Amsterdammertjes en terrasmeubilair

’t Is 5 november. De chrysanten van Allerheiligen zijn nog niet verwelkt, de pompoenen van Halloween liggen nog niet op de composthoop en op de Grote Markt timmert men alweer een kerststal in elkaar. In het straatbeeld duiken weer hoogtewerkers op en mannetjes die in een Olympische recordpoging om het snelst proberen lichtslingers over de straten te spannen. Nu mogen boomkwekers uit Bertrix en omgeving hun plantages van Abies nordmanniana of Picea abies weer leeghalen en betalen we ons blauw om een kerstboom in huis te halen. Gelijktijdig wordt het weer een stressvolle periode voor fabrikanten van kerstballen, slingers, engelenhaar, spuitbussen met kunstmatige sneeuw, rode linten, verpakkingspapier en wat dies meer zij. Bestellingen kunnen nauwelijks gevolgd en leveringen amper tijdig uitgevoerd worden. Nog een paar dagen en van overal komt de honderdenelfde versie van ‘White Christmas’ weer onze oren teisteren, we struikelen over rode lopers, iets te breed uitgevallen dennentakken en overal in de weg lopende Kerstmannen. De jacht op nutteloze cadeautjes voor dierbaren, die de rest van het jaar geen glimlach waard zijn, is weer open verklaard. Geloof het of niet, maar mijn Stella begint nu al lichtjes de weeïge geur van Glühwein en warme chocolade aan te nemen. Het zal geen decennia meer duren vooraleer de periode van kerstkoopjes Sinterklaas heeft ingehaald op de kalender.

Voor veel mensen breekt nu de mooiste tijd van het jaar aan en hoewel ik met alle respect hun mening niet deel, is dat voor mij ook wel het geval. Immers, eens onze klokken een uurtje worden bijgesteld, begint het bij mij verschrikkelijk te jeuken. Dan wil ik zo spoedig mogelijk de zwaluwen achterna, hoewel die al enkele maanden geleden naar hun overwinteringoorden zijn vertrokken. En dus worden de landkaarten van Zuid-Frankrijk, Spanje en Portugal weer op de tafel uitgespreid, reisboeken uitgevlooid en het internet afgespeurd. Nog even een beetje wegdromen en dan weer echt de hort op.

Wat dezer dagen ook aan overwintering toe is, zijn de stapels terrasstoelen en –tafeltjes. Tijdens de zomer zetten die ons uitnodigend aan tot enige consumptie en vriendelijk gekout maar nu staan ze er mistroostig opeengestapeld bij, met een zeil eroverheen. Terwijl je tijdens de zomer in Leuven goed moet uitkijken waar je voeten te zetten op het kilometerlange terrassencircuit, is het nu opletten dat je jezelf niet te pletter loopt tegen zo’n stapel die de volgende maanden een ondeelbaar onderdeel wordt van ons straatmeubilair.

Nog zo’n stukje straatmeubilair dat deze week ter sprake kwam: amsterdammertjes. Een oude vriend van me doet ’s nachts geen oog meer dicht omdat zijn slaapkamer op de begane grond ligt. De straatweg en zijn hoofdkussen zijn enkel van elkaar gescheiden door een raam, een verhoogde stoeprand en een stoeppaal. Dat paaltje is al enkele keren gesneuveld. Hij en zijn vrouw liggen nu elke nacht te wachten tot een of andere snelheidsduivel zijn bolide hopelijk nog net aan het voeteneinde van het bed gestopt krijgt. Want, vertelt mijn maatje, mijn vertrouwen in zo’n amsterdammertje is niet al te groot.

Sinds die dingen in plaatstaal worden gemaakt zijn ze misschien wel wat minder schokwerend dan hun historische voorgangers.  En nu, dames en heren, een kort lesje geschiedenis. Toen de Oost-Indische Compagnie in de 18de eeuw min of meer op de fles ging, werden heel wat schepen onttakeld. De zware gietijzeren kanonnen kregen een nieuwe bestemming. Ze gingen, met de loop naar boven de grond in, werden opgevuld met zand en afgedekt met een kanonskogel. Ze moesten gevels van hoekhuizen en inrijpoorten beschermen tegen minder handige wagenmenners en koetsiers. Later tegen foutparkeerders. Toen de kanonnen waren opgebruikt, ging men die dingen industrieel maken. Nu gebeurt dat in Zelhem, in de Achterhoek van de provincie Gelderland, met de enige machine in de wereld die het aankan om die schamppaaltjes op grote schaal te produceren. Amsterdam was er als eerste mee begonnen en daarom heten die dingen niet ‘achterhoekjes’ of ‘zelhemmertjes’. En ook geen ‘leuvenaartjes’ of ‘petermannetjes’ bij ons, hoewel ons stadswapen erop prijkt.

Hoewel die amsterdammertjes bij honderden tegelijk ons straatbeeld sieren, ken ik in Leuven nog altijd maar één echte Amsterdammer: onze eerste schepen/voormalig staatssecretaris Carl Devlies. Die werd namelijk geboren in de grachtenstad aan de Amstel. Hij heeft nu weer zes jaar de tijd om het predikaat ‘Gietijzeren Carl’ te verdienen.

