Blijven hangen

Het is weer de periode dat je geen krant of tijdschrift kunnen openslaan, geen tv-uitzending kunt bekijken of er duikt wel ergens een lijstje en/of jaaroverzicht in op. Eigenlijk heb ik daar een gloeiende hekel aan maar gezien het hier voor het eerst sinds maanden weer eens regent, en je dus verhinderd bent om lekker buiten op je terras zitten na te denken, moet je dat binnen bij het gaskacheltje doen. Dan vliegen de gedachten nogal snel een eind noordwaarts, haal je herinneringen op aan de paar maanden dat je verbleef in de Lage Landen aan de Noordzee waar op dit eigenste ogenblik het dagelijkse leven totaal ontregeld wordt en in het honderd loopt vanwege een handvol vals romantische sneeuwvlokken. Bovendien is het vandaag 11 december, de verjaardag van m’n dochter Ann. Mocht die in 1982 het gezegde ‘Napels zien en dan sterven’ niet zo letterlijk hebben genomen, zouden we vandaag haar 52ste verjaardag gevierd hebben.

Allemaal geschikte omstandigheden om op een dag als deze de muizenissen in je hoofd de vrije loop te laten. De vraag die ik het afgelopen jaar – eigenlijk pas de laatste maanden – hier in mijn oord van overwintering het meest te horen kreeg was: “En heb je het deze zomer in België een beetje kunnen overleven?”. Waarmee in vredesnaam kun je daarop anders met enige twijfel op repliceren als met een terughoudend “Goed zeker”. Je hoeft de mensen immers niet meteen lastig te vallen met het feit dat je echt wel een rotzomer achter de rug hebt. Het begon al meteen in juni – ik was nog maar twee dagen weer thuis – en daar stond ik al aan het sterfbed van mijn zeer intieme vriend Eddy. Je hebt diens begrafenis nog niet helemaal verwerkt, en net vòòr ik weer naar het zuiden wilde vertrekken, moest ik dan nog eens voor altijd afscheid nemen van m’n dierbare kameraad Mark, plots overleden op zijn geliefde Griekse eiland. Neen, die zomer van 2017 was niet meteen de fijnste die ik me kan herinneren.

Ach ja, ik weet ook wel dat met het ouder worden wordt je persoonlijke verdwijnlijstje almaar langer wordt en het rijtje overlevenden almaar minder bevolkt. Een wetmatigheid met spijtige gevolgen. Zoals Brel het zegt in “Les Vieux”: “Ils ont peur de se perdre et se perdent pourtant (…) celui qui reste se retrouve en enfer.” En verdomme toch, zelfs al geloof je niet in god noch zijn gebod, dan voel je toch eventjes de verschroeiende hitte van de hel heel nabij van zodra je dierbaren moet missen. Je zit voor een tijdje toch minstens in een mentaal vagevuur, zeg maar.

Door een stom toeval – waarover later meer – ben ik er na bijna zes maanden eindelijk achter gekomen waarom uitgerekend die twee sterfgevallen zo alles overheersend tussen m’n oren bleven zitten. Twee totaal uiteenlopende persoonlijkheden die, mochten ze elkaar ooit ontmoet hebben, een bloedhekel aan elkaar hadden overgehouden of toch minstens elkaar totaal onverschillig hadden gelaten. En wat had ik er eigenlijk mee te maken? In niets, maar dan ook niet voor het minste greintje, heb ik met hen ook maar één karaktertrek gemeen. Waarom reken ik hen dan bij mijn beste vrienden?

Even terug naar dat stomme toeval. De laatste dag voor campingmaatje Jos weer naar België zou vertrekken, reden we samen naar Albir. Een hapje eten. Ergens onderweg maakte hij een schampere opmerking over een oudere man met lange, grijze haren in een paardenstaart gebonden. “Kijk, een hippie die is blijven hangen in de jaren 60,” grijnsde hij. Van Tobback kun je zo’n sneer verwachten; die kan zijn afkeer voor soixante-huitards nauwelijks verbergen. Van Jos – tenslotte maar vijf jaar jonger dan ik – snapte ik die opmerking niet. “En ik dan?” vroeg ik hem want tenslotte ben ik nog altijd een soort verwaaide hippie. Ik wees hem erop dat paardenstaarten bij mannen pas in de jaren 90 in de mode kwamen want in de jaren 60 liet het langharige, werkschuwe tuig toen de manen nog losjes wapperen. Verder dan die historische terechtwijzing kwam ik op dat ogenblik niet maar zijn opmerking bleef me de voorbije maanden wel constant plagen.

Pas vandaag, denkend aan de verjaardag van m’n dochter (fabricagejaar 1965), valt mijn nikkel. Pas vandaag snap ik wat de bindende factor was tussen Eddy, Mark en mezelf: de jaren 60. Alle drie hebben we die periode totaal uiteenlopend ervaren, beleefd en doorleefd. En net als die grijsaard met zijn paardenstaart zijn we er alle drie in blijven hangen. Elk op zijn eigen manier weliswaar. Die jaren 60, voor ons prille twintigers zo’n beetje Sturm und Drang, de periode waarin eindelijk een streep werd gezet onder de ouderwetse waarheden. ‘This is the Age of Aquarius and Love will rule the World,” klonk het in de musical “Hair”. Wij waren hemelbestormers onder het motto “Houd ons tegen, maar waag het niet dat ook te proberen”. En vrijheid blijheid en l’imagination au pouvoir! Elke dag verschoven we onze horizon, zowel in de lengte als de breedte, en ontdekten we de wereld; we kropen van onder de kerktoren vandaan. Wij bepaalden zelf onze normen en waarden die compleet haaks stonden op wat generaties vòòr ons hadden gedicteerd. Dàt was onze bindende factor. Hoewel onze levens totaal verschillende richtingen uitliepen, bleven we de principiële lijn die we in die tijd voor onszelf hadden uitgestippeld, voor de rest van onze dagen vasthouden. Je mag dus wel stellen dat we in de jaren 60 zijn blijven hangen, net als die grijsaard met zijn paardenstaart. Wat in vredesnaam is daar fout mee?

