges, Vougeot,  Aloxe-Corton… Wijngaarden waarvan elke vierkante centimeter een klompje goud waard is en waardoor de producten ervan voor een doorsnee wijnliefhebber niet meer betaalbaar zijn. Je kan er alleen maar van dromen (als je tenminste kan slapen) maar er nog eens van proeven… vergeet het maar. Tenzij je het zelf niet moet betalen natuurlijk maar het aantal van mijn rijke vrienden is ook niet meer wat het ooit was. Die prachtige wijnen liggen nu opgestapeld bij een of andere té plots en veel té rijk uitgevallen Chinees, die die flessen alleen koopt voor de etiketten.

Als ultieme wraak ben ik in Vougeot gestopt en heb Huub tegen de wijnstokken laten pissen. Zo krijgen de Chinezen toch een beetje van onze Huub mee.

Beaune was ook vlot passeerbaar, vooral omdat ik het centrum – in dit geval – rechts liet liggen. Is uiteraard een absoluut te bezoeken stad maar dan liefst niet alleen en ook liever in een ander seizoen. In Chalon s.Saone was het aanschuiven en daar verloor ik heel veel tijd. Ik wilde naar Cluny want die naam heeft toch wel een bijzonder grote rol gespeeld in onze beschaving. Toen ik daar toekwam regende het ouwewijven en dat vond ik niet meteen de meest geschikte weersomstandigheden om met Huub een beetje doorheen de ruïnes te flaneren. Weer iets dat uitgesteld is tot later. Mieke zal zeggen: daar gaat hij weer met ‘je hebt het van ver gezien’.

In Macon besliste ik om niet, zoals gepland, doorheen elk dorp van Beaujolais te rijden dat een eigen appelatie heeft, maar door te rijden tot Saint-Jean- d’Ardières. Daar is een camperplek (annex France Passion) bij een wijnboer. De plaats was gratis maar niet goedkoop. Twee cubitainers van 10 liter + 2 kartons Morgon… Laps, al weer meer dan 120 euro kwijt. Als goede klant kreeg ik de elektriciteit wel gratis. Niet-kopers moeten daarvoor 5 euro ophoesten.

Nu stond ik daar wel heel mooi. Huub ook want die kon hier alle opgedane energie in een kilometerlange slalom van zich afwerken op het achterin gelegen weiland.

Km bij aankomst St Jean d’Ardrières 50.656 km

Gereden 355 km

 

Zaterdag 14 januari

Het is vaste koek dat ik maanden lang routes zit uit te stippelen om daar onderweg gegarandeerd van af te wijken. Nu ook weer, tegen beter weten in. En dus in een grote boog om Lyon heen en via St-Etienne en Le Puy naar Mende en Millau. Halverwege bleek Le Monastier een betere keuze dan Mende. Vergeten Madame Garmin de opdracht te geven om voor de snelste weg te kiezen en dus stuurde ze me doorheen een van de mooiste landschappen van de Cevennes en dat via motorwegjes om je vingers bij af te likken maar helaas niet meteen een cadeau voor een camper. De D88 doorheen de gorges van de Chapeauroux, roodkapje, een zegen voor de motorrijder, een plaag voor de camperaar. Maar wel fantastisch mooi, te meer omdat je nu doorheen de nog kale bomen wel de gorges goed kon zien. Tussendoor een pietluttig dorpje met de prachtige naam Nouveau Monde. Ik heb meteen de 8ste van Dvorak opgezocht op de iPod. Deze kronkelweg doorheen de Cevennes zou je in normale winteromstandigheden niet durven aan te vangen maar (dank zij de klimaatwijzigingen?) nu wel goed te doen was. Te meer omdat de zon het niet liet afweten.

Nu was ik van mijn oorspronkelijk geplande parcours afgeweken omdat ik al die Franse girotoireskotsbeu was geworden en ik vreesde dat er onderweg nog zo’n driehonderd van dergelijke hatelijke dingen op mij lagen te wachten. Helaas, wat ik hier voorgeschoteld kreeg was erger dan die 300 rotondes en in plaats van pal zuidwaarts moest ik nu nog een eind naar het westen. Uiteraard kreeg ik dan ook nog de laaghangende zon pal in de ogen, wat heel de toestand nog iets gevaarlijker maakte.

