Brieven uit Siberut

Een van mijn beste vrienden is Gijs S. Ik heb hem nooit in levende lijve ontmoet. De eerste keer dat ik van hem hoorde praten, was hij al een tijdje dood. Bitter jong was hij toen. Toch heb ik me maar zelden met iemand zo intens verbonden gevoeld. Hoe dan wel?
Gijs studeerde etno-musicologie en voor zijn doctoraal haalde hij het in het hoofd om naar Siberut te trekken. Dat is een totaal met oerwoud begroeid eilandje ten westen van Sumatra waar een zeer archaIsch volkje, de Mentawai, leeft. Dat idee werd hem ingepraat door zijn mentor, de Zwitserse Nederlander Reimar Schefold, befaamd professor etnologie, die in de jaren 60 geruime tijd op dat eiland had gezeten en daar turven van een studies over publiceerde. Daarin had hij het zeer vaak over de gezangen van de kerei, de lokale sjamanen zeg maar. Gijs was er door gefascineerd geraakt en vol enthousiasme, maar bijzonder slecht voorbereid en nogal roekeloos voortvarend vertrok hij naar ginder. Met zijn gids doorkruiste hij het regenwoud op zoek naar de plaatsen die Schefold hem had aanbevolen. Hij noteerde er de muziek en nam die op met een aftandse cassetterecorder. Tussendoor schreef hij ettelijke en ellenlange brieven naar zijn verloofde waarin hij zijn wederwaardigheden, zijn dagelijkse leven en zijn avonturen uit de doeken deed.
En dan sloeg het noodlot toe in de vorm van hersenmalaria. Dab heb je nog 36 uur de tijd om de juiste medicatie te krijgen. Hij raakte niet meer tijdig van het eiland af en bezweek onder hoge koortsen.
Een vriend beeldhouwer kapte een grafsteen die de broer van Gijs boven het graf plaatste. Dat graf ligt hoog tegen een heuvel aan, in de weldoende schaduw van een reusachtige boom.
Vijf jaar na zijn dood las zijn verloofde Jeanette de brieven van Gijs voor in een radioprogramma van de VPRO en daarna werden die gebundeld in het boekje ‘Kirekat, brieven uit Siberut’. Op de voorstelling van dat boek in Amsterdam leerde ik zijn ouders kennen. Intussen was ik ook al enkele keren op dat eiland geweest, had er de meest vreemde dingen meegemaakt en raakte maar moeilijk weer thuis na een bezoek. Wat Gijs in zijn brieven schreef, had ik aan de lijve ondervonden. Hij stond met dezelfde gevoelens als ikzelf tegenover de Mentawai en ik kon zijn boekje niet lezen zonder tranen in de ogen. Hij was mijn zielsbroer, mijn strijdmakker, misschien wel mijn alter ego. Telkens ik in Muara Siberut kwam, beklom ik er de heuvel naar de grote boom om er een beetje bij zijn graf te zitten. Zoals het daar gebruikelijk is, steek je een brandende sigaret tussen een gekloven twijgje, leg je wat eten bij het graf en versier je het met bloemen; kwestie van de geesten gunstig te stemmen.
Op een bepaald ogenblik wilden zijn ouders, toch al achteraan in de zeventig, naar het eiland om zijn graf te bezoeken. Omdat ik er in dezelfde periode net was, zou ik hen in Padang op Sumatra van het vliegtuig halen en samen de oversteek doen.
Dagen lang zag ik vader S. met een harkje en een schopje de heuvel optrekken om het graf van het welig tierende onkruid te ontdoen. Daarna sleurde hij nat in het tropische zweet zakken grind mee naar boven. Het graf van zijn zoon moest er netjes bij liggen. Dagen lang heb ik met zijn moeder mijn lokale gids en vertrouweling moeten uithoren over de laatste dagen van haar zoon. Ze moest alles weten, tot in de kleinste details. Op de voorlaatste dag zijn we naar het primitieve dispensarium gelopen waar Gijs de laatste zorgen kreeg van een Duitse missiezuster. Ze greep mijn hand en ik moest met haar op zijn sterfbed gaan zitten. Geen traan, geen zucht. Ze knikte alleen maar ingehouden terwijl ze heel de kamer haast fotografisch in zich opnam. Sterke vrouw. Na een uurtje of zo zei ze: “OK, dat was het. Nu wéét ik.” Dat uur met haar samen zal ik me altijd blijven herinneren als het meest emotioneel geladen ogenblik uit mijn leven.
Daags nadien zaten we weer op de boot naar het vasteland van Sumatra. Ik wuifde hen uit op de luchthaven en daarna hebben we elkaar nooit meer weergezien; ik weet zelfs niet of ze nog leven.
Nadien ben ik nog herhaaldelijk op Siberut geweest, telkens weer beklom ik die heuvel en heb heel wat sigaretten gebrand aan de zijde van de soulmate die ik nooit gekend heb. Hoewel.