Eddy die pianist wilde worden, zijn studies moest onderbreken, boekhouder werd en opklom tot één van de belangrijkste functies in een multinational, onderweg nog een succesvolle reisorganisatie uit de grond stampte en met miljoenen goochelde terwijl ik nog rekende in briefjes van 20 en 50 frank. Maar die wel nog altijd even hoog bleef oplopen met de muziek van Sylvie Vartan en Joe Dassin. En voor geen geld ter wereld zijn brilmontuur uit de jaren 60 wilde vervangen door een hipper model.

Mark die politieke en sociale wetenschappen studeerde voor zover hij daar nog tijd voor vond als beheerder van de fakbar Politika, die wel aan een barkruk vast gelast leek en zonder moeite een etmaal lang over politiek kon lullen, die helemaal getrouw aan zijn overtuiging naar de mijnen trok toen het in Zwartberg en omgeving begon te stinken en nadien als bouwvakker aan de kost probeerde te komen, die pendelde tussen België en Rhodos en nergens en toch overal een thuis vond.

Bij die twee heren mocht ik leentjebuur spelen. Bij de ene pikte ik dit, bij de tweede was dan weer wat anders te halen. Van beiden was iets op te steken en verdomme, wat heb ik daar gulzig gebruik van gemaakt. Op sommige ogenblikken tot tegen de indigestie af. Zonder die twee was ik nooit geworden wie ik nu ben, laat staan dat ik de voorbije halve eeuw zonder al te opvallende kleerscheuren zou overleefd hebben. Nu ik zelf stevig op weg om een bedaarde burgerman te worden – waar we ons destijds toch hevig tegen afzetten – lijkt het er sterk naar dat die tijd nog altijd niet helemaal verteerd is, en dat is maar goed ook. Al werden we intussen hopeloos ingehaald door het nieuwe egoïsme, het ikke-ikke-ikke-syndroom, door de conservatieve reflex van nationalisme, de zegepraal van het materialisme, enz. enz… Heel de maatschappelijke ontwikkeling van tegenwoordig is erop berekend om zo snel mogelijk komaf te maken met de erfenis van de jaren 60. We kunnen dat betreuren maar het is wel zo. Hoewel…

Binnen enkele maanden zal er weer grote bombarie ontstaan rond mei 68. Kranten zullen weer het ene na het andere katern vol schrijven over die woelige periode, die ik in alle bescheidenheid een breekpunt in de geschiedenis durf te noemen. Op 30 april 1968 eindigde de 19de eeuw en op 31 mei 1968 begon de 21ste eeuw. Spijtig genoeg heeft de mooie 20ste eeuw maar goed vijftig jaar geduurd. Twee exponenten van die eeuw zijn intussen weer verdwenen maar dank zij Jos werd ik er weer eventjes aan herinnerd dat het niet fout is om nog eventjes te blijven denken en zijn zoals zij; niet fout om nog eventjes te blijven hangen in de jaren 60 met de normen en waarden die we onszelf destijds hebben ingelepeld. Hun denkwereld en hun dromen nog eventjes te blijven koesteren, eventueel als ‘the last man standing’.

Dag Eddy, dag Mark, dag Ann, dag Vlado. Bedankt.

 

 

Advertenties

Di 24/10 Eén maand alweer

Wel, wel, wel… ’t is vandaag alweer uitgerekend één maand geleden dat Mieke en ik hier na zo’n vier maanden nog eens de camping opreden. Na pakweg 600 km over snelwegen afgelegd te hebben, had ik meteen de stellige indruk dat de straatjes hier angstwekkend gekrompen waren tijdens onze afwezigheid. Het bestand overlevende flora op Helsinki 2 trouwens ook. De bloedhete zomermaanden hadden hevig huisgehouden in mijn collectie opfleurende plantengroei. Op het technische niveau leek mij alles nogal mee te vallen tot Mieke meldde dat het toilet het niet meer deed. Pomp vastgelopen wegens lichte verkalking en uitdroging. Probleem dat verholpen werd door het twee uur lang laten inwerken van een litertje schoonmaakazijn.

Diezelfde avond bleven we tot voorbij 23 u op het terras zitten; een ervaring die we bijna vergeten waren. We hadden net drie weken Frankrijk achter de rug, daarheen gelokt door de beloftevolle geruststelling van vriendin Ria: “In september kan het er ook nog erg mooi weer zijn.” In andere jaargangen is dat wellicht zo maar laat het nu toeval zijn dat de nazomer van 2017 net besloten had om tot 22 september eventjes vakantie te nemen en weg te trekken uit het departement Indre. Twee dagen konden we ongeveer 2 uur buiten zitten; eens na vijven was dat onmogelijk. Niet één keer kon ik de BBQ aansteken, wat zoveel betekent als ‘totaal geen vakantiegevoel’. De meest wereldschokkende ervaringen bestonden erin dat we ’s avonds gespannen stonden te luisteren naar de burlen van de edelherten en die geluiden ook nog eens proberen te lokaliseren. Helemaal mooi was die ene nachtelijke ontmoeting met een bok die parmantig in het midden van de weg bleef staan en ons geringschattend aankeek; zo van: wat doen jullie hier om MIJN terrein. Althans dat is wat wij dachten. Een tienender, kon ik zien in de stralen van de autoverlichting. Een alleenstaand jong dier – dacht ik toch – nog té groen achter de oren om er nu al een eigen harem op na te houden en daarvoor te vechten.

Die mindere klimatologische omstandigheden werden dan alweer goedgemaakt door het aangename gezelschap, de vredige atmosfeer in huis en het binge kijken naar de verzamelde afleveringen van ‘Lewis’. De herinnering daaraan vervult me sommige avonden hier nog vaak met een gevoel van – om het met Elsschot te zeggen – weemoedigheid, die niemand kan verklaren.”