Hoe dan ook, ik kwam uiteindelijk in Le Monastier toe en wat blijkt? Enkele jaren geleden ben ik daar ooit van de A75 afgereden vanwege hoognodig tanken. In datzelfde Elan tankstationnetje werd je verondersteld jetons te halen voor de servicezuil op de camperplek aan het station van het hogervermelde Le Monastier. Helaas was dat tankstation dicht en bleek elke service afgesloten vanwege de winter.  In dit gat is geen winkel te vinden en dus moest ik nog verder rijden naar Marvejols om daar wat inkopen te doen. De Carrefour lag in het centrum en het was moeilijk manoeuvreren om er in te komen en nog moeilijker om er een plek te vinden en nog veel moeilijker om er weer uit te rijden.

Na een korte wandeling met Huub maar weer in de kou gezeten want het gaspeil is angstaanjagend geslonken en LPG is moeilijk te vinden. Dan nog liever in de koud zitten dan geen koffie meer kunnen zetten.

Morgen hoop ik in Alet les Bains aan te komen. Op de camping is er wel stroom, wel een warme douche en in het dorp zouden drie restaurants zijn. Ik wil eindelijk een degelijke maaltijd, een degelijk bad en een goede nachtrust.

Aankomst Le Monastier 16 u op 50.976 km

Gereden: 320 km

 

Zondag 15 januari

Voor de eerste keer had ik het buitenzeil over de voorruit gespannen. Gelukkig maar want het had deze nacht goed gevroren en zonder had ik nog zeker een half uur mogen krabben. Dat zeil is wel een omslachtige bedoening maar heel afdoend!

Ik zou in Alet mijn vriendin Inge opzoeken maar die zat met haar camper in Coullioure en pas dinsdag of woensdag weer in Alet toekomen.

Ik keek er weer naar uit om over de brug van Millau te rijden want ik vind dat nog altijd één van de mooiste kunstwerken uit de 20ste eeuw. Ik zag ze in de verte met een dicht mistgordijn eronder. En daar moest ik eerst doorheen vooraleer de eerste peilers opdoken. Mijn passage kostte € 9,60, niet veel duurder dan met de gewone auto. Le Caylar… daar heb ik niet zo op begrepen. Bochtig en vervaarlijk dalend. Zelfs met de auto of de motor ben ik daar nooit helemaal gerust naar beneden (en ook niet naar boven) gereden. Maar nu was het zondag en dus geen gerij en geen getoeter achter je gat als je maar 70 doet. Dus deed ik het tegen 50 km/u want zo voorgeschreven voor + 3,5 ton.

De ring van Béziers was een fluitje van een cent. Moet je dat eens in de week proberen… En dan is er Capestang, weer zo’n slaperig nest aan het Canal du Midi. Daar bij Intermarché gaan tanken. Langs een rustige weg naar Carcassonne gereden en ontdekt dat je maar beter eerst een stukje naar Limoux rijdt om dan vlak bij La Cité uit te komen. En ja, hier had ik moeten stoppen want zo te zien was er geen kat te bespeuren in dat oude stadsgedeelte.

Ook Limoux is blijkbaar een bezoekje waard. Is het niet voor de oude binnenstad dan toch voor de winkels. Al om 13.20 u stond ik aan de ingang van de camping. De zon scheen, het was zeer aangenaam wandelen. Ik heb zelfs buiten gezeten met een Stella! En daarna maar het vaatje Beaujolais aangevat, natuurlijk.

Aankomst Alet 51.268 km

Gereden 292 km

 

Maandag 16 januari

Pal op de middag was het buiten maar 2° C. Persoonlijk vind ik camping Val d’Aleth een droomcamping, misschien net iets te klein om rendabel te zijn maar net daarom erg gezellig. De exploitanten, een Engels koppel, hebben er duidelijk hun werk van gemaakt en er blijkbaar een stevige cent in geïnvesteerd. Nu ja, zelf wonen ze in een schitterend gerestaureerd huis dat deels verhuurd wordt als chambre d’hôtes.