 

 

Dom en arrogant

Met een fanfare en tientallen rode vlaggen voorop, afgeschermd door een meute onguur uitziende veiligheidsagenten, komt Tobback de dag van de verkiezingen door de poort van de Proletaar naar buiten. Via de Vismarkt en de Schipstraat gaat het in stoet naar het stadhuis waar 9.920 wild enthousiaste supporters voor hem de Internationale aanheffen. Hij beklimt de trappen naar de Gotische Zaal. Aan het middelste raam is al maanden geleden een opstapje getimmerd zodat hij in volle glorie voor zijn volgers kan verschijnen. Hij strekt de armen uit in een papaal gebaar en net vòòr ik ‘Dàt doe je toch niet, Louis!’ kan uitschreeuwen, schiet ik wakker uit mijn nachtmerrie. Was dat even schrikken, zeg. Oef, ik heb me niet alleen van persoon maar ook van stad vergist. Gelukkig maar.

Leuven is tot aller blijdschap van zo’n kwade droom gespaard gebleven – wat van elders niet kan gezegd worden. Toch hebben wij, inwoners van deze kleine vlek tussen Wallonië en Nederland, de voorbije weken een stevige dossis misprijzen, eigendunk en arrogantie over ons heen gekregen. Alsof Conscience zijn boek ‘Baas Gansendonck’ niet in 1850 maar pas nu heeft geschreven of er toch minstens enkele hoofdstukken aan heeft toegevoegd. Zo heb ik me ontiegelijk zitten ergeren aan Lance Armstrong die met valse flair een bijeenkomst van zijn anti-kankerstichting verzekerde dat hij slechts enkele moeilijke dagen achter de rug had. Blijven doen alsof je neus bloedt terwijl je in de door mij zo geliefde Alpen en Pyreneeën zo goed als pure EPO hebt gepist. Hoe ver moet je jezelf al voorbij gelopen zijn om zoiets te durven zeggen? Nog erger waren de reacties van de onverbeterlijke Hein Verbruggens en Pat McQuaids van deze wereld. Die deden alsof hun neuzen nog erger bloedden dan die van Lance. Hoe arrogant kan je zijn om de mooiste der sporten zo doelbewust naar de kloten te helpen?

De prijs van ‘Grootste Lafbek van het jaar’ gaat ontegensprekelijk naar Steven Odell. In zijn functie kon die de moed niet opbrengen om de eigen werknemers onder de ogen te komen en dus deelde hij de sluiting van de Genkse autofabriek maar in Brussel mee. Odell was niet arrogant, wél de Amerikaanse raad van bestuur – de aandeelhouders van Ford, dus – die hem daarvoor dan ook nog bedankte met applaus, een miljoenenpremie en bijkomende zeggenschap over het Midden-Oosten en Afrika. Eventuele Ford-arbeiders in die regio zijn alvast gewaarschuwd.

Wat hadden we nog? Jan Fabre natuurlijk, de man waarvoor zelfs in het koninklijk hof kwistig met het wierookvat wordt gezwaaid, en die in een vlaag van vrije artistieke expressie een beetje met katten moest jongleren. Of hoe je als erkend en groot kunstenaar – want dat is hij natuurlijk wel – toch verschrikkelijk naast je schoenen kunt lopen omdat je nooit voordien kritiek te slikken kreeg. En tot het vaste kliekje van kunstpaus Jan Hoet mag gerekend worden.

Wie kleurde nog behoorlijk buiten de lijntjes? IMF-topvrouw Christine Lagarde, natuurlijk. In het Kortrijkse bijhuis van onze KU Leuven kreeg dat mens een ere-docotraat opgehangen en bij die gelegenheid hekelde ze ons Belgische index-systeem en dat we daar maar beter zo snel mogelijk komaf mee maken. Wat blijkt? Het hardnekkig geheim gehouden loon, plus de torenhoge onkostenvergoedingen, van Madame Lagarde zijn zelf gekoppeld aan mogelijke indexsprongen. Hoe lang dulden wij nog dat het soort volkje, dat zich boven alles en iedereen verheven voelt, ons in het gezicht spuwt?

En dan had je nog Unizo, VOKA, Agoria, VBO, VEV en tutti quanti die op de kap van de ontslagen Ford-arbeiders een vurige pleidooi voor eigen winkel hielden en doelbewust leugentjes over de afschuwelijk hoge loonkosten in dit land de wereld instuurden. Die loonkosten bedragen 40 % klonk het zeer beslist, terwijl studiediensten en gerenommeerde professoren met cijfers van 4 tot 5,5 % uitpakken.

Bertrand Russell schreef ooit: ‘Wijze mensen zitten vol twijfels terwijl de zelfingenomen zekerheid van dommeriken de fundamentele oorzaak is van alle kwaad in de wereld.’ Domheid en arrogantie gaan vaak hand in hand. Fabre een pak slaag geven of een varkenskop aan de deur van een toekomstig burgemeester leggen, is oerdom en dus even arrogant.