Eens op Benisol gearriveerd is het niet lang zoeken naar vertrouwde gezichten die al eerder dan wij naar hun winterverblijf zijn afgezakt. Het is nog minder lang wachten op een berg andere meer vertrouwde gezichten die met mondjesmaat binnen sijpelen. Je bent weer snel bijgepraat en op de hoogte gebracht van de laatste verwikkelingen. Die en die komen niet meer; dit en dat mag niet meer; zus en zo is intussen veranderd. Je rijdt eens naar de Cap Blanch om Nico en Christa te groeten en je weet weer alles wat er de voorbije maanden tussen de haven van Altea en El Cisne gebeurd is. Mieke moet weer naar huis en je neemt je voor om je tanden te zetten in die stapel ongelezen boeken die hier op je liggen te wachten. Je moet wel honderd keer uitleggen waarom je het vertikt om nog langer elke dag je blog bij te houden: alles wat zich in dit kleine dorp afspeelt, is toch maar een herhaling van voorgaande seizoenen. Misschien krijg ik bij slecht weer wel opnieuw een vlaag van schrijflust maar gezien de temperatuur zich hier nog dagelijks tussen 25 en 28°C beweegt, kan ik die drang voorlopig nog onderdrukken.

 

 

 

 

 

 

 

19/10 Spaanse furie

Als onze eerste minister nog één woord durft te zeggen, worden wij Belgen hier in Spanje vogelvrij verklaard en staat er een prijs op ons hoofd. De Spaanse ministeries van Binnen- en Buitenlandse Zaken, Sociale Zaken, Werk(on)gelegenheid, Armoedebestrijding, Milieu, Financiën en Landbouw staan in rep en roer en voor het hele diplomatieke corps is het alarmfase ‘rood’ geblazen.

Nu is onze premier uiteraard wereldwijd bekend als een notoir en hardnekkig stokebrand die er met de vingers in de neus in slaagt om twee straatstenen met elkaar te doen vechten. Enige omzichtigheid in zijn woordkeuze is hem totaal vreemd. Als er ergens in de wereld ook maar een scheet wordt gelaten, vlamt hij daar meteen met een grijnzend genoegen een kritische opmerking overheen, en reken er maar op dat hij nooit boven de gordel mikt. Een man die ’s morgens uit zijn bed stapt en in de spiegel aan zichzelf vraagt: Wie kan ik vandaag nog eens bruuskeren?

Dat hij het heeft aangedurfd zich daags na het referendum in Catalonië uit te spreken tegen het zinloze geweld van de Guardia Civil, kon dan ook rekenen op de banvloeken van kruidje-roer-me-niet Rajoy. Die dreigde meteen om de Spaanse steun bij de kandidatuur van onze politiebazin Catherine De Bolle als grote madame van Europol in te trekken. Gelijk had hij, verdorie. Elk redelijk denkend mens zou daarmee toch wel gewaarschuwd zijn. Zo niet onze Charles Michel. Neen, die moest zo nodig nog wat olie op het vuur gooien door vorig weekend een interview te geven waarin hij de Spaanse en Catalaanse regeringen erop wijst hun verstand te gebruiken en met elkaar in dialoog te gaan.

Kijk, na zo’n pertinente bemoeiing van een snertlandje als België zou ik als Spaanse premier van een minderheidsregering er meteen mijn troepen of afsturen, wat zeg ik: ik gaf de Spaanse luchtmacht meteen de opdracht om Waver plat te leggen in de hoop dat het mannetje Charles Michel daar toevallig een gemeenteraadszitting moet voorzitten. Zo niet Rajoy, een mens van goede wil en een wel opgevoed man van stand. Tegen alle verwachtingen in, roept die gewoon onze ambassadeur in Madrid op het matje. Die krijgt niet eens een uitbrander waarbij de bosbranden in dit land peanuts zijn; die wordt gewoontjes gewaarschuwd dat deze “verbijsterende verbale aanvallen van een partnerland moeilijk te begrijpen zijn en onze bilaterale betrekkingen ernstig in gevaar brengen.” Nog een geluk dat Fabiola di Mora y Aragòn al gestorven is; als Rajoy het destijds voor het zeggen had, had ze niet eens met onze Boudewijn mogen trouwen. Dan zouden die frietenvreters van Belgen wel een poepje geroken hebben.

In afwachting van een nieuwe Tachtigjarige Oorlog zou ik, mocht ik van Rajoy zijn, nu meteen op zoek gaan naar gepaste opvolgers voor Fernando Alvarez de Toledo en Alexander Farnese, hertog van Parma. Meer nog: ik stelde de inquisitie weer in. En binnen 68 jaar kunnen die arrogante Antwerpenaars dan weer feestelijk de 600ste verjaardag van de Val van Antwerpen vieren. Alleen zal het nu de Tweede Val van Antwerpen heten. Dat ze daar nu al maar beginnen met de parking te ontruimen…

 

Maandag 16/10 Talent bestaat niet

Vandaag in mijn krant: een interview met Andreas Tirez, econoom en lid van de liberale denktank Liberales. Hij begrijpt de kritiek niet op het voorstel van N-VA om in scholen een IQ-test verplicht te maken. Want, zegt Tirez, met die tests kun je talenten tijdig ontdekken, ook uit kansarme gezinnen, en kun je onze toch al schaarse middelen voor onderwijs efficiënter inzetten.

Tja, als je onderwijs louter vanuit economisch oogpunt beschouwt, waarbij enkel en alleen maar meritocratische doelstellingen worden vooropgesteld, zal hij wel een punt hebben, zeker. Zelfs fervente pedagogen kunnen er toch wel geen bezwaar tegen hebben dat scholen hun krappe middelen efficiënt gebruiken. Waar Tirez geen woord aan besteedt, is aan de vraag of we in het huidige klimaat van besparingswoede wel voldoende middelen voor onderwijs inzetten.