Deze nacht heb ik geslapen als de spreekwoordelijke roos maar pal om 7 uur begonnen de kerkklokken te luien alsof het een verdomde hoogdag was i.p.v. een doodgewone maandag. En als je weet dat ik zowat in de schaduw van die kerktoren sta en dat we in een vallei zitten waardoor die klank nog versterkt wordt, besef je ook dat het wakker worden was, willen of niet.

Na de koffie eventjes naar de lokale ‘epicerie’ geweest en daar een brood gekocht en een pak suiker. Veel meer kun je er bijna niet krijgen. Van de drie beloofde restaurants is alleen dat van het casino open maar dat ligt een eind buiten het stadje. Alet zelf valt wel heel erg mee. Het is een middeleeuws centrum waarvan nog een gedeelte van de oude omwalling intact is gebleven. Voor de rest een wirwar van smalle straatjes met tot in de helft daarvan uitgebouwde voorgevels. Helaas, eens buiten die omwalling is het een troosteloze boel. Er is wel een buitenzwembad maar naar de beloofde thermale installaties heb ik vruchteloos gezocht.

Er zit hier een alleraardigste samenstelling van de Franse en Britse bevolking bij elkaar. Stuk voor stuk randfiguren, zoveel is wel duidelijk. Een kerel die vroeger ‘transport international’ deed maar nu van een uitkering moet leven. Een oud Brits koppel waarvan de man kreupel loopt en het vrouwtje de staanplaats betaalt met het poetsen van de toiletten en de rest van het campinggebouw. Dan heb je nog een rare getatoeëerde kwant in een mini-caravan, nog een andere rambo die deze ochtend in zijn marcelleke naar de wasplaats liep (het vroor verdomme) en die alleen met zijn hond in een opligger huist. Daarnaast nog een mooie grijze artistiek uitziende man met een enorme alpino, een heel dikke madame uit Wales met haar dochter die in een tent (!) wonen, een jong Engels koppel dat op doortocht is en nog twee Engelse koppels die hier voor langere tijd resideren. Verder staat er nog een grote caravan die op dit ogenblik niet bewoond is maar waar fier de Franse tricolore wappert en nog altijd – dag en nacht – de kerstverlichting brandt.

Het is duidelijk dat niet iedereen hier voor zijn plezier staat, erger nog, voor de meesten hier is het bittere noodzaak. Voor de rest leven we natuurlijk in de beste der werelden maar voor wie de mazen te groot zijn, helpt ons sociaal opvangnet niet.

Niet gereden

 Dinsdag 17 januari

Vandaag de eerste zwaluwen gezien! Nog geen gierzwaluwen, maar toch. Daar moeten we bij ons nog drie maanden op wachten. Het weer begint hier dan toch ook al een beetje lenteachtig te worden. Tegen 10 u kwam de zon erdoor en na een stevige wandeling met Huub heb ik m’n zeteltje maar uit de garage gehaald en zitten genieten van de zon. Dat is tenslotte de reden waarom ik zo ver naar het zuiden ben gereden. Anderzijds belooft een klare dag ook een koude nacht. Afwachten.

Spijtig genoeg heb je in dit dorp geen uitgestippelde en aangeduide wandelingen. Je slaat ergens een weg in waarvan je denkt dat je de hond hier los kan laten lopen maar dan ineens sta je daar weer voor een toegangspoort van een of andere villa en kan je weer op je stappen terugkeren. Is niet leuk maar op die manier raak je ook wel aan je aantal kilometers.

Eens de zon uit de vallei verdwenen is, zakt de temperatuur meteen met minstens 15° en dan duik je maar beter weer naar binnen.