Zelf ben ik geen pedagoog en nog minder econoom maar ik ken wel iets van geschiedenis, vooral die van mezelf. Andreas Tirez en onderwijsspecialist van N-VA Koen Daniëls zijn – gelukkig voor hen – veel jonger dan ik, en dus kunnen ze niet weten dat het voorstel van Daniëls niet zo nieuw is als het zich laat voordoen. Ik herinner me althans dat mijn generatiegenoten en ik op prille leeftijd – in het lager onderwijs al – aan dergelijke testen werden onderworpen. Het resultaat daarvan heeft misschien niet heel mijn jeugd verzuurd en verpest, maar mijn toenmalige toekomst – en intussen ook alweer voltooid verleden tijd – dan toch wel heel sterk bepaald. Een woordje uitleg.

Mijn pa (°1908), zoon van een boer/brouwer uit Haspengouw, zo goed als op de taalgrens, had voldoende talent om enkele jaren in het Frans te studeren aan het college van Waremme (Borgworm). Om daarna gewoon paardenkoopman te worden. Mij ma (°1916), dochter van een fruitboer/veekweker, moest al heel jong meewerken in het bedrijf en gezin. Ondanks haar talenten was er van studeren geen sprake. Na alle oorlogsellende ontdekten ze met een schok dat er zelfs in het zuiden van Limburg een einde was gekomen aan de 19de eeuw, in welke mentaliteit en waarden zij nog altijd waren opgegroeid. Zonder diploma zou je volgens hen in het leven niets kunnen bereiken en raakte je niet vooruit in de sociale pikorde. Toen de onderwijzer thuis die IQ-cijfertjes kwam toelichten – én die van de andere klasgenoten – met de boodschap dat ik gelijk welke hogere opleiding best zou aankunnen, blonk mijn ma van trots. Voor zover er iets fout mocht lopen met de voorbestemde roeping om priester te worden, zag ze in mij dan toch minstens een uitstekende geneesheer, succesvol advocaat of baanbrekende ingenieur. Aan mij werd niets gevraagd; inspraak moest nog worden uitgevonden. Nu wil het toeval dat mijn goede kameraad en buurjongen Leo identiek hetzelfde IQ-cijfers liet optekenen als ik. Dat maakte de competitiegeest in mijn vader wakker: ik zou en moest beter presteren dan Leo! Was dat niet het geval – ook maar een half puntje minder dan hij – kreeg ik een pak rammel waar men in Guantanamo nog een puntje aan zuigen kon. Omgekeerd bleek dat ook het geval te zijn. Beurtelings zat één van de primussen van de klas daar bont en blauw geslagen op de schoolbank.

En toen moesten we met zijn tweeën naar het middelbare onderwijs. Grieks-Latijnse, uiteraard. Onze voormalige klasgenoten mochten naar de landbouwschool, volgden een technische richting of werden gewoonweg leerling bij een timmerman. Wij jaloers. Dat eerste jaar spartelde Leo zich er met de hakken over de sloot doorheen; zelf had ik een klinkende buis over de hele lijn (voor de Nederlanders: hopeloos gezakt). Toen maakte ik wel helemaal kennis met bestraffingstechnieken die mijn pa in de Duitse concentratiekampen had moeten ondergaan. Weken nadien kon ik niet zonder kussen op een stoel zitten en al die tijd moest ik op mijn buik proberen te slapen. Weken nadien liep mijn ma nog met betraande ogen rond. “Weet je wel in welke schande je ons gestort hebt?” jammerde ze constant. Ik was me van geen kwaad bewust en het argument dat ik in Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde toch weer de beste van de klas was, kon haar niet troosten. Gelukkig verhuisden we die zomer naar het Leuvense en vloog ik onverbiddelijk met mijn klikken en klakken naar een ultra katholiek en edelgestreng internaat in Mechelen. Alleen tijdens de verplichte vakantieperiodes mocht ik naar huis. Waarschijnlijk een kwestie van het risico op nieuwe schandalen zo klein mogelijk te houden…

Aan heel dit verhaal van IQ-testen, en de gevolgen ervan, heb ik wellicht één positieve levenshouding overgehouden: een nog altijd durende afkeer voor competitie. En een gloeiende hekel aan puntensystemen, aan sport, aan examens, aan behaagziekte, aan haantjes-de-voorste, aan machocultuur, en vul zelf maar in. Daarom vind ik ook dat men de verplichte invoering van dergelijke testen ook maar beter kan vergeten. Als je als ouder de talenten van je kind niet zelf kunt ontdekken, doe dan zo’n test maar. Wel op vrijwillige basis en liefst zonder de uitslag ervan in de etalage te zetten. Je zult er je kind goede diensten mee bewijzen en hen een hoop trauma’s besparen.

Ach, ik weet ook wel dat er achter dit voorstel een verborgen agenda schuilt. Een reactionair verwerpen van het idee ‘Democratisering van het onderwijs’, een betrachting uit die perfide jaren 60. Met de instroom van al die arbeiderskinderen raakten onze universiteiten overbevolkt en dat kost handenvol geld. Nu komt daar ook nog eens het kroost van immigranten bij. Weg ermee! Dus laat ons alleen de allerbesten toe te studeren. Toegangsexamens zijn duidelijk geen voldoende rem; het invoeren van een numerus clausus helpt ook al niet. Zullen we dan maar in de lagere echelons van het onderwijs strenger beginnen selecteren? Goed idee. Hoe doen we dat? Zullen we misschien een IQ-test invoeren? Verdorie, waarom hebben we daar niet eerder aan gedacht.

En dus zetten we de deur open voor scholen met twee snelheden. Concentratiescholen, maar dan in omgekeerde zin van wat we daar nu onder begrijpen. Immers, volgens bepaalde theorieën zouden er uit kansarme gezinnen minder intelligente kinderen voortspruiten. Voor zekere politici en/of economen alleszins aanleiding om het begrip “efficiënte verdeling van de weinige middelen” naar voor te brengen. Voor hen mogen alleen de bollebozen nog naar hogere regionen doorstromen en de rest moet zich maar uit de slag zien te trekken. De middenmoot kan nog altijd in technische vakken terecht en wie zelfs daarin niet mee kan, heeft brute pech. Nu ja, we moeten ook nog wel een contingent ongeschoolde arbeiders achter de hand houden, natuurlijk.

Wat ik in die voorstellen nergens terugvind, zijn de gestelde voorwaarden en de bepalende grens. Ligt die op 85, 100 of 130? En wat met kinderen die slechts 84, 99 of 129 scoren? En wie stelt die grenzen vast? Politici? Zouden die dan eerst niet zelf op intelligentie moeten onderzocht worden? Goed idee lijkt me: vooraleer je kunt verkozen worden en in het parlement zetelen, eerst een IQ-test afleggen. En mag ik dan de grenswaarde bepalen?

Zelf ben ik al heel lang geleden het resultaat van die test vergeten; ik weet alleen dat die iets beter dan het gemiddelde bedroeg. Alleen ontbrak het me aan structuur, aan werklust, misschien zelfs aan plichtsbesef. Ik kon niet “blokken”. Er was wel altijd dat mij véél interessanter te ontdekken leek. Nooit heb ik teksten klakkeloos uit het hoofd kunnen leren en papegaai-achtig op een examen afdreunen. Wiskunde was een hel, scheikunde een raadselachtig mysterie, Latijnse verbuigingen een plaag. De wetmatigheid “Waarom is dat zo? Omdat het zò is en omdat ik het jou zeg” heb ik nooit goed verteerd. Gevolg: nu ben ik oud en versleten, en zit nog dagelijks geschiedkundige werken uit te pluizen om verbanden met het heden te kunnen leggen. En te begrijpen.

Verdorie, geef ons meer loodgieters, bouwvakkers, automonteurs met een hoge intelligentiegraad die meteen weten wat er loos is en hoe eraan te verhelpen. En laat mensen, onafhankelijk van een hoger of lager IQ uiteindelijk eens doen waarin ze zin hebben en kunnen uitblinken. Ik denk hierbij aan die vriend van me die met enkel een humanioradiploma het toch wist te schoppen tot de hoogste financiële functie in een groot bedrijf, ik denk aan die vriend van me die van thuis uit rechten moest studeren en nu een hoog aangeprezen professor ‘houtrestauratie’ is, ik denk aan die vriend van me die filosofie moest studeren en daarna toch naar de kunstacademie ging om te leren schilderen, ik denk aan die vriend van me die architect was en toch een gevierd televisiereporter werd. Die hadden lak aan allerlei testen en diploma’s maar wel voldoende ballen aan het lijf om te doen wat ze wilden. Tegen de stroom in, tegen de wind in, tegen alle voorstellen van Koen Daniëls en Andreas Tirez in. Geweldige mensen.

En om te besluiten, de wijze woorden van Jacques Brel:

“Je suis convaincu d’une chose : le talent ça n’existe pas. Le talent c’est d’avoir l’envie de faire quelque chose. Je prétend qu’un homme qui rêve tout d’un coup qu’il a envie de manger un homard. Il a le talent, à ce moment là, pour manger un homard, pour le savourer convenablement et je crois qu’avoir envie de réaliser un rêve, c’est le talent. Tout le restant, c’est de la sueur, c’est de la transpiration, de la discipline. Je suis sure de ça. L’art je ne sais pas ce que c’est. Les artistes, je connais pas. Je crois qu’il y a des gens qui travaille à quelque chose.”

 

https://youtu.be/xlklBo3ls4U

 

 

 

 

Zaterdag 14/10 Zwijg me dan van de Catalaanse kwestie… (vrij naar Wannes Van de Velde)

Vooruit dan maar, Puigdemont heeft het balletjes weer netjes in het doelgebied van Rajoy geschopt. Zoals te verwachten, reageert die keikop uit Madrid weer tegendraads. Veel speelruimte krijgt hij in zijn ezelachtigheid niet want het voorbije weekend, en ook bij de nationale feestdag eergisteren, sprak de Spaanse bevolking zich massaal uit voor dialoog. In de grote steden kwam heel veel volk op straat. In de ene wijk ging de manifestatie schuil onder het rood/geel van de Spaanse vlag en slogans tegen separatisme en pro de eenheid van de nationale staat. Aan de andere kant van de stad was wit de overwegende kleur en werd geëist dat heethoofden Rajoy en Puigdemont eindelijk eens met elkaar zouden overleggen. Intussen mag ook duidelijk zijn dat Europa achter de schermen de diplomatieke registers heeft opengetrokken. Eindelijk zou je denken.

Tja, ik zit hier in dit toeristenbastion aan de Costa Blanca waar je niet of nauwelijks met de Spaanse onderbuik in contact komt. Daar bovenop is mijn talenkennis te beperkt om de finesses van wat ze zeggen te doorgronden. Hun lichaamstaal en emotionele reacties daarentegen zijn niet mis te verstaan. In de straten en terrasjes hier heerst de voorbije week constant dezelfde sfeer als bij El Classico; misschien nog erger en grimmiger. Je ben onvoorwaardelijk voor FC Barcelona of je kiest ondubbelzinnig het kamp van Real Madrid. Een sfeertje dat ik met enige omzichtige schroom benader; van voetbal heb ik nog minder verstand dan van de oorzaken en historische miskleunen die schuilen achter de huidige relatie tussen Spanje en Catalonië. In dergelijke zaken – zowel politiek als voetbal – kun je maar beter spaarzaam omspringen met emoties. Ergens las ik dat een mens maar zo intelligent is als zijn emoties toelaten. Dus kun je die maar beter tijdig in bedwang houden.