Iets na 21 u een klop op de deur: Inge, net terug van haar uitstap naar de kust. We hebben een eind zitten kletsen over haar toekomstperspectieven, plannen en amibities. Het project Rennes-Château is duidelijk van de baan. Morgenavond krijgt ze bezoek van haar voormalige buren uit Herent.

Niet gereden

Woensdag 18 januari

Het heeft deze nacht behoorlijk goed gevroren maar de zon is er nu weer helemaal doorgebroken. Met Inge naar Limoux gereden, boodschappen gedaan en gas gaan tanken. Nog een geluk dat ik een aansluitstuk had voor Frankrijk want anders was dat noppes geworden.

Inge had het druk want vandaag komen haar nieuwe gasten toe. Toch tijd gevonden om een koffie te gaan drinken in de Galerie des Anges, gerund door een Brits koppel en gelegen in de voormalige gebouwen van de thermen. Blijkt dat die nooit helemaal afgewerkt zijn en eigenlijk nooit in gebruik werden genomen. De madame in kwestie schrijft gedichten, beeldhouwt en schildert. Haar pastelwerkjes met steeds weerkerende engelen en haar zeemzoete gedichtjes, begeleid door zweverige muziek, is niet meteen ‘my cup of tea’. De koffie daarentegen was excellent want Lavazza. We hebben daar dik twee uur en half lekker in de zon gezeten en een heel goed, tamelijk diepgaand gesprek gehad. In het parkje voor die thermen staat een levensgroot gietijzeren beeld van een leeuw. Huub zag daar concurrentie in en bleef er maar tegen blaffen. Gelukkig reageerde de leeuw niet.

Terug op de camping heb ik de jongeman met zijn rastakop uitgenodigd voor een biertje. Blijkbaar was ik behoorlijk in vorm want die gast is hier pas rond 22 u weer vertrokken met een stevige voorraad Beaujolais achter de kiezen.

Niet gereden

Donderdag 19 januari

Morgen wil ik hier wel vertrekken, een beetje meer naar de kust. De mogelijkheden om Huub hier los te laten lopen zijn iets te beperkt en dat vindt hij helemaal niet leuk.

Dit is weer een verschrikkelijk luie dag geworden. Tot 14 u was het zonnig en toen begon de hemel te betrekken en een tijdje zag het er naar uit dat we een bui mochten verwachten.

De Britten blijven hier toestromen. Sommigen blijven maar een nacht, anderen nestelen zich hier voor een flinke tijd. Met een Welshman gesproken die vorig jaar nog in de Westhoek was om naar het graf van zijn grootvader te gaan zoeken. Hij was vooral in onze Huub geïnteresseerd want hij dacht verkeerdelijk dat het een terrier was.

Met Inge naar hààr Rennes-Château gereden. Qua grootte heeft het dorp niet veel om het lijf maar het uitzicht dat men daar heeft, vindt men maar zelden ergens anders terug. Buitengewoon (maar dan wel met twee spaties tussen de letters en liefst in hoofdletters). Het mythische en mystieke Rennes-Château was eergisteren (17/1) haast onder de voet gelopen door allerlei halfzachte zwevers vanwege les Pommes Bleus. Schijnbaar staat de zon die dag in een zodanige stand dat t.o.v. de brandglasramen in de kerk dat er blauwe appels zichtbaar worden. Eens opzoeken. Ook de titel en de schrijfster van dat boek rond Rennes, ergens in mijn bibliotheek, want dat wil ik nu wel eens herlezen.

Hoe dan ook, Inge is goed verkocht aan Rennes en wil hier (of de buurt) nooit meer weg.

Nadien zijn we hier nog naar een gehucht gereden waar ooit een Isis-tempel zou gestaan hebben waar dan een romaans kerkje overheen gebouwd is. Mon dieu, ook daar was het weer een uitzicht om U tegen te zeggen. Je kon tot in Carcassonne, én verder, zien. Enig! Gelukkig moest ik die weg niet doen met de kar. Die zou het niet overleefd hebben.