Het stoort me dan ook enorm dat de straten van Barcelona nu plots overspoeld worden door Vlaamse parlementsleden waarvan je vorige week nauwelijks de naam gehoord had. Voor televisiecamera’s op de Ramblas kakelen die ijver over zelfbeschikkingsrecht van Catalonië en trekken ze vergelijkingen met Vlaanderen en België. Ze hebben het over sociale en economische verschillen tussen het moederland en de deelstaat; over totaal uiteenlopende historische achtergronden en de verschillen in cultuur. Toestanden waarover ze het in achteraf zaaltjes van parochiezalen ook wel hebben maar waarover ze in de Koepelzaal van het Vlaams parlement nog nooit één woord hebben gelost. Het stoort me ook dat Pierke en klein Chareltje de sociale media alweer overwoekeren met hun alwetendheid en zekerheden, zonder ook maar enigszins gehinderd te zijn door enige kennis van zaken. Zelfs een vriend van me, wiens intellectuele bagage boven elke twijfel verheven is, liet zich verleiden om in dit kader Baskenland, wapengekletter van ETA, Franco en het begrip ‘fascisme’ erbij te sleuren en onderhuids ook de Vlaams nationalistische verzuchting van onafhankelijkheid. Oei, dacht ik meteen, misschien toch eerst eens wat meer over de geschiedenis van Spanje in het algemeen, en de Spaanse Burgeroorlog in het bijzonder, erop nalezen vooraleer dergelijke analyses en gevolgtrekkingen te uiten. Paul Preston heeft daarover trouwens een zeer verhelderend en lezenswaardig werk geschreven (ISBN 90 450 0669 3). Aanbevolen.

 

Zaterdag in de Nederlandse Volkskrant en dinsdag in De Morgen verscheen een aardig stukje van Olaf Tempelman onder de titel “Niet iedereen is gebaat bij een eigen staat”. Tempelman trekt hierin de lijn door naar het voormalige Joegoslavië. “Weinig kan mensen zo begeesteren als de strijd voor een eigen staat, en weinig dat hen daarna zo kan teleurstellen,” schrijft hij. Laat het nu zijn dat ik die twee gevoelens – euforie en ontgoocheling – van echt héél dichtbij heb mogen beleven.

In augustus 1968 leer ik in Leuven toevallig een groep Joegoslavische studenten (universiteit van Zagreb) kennen. Ze waren er voor een interuniversitair theaterfestival. Met één van die kerels kon ik het meteen bijzonder goed stellen wat resulteerde in een decennia durende, warme en innige vriendschap. Wel drie, vier keer per jaar was ik op bezoek bij hem thuis in Zagreb, waar ik als een volwaardig lid van de familie werd beschouwd. Mijn in 1970 geboren zoon kreeg dan ook de naam Vlado mee; een eresaluut aan die boezemvriend.

Op het terras van café Gino in Mali Losinj (waar de familie een buitenhuis had) zaten we dagen lang te praten met een vrolijke bende vrienden van allerlei slag: Kroaten vooral maar ook Slovenen, Bosniërs, Macedoniërs en Serviërs. En één Belg. Het ging vooral over muziek, beeldende kunsten, theater uiteraard, ik over mijn gewone leven in het Westen en zij over het hunne, over de domme arrogantie van Duitse toeristen en dat niet alles te koop is. Kortom, dingen die in die dagen belangrijk waren voor prille twintigers. Zij voerden me stomdronken met zelf gestookte slivovitsj, met Vinjac en Pelinkovac; ik liet hen onbedaarlijk hoesten met een van mijn Gauloises. Verrekt, wat was het leven mooi. Het kon niet anders of dat zou eeuwig zo blijven duren.

En toen werd het 1980 en stierf sterke man Tito. Het begon stevig te rommelen in de federale staat waar Servië steeds meer en meer niet alleen de voortrekkersrol wilde spelen maar ook de grootste slokop van de staatskas werd. Nu werd die kas vooral gespekt door deviezen die in het toeristisch aantrekkelijke Slovenië en Kroatië werden verdiend en kijk, in die twee deelstaten begonnen tot nu toe ondergedoken nationalistisch geïnspireerde splintergroepjes de kop op te steken. Zoals te verwachten reageerden de Serviërs daar totaal verkeerd op. Hadden ze daarvoor de schouders opgehaald, waren die groupuscules allang in de duistere plooien van de geschiedenis verdwenen, maar neen, sterke man Milosevic bedacht allerlei tegenmaatregelen en bestraffingen waardoor die groepjes alleen maar spectaculair groeiden. Hoe meer aanhang die kregen, hoe strenger Belgrado tekeer ging. Hoe meer Belgrado tekeer ging, hoe meer aanhang die groepjes kregen.

Met grote ogen van ongeloof zag ik mijn ‘familie’ verglijden van breeddenkende wereldburgers naar een sterk bekrompen separatisme. Hun wereldje verengde zich tot Zagorje en de Dalmatische kust; hun visie op de mensheid beperkte zich tot wie generaties lang in Kroatië geboren en getogen was. Voor hen was er maar één mogelijkheid: totale zelfbeschikking. In Belgrado had men nog altijd niets in de gaten en voor zover dat wel een enkele keer het geval was, volgden repressie op vergelding.

En toen was het 1991 en brak de hel los. Slovenen en Kroaten riepen hun onafhankelijkheid uit en fluks walsten de ‘Joegoslavische’ (lees: Servische) tanks Vukovar plat, werd Dubrovnik beschoten en lag Zagreb onder vuur. Ik maande mijn familie aan meteen naar België te komen; tevergeefs natuurlijk. In een gesprek met Vlado zei ik ooit hoe intriest ik het wel vond dat de zonen van onze goede vakantievrienden nu elkaar aan het uitmoorden waren, waarop ik een antwoord kreeg waar ik nu nog altijd geen blijf mee weet: “Als ik nu zou kunnen, knalde ik die vrienden én hun zonen ook neer!”

En toen werd Kroatië onafhankelijk, zelfs een lidstaat van de EU. Ik ben er sindsdien slechts nog enkele keren geweest; de laatste keer zelfs meer dan 10 jaar geleden. Je zoekt dan wat oude vrienden op en het enige wat ik te horen kreeg, waren klachten. Ja, in de tijd van Tito was het ook niet allemaal koekenbak maar er waren wel leuke aspecten aan. Ja, in de tijd van één Joegoslavië waren wij de grootste sponsors van de andere deelstaten maar nu moeten we tot in de vijfde generatie onze oorlogsschulden afbetalen. Ja inderdaad, nu zijn we onafhankelijk maar ons leven is er niet op verbeterd, onze lonen zijn zelfs verminderd en alles is véél duurder geworden. Ja, het ging allemaal veel te snel en te weinig doordacht. Ja, nu bepalen we onze eigen politiek maar het gaat volledig de verkeerde kant uit. Ja inderdaad, de communistische apparatsjiks zijn weg maar die zijn nu wel vervangen door nationalistische; hamer en sikkel heeft plaats geruimd voor de wit/rood geblokte vlag. Neen, de algemene corruptie is niet verdwenen, meer nog, het is toegenomen. Dat soort deprimerende gesprekken…

Het ergste vond ik wel het algemeen grote onderlinge wantrouwen bij de bevolking. Is hij daar wel voldoende Kroatisch patriot? Was die ginds destijds niet een slaafs volgeling van de communistische partij? Nu bleek heel de maatschappij doordesemd met een fanatiek racisme, lekker aangewakkerd door de herrezen katholieke kerk die m.i. haar al veel te sterke invloed nog heeft weten te vergroten. Gemengde gezinnen worden gemeden als de pest, je moet al kunnen aantonen dat je volbloed Kroaat tot in het zevende knoopsgat bent vooraleer je ook maar een woning of een overheidsfunctie kunt krijgen.

 

Al die herinneringen schieten me weer door het hoofd als het tegenwoordig over Catalonië gaat (en bij uitbreiding over Schotland, Baskenland, het noorden van Italië, Vlaanderen…). En net zoals Olaf Tempelman denk ik dan dat niet elke vorm van onafhankelijkheid een oplossing is voor sociale, economische en culturele problemen, laat staan een garantie is voor een toekomstige heilstaat. Net zoals de Kroaten zouden de Catalanen wel eens kunnen ontwaken met een kater van hier tot in Tokyo.

Zoals de geschiedenis al voldoende bewezen heeft, ontstaat nationalisme in meestal bedompte zaaltjes waar vaardige kerels hun blabla verkopen samen met een hele rimram aan verkeerd begrepen symbolen. Geen burger die ervan wakker ligt. Tot ze erin slagen om voldoende angst en verwarring te zaaien. Vanaf dat ogenblik zullen wel andere vaardige kerels die ideeën overnemen om hun eigen geheime agenda erdoor te jagen, en voor je het een beetje beseft, is dat perfide gedachtegoed plots het nieuwe normaal.

Rajoy ervan verdenken fanatieke opvolger van Franco te zijn, is een brug te ver. Hem er even aan te herinneren dat Milosevic voor het internationale gerechtshof in Den Haag moest verschijnen en veroordeeld werd, is zelfs twee bruggen te ver. Hem er even aan herinneren dat diezelfde Milosevic dezelfde stommiteiten heeft uitgestoken als waar hij nu mee bezig is, kan daarentegen wél. Wil je de Catalanen helemaal wild maken, moet je er nog maar een contingent Guarda Civil op af sturen.

Puigdemont ervan verdenken dat hij een té voortvarende separatist is, is ook alweer een brug te ver. Hem ervan verdenken dat zijn roep naar onafhankelijkheid alleen maar een andere, duistere lading moet dekken, mag dan weer wel. En dat zijn zogenaamde volksraadpleging een lachertje was en een aanfluiting van alle mondiaal geldende spelregels, mag dan ook weer.

Hoe dan ook, met hun stugge houding bewijst geen van beiden een goede dienst aan de democratie. En – volgens hun eigen zeggen – is het hen daarom toch te doen.

 

 

 

Dinsdag 10/10 Venetië op een drafje

Vandaag vertrekt mijn Mieke naar Venetië. Ze gaat er met een stel museumvrienden een kijkje nemen in de Biënnale en eventueel met de toeristenstroom mee ook nog wat “must see”- dingen meepikken. Ze doet maar, denk ik dan. Als ik Venetië wil zien, kijk ik wel naar schilderijen van Canaletto; desnoods van Bernardo Belloto of Francesco Guardi, Giuseppe Morelti of Bernardino Bison. Die konden hun stad nog weergeven zonder immens grote cruiseschepen, een vloot plezierbootjes, duizenden Aziatische toeristen en zonder protesterende bordjes ‘Tourists go home!’. Zet daar dan nog een streepje muziek bij van Merulo, Gabrieli, Monteverdi of Vivaldi en het prentje kan niet meer stuk. Waarom zou je dan nog in dichte drommen over de Rialtobrug lopen, je op het hoofd laten schijten door de duiven op het San Marcoplein of je blauw betalen om in een namaak gondel over het Canal Grande te varen?

En dan die Biënnale… Dat Jan Hoet daar een tweejaarlijks artistiek orgasme aan overhield, tot daar nog aan toe. Dat sommige van onze “grote” artiesten daar de basis van hun roem hebben gelegd en hun daarop volgend financieel imperium hebben gevestigd, is vooral voor hen lekker meegenomen. Voor mij hoeft het niet zo nodig om me toch maar vooral een flair van kunstzinnig persoontje aan te meten.