Nadien zijn we in lokale epicerie, annex tea-room/bar, een fles lokale wijn gaan drinken: le vins des chasseurs, heet het spul, maar het was wel best te pruimen. Nadien zijn Ann en Walter nog langsgekomen, de gasten van Inge en blijkt die Walter een broer te zijn van Sante. De wereld is slechts een muggenscheet groot.

Nieuwjaarke zoete

 

Ik ben niet helemaal zeker of er wat aan de hand is met door mij ooit duur gezworen eden maar de toenemende labiliteit ter zake begint me toch wel wat zorgen te baren. Nog maar net had ik er eentje gebroken wat publicatie van teksten betreft – met het gevolg dat u dit hier tweewekelijks over u heen krijgt – of daar ging er alweer eentje behoorlijk de mist in. Zo had ik me voorgenomen om voor de rest van mijn dagen alle koude drukte rond nieuwjaarsrecepties te mijden als de pest. Een beetje uitleg daarbij. In een vorig leven dacht ik beroepsmatig verplicht te zijn om alle nieuwjaarsrecepties af te schuimen, zogenaamd op zoek naar nieuws dat er nauwelijks te rapen viel. Een bepaald jaar stond de teller op 16 en dat was zelfs voor mij vér over de limiet. Je liep constant dezelfde mensen tegen het lijf, je schudde dezelfde kleffe handjes en je werd bedolven onder al even kleffe als ongemeende heilswensen. En stelselmatig bleef je, samen met de rest van het journaille, als allerlaatste overeind om de laatste Stella achterover te drukken en het licht uit te doen.

Voldoende redenen dus om korte metten te maken met die jaarlijks weerkerende hocus pocus, vooral nu de leeftijd dat ook al weer minder toelaat. Helaas moest de gewillige geest het ook nu weer afleggen tegen het zwakke lichaam. Er speelde uiteraard één argument mee waar een beetje nieuwsgierige oud-journalist niet onderuit kan. Dit gezegende jaar is niet alleen een schrikkeljaar maar in 2012 zijn er ook verkiezingen en ik wilde toch wel weer eens meemaken hoe zowel de gevestigde als de aspirant stadsbestuurders zich in de kijker wilden werken. En dus ruilde ik jeans en trui in voor een in bepaalde kringen meer geaccepteerde outfit en liet me meetronen naar de receptie van de ‘gestelde lichamen’. Waarom dat zo moet heten, mag Joost en heel zijn familie weten. Ik veronderstel dat er daar dan ook ‘ongestelde lichamen’ tegenover staan. Dames met maandstonden, misschien?

Hoe dan ook, de fine fleur van de Leuvense samenleving had weer verzamelen geblazen. Bollebozen uit de academische wereld, mensen uit het bankwezen waar je het niveau van hun premie op het gezicht kon aflezen, vermoeide zelfstandigen die de nieuwjaarsdrukte nog moesten verwerken en vooral veel militairen die voor de gelegenheid hun zondags uniform uit de mottenballen hadden opgevist. Mooi volk, kortom.

Zoals te verwachten, waren het vooral onze vroede gemeenteraadsleden die de meeste aandacht naar zich toetrokken en als vlinders door de zaal fladderden en vooral bij de (ex-)collega’s van de schrijvende pers een wit voetje probeerden te halen. Glimlach van oor tot oor, schouderklopjes om heel je ruggengraat dooreen te schudden, en een stevige handdruk die de schijn hoog moest houden dat ze blij waren je weer te zien.

Opvallend was ook dat men blijkbaar beter kon opschieten met raadsleden uit andere politieke formaties terwijl partijgenoten straal genegeerd werden of erger nog, met priemende blikken werden doodgebliksemd. Opstekende zenuwachtigheid, voorwaar, want in bepaalde politieke clubjes blijkt het niet zo goed te boteren. Nog tien maanden te gaan en de messen worden nu al gewet, gevechtsuitrustingen aangetrokken en oorlogskleuren opgeschilderd. Niet zozeer om het Fort Tobback aan te vallen als wel om onderling enkele stevige muilperen uit te delen.

En zo belooft 2012 toch nog een verdomd interessant jaar te worden.