Ja destijds, in de jaren zestig, wilde ik er wel eens heen. Vlaamse studenten schraapten toen nog de opgedroogde klei van hun schoenen, hadden het in hun West-Vlaamse koeterwaals over de koeien thuis of de gewassen op het veld, protesteerden luidkeels aan restaurants omdat die hun dagschotels met 1 (één) frank durfden verhogen, citeerden uit ’t Pallieterke, droegen de kachel van Marraine uit het café, vernielden de installatie van Pink Floyd in de Rijschool en scandeerden “Walen Buiten”. Die uitgespuwde Walen zaten intussen lekker in “Le Doit dans l’Oeil” te broeden op allerlei anarchistisch getinte kunstuitingen. Onder het impuls van Raf Opstaele en Bernard ‘Bedel’ Delville was Mass Moving ontstaan. Datzelfde Mass Moving trok ongenodigd naar Venetië in het kader van een Biënnale en pootten op het San Marcoplein een serre neer met daarin duizenden vlindercocons. Die moesten op een bepaalde datum allemaal ontpoppen en zouden dan massaal worden vrijgelaten. Bedel, een civiele ingenieur van anderhalve meter hoog, had het allemaal uitgerekend. Wat hij niet voorzien had, was dat die vlinders meteen door de duiven op het plein werden verorberd. Tja, daar had ik wel bij willen zijn…

In die woelige jaren stelde ik me nog de vraag niet of dit wel een vorm van kunst was of een truukje van “goed-gevonden-maar-gaat-u-vooral-verder”. Pas later werd het onderscheid in kunst iets scherper gesteld, onderverdeeld in drie categoriën: “Echt”, “Complete Nep” en “Bien Trouvé”. Wat de erkende kunstpausen ook mogen verkondigen, voor mij is kunst “echt” als het me meteen in de darmstreek en daaronder aangrijpt. De tweede klasse is “Bien Trouvé” waarbij een monkellach nooit ver weg is maar eveneens de vraag of dit zo nodig voor het nageslacht moet bewaard worden. Helaas en driemaal zonde van de eraan besteede tijd en energie is die derde categorie die spijtig genoeg tegenwoordig zowat overal overheerst en ook nog ernstig wordt genomen. Charlatans!

Maar goed, daarmee zit Mieke met haar artistieke vriendenschaar toch weer voor enkele dagen in Venetië en kunnen ze zich een oordeel vormen over wat de commercie ons weer in de strot wil rammen als volwaardige en hedendaagse kunst. Tja, als je drie decennia lang gedoceerd hebt aan de kunstacademie van Antwerpen laat dat wel enkele littekens na.

261055-1331571106

Zondag 8 oktober 2017

Gelukkig ben ik niet aan de eerste dure eed of de eerste ijdele belofte doodgegaan of ik had mijn melktanden niet eens overleefd. Toen ik hier in juni een laatste bijdrage schreef, was dat nochtans met het vaste voornemen dat daarmee een definitieve punt werd gezet achter deze blog. Elke dag een stukje plegen, elke dag voldoen aan een niet in te vullen verwachtingspatroon… Het werd me veel te veel. Helemaal tegen mijn principe in van “Alles mag, niets moet”.

Kijk, dacht ik toen bij mezelf, binnen enkele maanden sta ik hier weer tussen dezelfde mensen waarover ik al alles gezegd heb, verzeil ik weer in krek dezelfde situaties als die ik al allemaal beschreven heb, amuseer of verveel ik me weer op dezelfde momenten van de dag als voorheen. Weet je wat, dacht ik, waarom doe je geen copy/paste van dezelfde dag als het jaar voordien? Slechts weinigen zullen het merken. Intussen kun je lekker onderuit in je zetel zakken en eindelijk eens die stelselmatig aangroeiende stapel boeken ter hand nemen die nog altijd in het vakje “Ongelezen” op je liggen te wachten. Of met je luie reet in de zon zitten en de voorbij lopende mensheid aanschouwen en lekker liggen fantaseren over het leven dat die geleid hebben. Of juist niet. Of je blauw ergeren aan de gulheid waarmee onze Spaanse medemens met vuurwerk omspringt en daarmee je hond trillend en bevend op stang jaagt. Of je de prangende vraag stellen wanneer die Britten eindelijk eens alle consequenties uit hun Brexit trekken en aan een massale exodus richting Groot-Brittannië zullen beginnen.

Komt daarbij dat ik, eens terug in Leuven, bij de eerste confrontatie met mijn dierbare vriendin Mick Cl. te horen kreeg: “Missotteke, ik lees jouw stukjes wel eens. Soms vind ik ze goed maar meestal zit je toch een serieus stuk te zagen.” Kijk, nu mag heel de wereld dat zeggen; het raakt mijn kouwe kleren niet. Maar… als je dàt te horen krijgt van La Clinck, komt dat aan als een midscheepse voltreffer met vijf torpedo’s tegelijk. Iedereen in de reddingssloepen! Vrouwen en kinderen eerst!

Dan, dringt zich maar één mogelijke gevolgtrekking op: Gedaan met die blog! Uiteraard zou ik ook wat minder kunnen zeuren maar dat is dan weer tegen de natuur van het beestje in.

Maar ja, de geschiedenis blijft zich herhalen. Diezelfde dure eed had ik ook gezworen toen ik zeven jaar geleden de deur van Passe-Partout achter me dicht trok, mijn journalisenkaart in de vuilnisbak kieperde en met pensioen ging. Nooit zou ik nog een woord op papier zetten en openbaar maken. Tot je na een tijdje tot de ontdekking komt dat er nog één ding erger is dan elke dag voor den brode te moeten schrijven: helemaal niets meer schrijven.

En dus zal er nu en dan nog wel eens iets gepubliceerd worden, zij het niet op een meer periodieke basis. Geen gezeur meer over het dagelijkse reilen en zeilen op deze verloren gelegen plek op de grens van Benidorm en Alfaz del Pi. Alleen nu en dan een sporadisch opduikende, hoogst persoonlijke bedenking waar geen mens wat aan heeft. Tenslotte is dit zaakje begonnen enkel en alleen om het thuisfront op de hoogte te houden, voor mijn lieve vrouw en enkele intimi waarvan er intussen ook alweer enkele naar het hiernamaals zijn verhuisd. Wie het lezen wilt, moet zich vooral niet inhouden. Voor zover niemand me de oren van het hoofd komt zeuren, is het voor mij al goed genoeg.

 

Als illustratie van hoe het op dit ogenblik aanvoelt…

Say, here I am, on a road again
There I am, up on the stage
Here I go, playing the star again
There I go, turn the page