‘Kirekat, brieven uit Siberut’ van Gijs Schneemann. Uitgeverij Hadewijck (1992) ISBN 9052401527.

Epiloog

Ik ben 134 dagen van huis weg geweest en heb 4.067 km gereden. Gewoonweg om de druilerige winter hier te vergeten. Was het de moeite waard?

Alleen onderweg zijn, is niet leuk. Zoveel is zeker. Alleen ergens verblijven ook niet. Onderweg kun je alleen of tegen jezelf zitten lullen of tegen de hond. In dat tweede geval hou je er weinig of geen conversatie aan over.
Van nabij ondervonden dat een man alleen met heel veel argwaan wordt bekeken en je veel minder kans maakt op sociaal contact. Op een bepaald ogenblik stonden we met een tros alleenstaanden op één lijn: 2 Nederlanders, een Zweed en ik, en aan de overkant van de straat een Engelsman. Die straat van ons kreeg op de camping meteen de naam: Vrijgezellenlaan. Daar laat je je vrouw niet alleen doorheen lopen. Ik kreeg pas goede contacten op het ogenblik dat of nadat Mieke op bezoek was.
Waarom zich al die tijd beperken tot één plek? Van vrienden hoor ik altijd dat het ginder zo leuk is en weer elders nog veel leuker. Daar sta je lekker in het wild, vlak aan het strand en het is nog gratis ook. Wat er niet bij verteld wordt, is dat ze met een koppel zijn (zie hierboven), dat ze een zonnepaneel op de kar hebben liggen, dat ze vlak bij een totaal verlaten dorp staan, dat ze 5 km moeten fietsen om water te halen, dat de meest nabije winkel of restaurant 15 km verder is en dat de politie je elk moment van de dag (of nacht) kan wegjagen. Een tweede argument dat ik vaak hoor is ‘het weer’. Meer zuidelijk lijkt het altijd beter weer te zijn tot je ginder toekomt. Als het in Albir slecht is, is dat elders in Spanje gegarandeerd nog veel slechter. Een derde argument is dat ik zo toch niet veel te zien krijg van Spanje. Nu ja, daarmee bedoelen ze dan die kunstmatig uit de grond gestampte kustdorpjes met nieuwbouwprojecten want zelf komen ze ook niet in het binnenland, tenzij om er in sneltreinvaart doorheen te sjezen. En dan komt mijn argument: ofwel ga je reizen ofwel ga je overwinteren. Ik ga voor dat tweede en dus, als ik me ergens goed voel, waarom dan elders op zoek gaan naar iets dat hooguit even goed kan zijn?
Voor het geld moet je het zeker niet doen. Je kunt goedkoper naar Alicante vliegen dan erheen te rijden. Je kunt zo goedkoop een appartementje huren met alles erop en eraan als kampeergeld betalen. Helaas mis je dan het sociale contact van een camping.
Op dat vlak was die maand op camperpark Costa Blanca (bij Luc en Sonja) wellicht de meest intense. Niet zozeer omdat ik daar Eddy, Louis en Ronnie (die ik trouwens weinig te zien kreeg) al kende maar omdat het met de andere mensen ook direct goed in de haak zat. Telkens ik nog eens Nieuwjaar vier, zal ik denken aan Omer en Anneke waar ik tot 2 u ’s ochtends in de kou pintjes stond te drinken. Telkens ik het woord ‘oliebol’ zal horen, zullen mijn gedachten meteen naar Hans en Bettie gaan. Ik kan het woord ‘zuignap’ niet meer horen zonder te denken aan Ron en Marja en de uitdrukking ‘de zon staat onder de draad’ is onlosmakelijk verbonden met Martin en Petra. Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat mijn verblijf daar op de berg niet zo lang zou geduurd hebben zonder Luc De Roover ofte Lucas Rabisto. Hij zorgde voor een regelmatige aanvoer van drank en eten, voor lange avonden van opgehaalde herinneringen, waarvoor mijn eeuwige dank. Slechts twee nadelen aan die plek. Een: in feite wel ver verwijderd van de stad, zonder (liefst elektrische) fiets of scooter ben je daar niet veel. Twee: de massa honden die ’s nachts niet ophouden te blaffen en tijdens de dag niet te betrouwen zijn. Huub heeft er een trauma aan over gehouden.
Mijn verhuizing naar camping Cap Blanch heeft ook verscheidene redenen. Een: Mieke drong erop aan omdat zij die plek blijkbaar wel ziet zitten na er vorig jaar maar vijf dagen geweest te zijn. Twee: de aanwezigheid van Frey en Fab waardoor je je toch een beetje minder alleen voelt en omdat er wel altijd iets te vinden is waar je hard mee lachen kunt. Drie: je komt de camping uit, steekt de straat over en daar is het strand met één van de mooiste panorama’s van Spanje. Vier: de winkel/horecabedrijf van Rabisto ligt op vijf minuten lopen en een dagelijkse wandeling erheen eindigt altijd in een groots verhaal. Vijf: in een straal van 500 meter heb je ontelbaar veel restaurantjes waar je voor minder dan 10 euro kunt eten; in een straal van 1 km heb je vier supermarkten. Zes: hoewel veel groter dan bij Luc en Sonja, heb je toch ook wel meteen goede contacten, niet in de minste plaats omdat F&F je bij alles zoveel mogelijk betrekken. Zeven: Huub voelde er zich helemaal thuis; na een maand hoefde ik hem niet meer aan het touw te hangen. Alleen die verdomde duiven die hem constant kwamen uitdagen…
De meest spijtige ervaring was het feit dat we er niet in geslaagd zijn om de voortent op te zetten zoals het hoort. Voor een langer verblijf is zo’n ding wel noodzakelijk omdat er zoveel dingen een plaatsje moeten vinden en omdat zo’n tent je toelaat ook buiten te zitten als de wind blaast.
Een andere spijtige ervaring is het feit dat mijn plooifiets niet is uitgerust met een elektromotor. Die fiets heeft net geteld 200 meter gereden. Eens heeft Mieke er het blokje op de camping mee rond gereden en daarna ikzelf ook een keer.
Een derde spijtige ervaring is de zwakte van de wifi op de camping. Net op de momenten dat je internet het meest nodig had, raakte je er niet op omdat heel Klein-Holland zat te skypen en maar wat met de kleinkinderen zat te leuteren.
Nog een spijtig toeval: het feit dat ik er niet in geslaagd ben om foto’s op m’n blog te plaatsen. In realiteit ben ik ook te tam om foto’s te nemen. Als ik dat dan eens wil doen, heb ik m’n camera niet bij en als ik die wel bij me heb, vergeet ik het ding te gebruiken. Ik beloof mijn leven te beteren.

Ik wil hier nogmaals al mijn oude en nieuw gemaakte vrienden hartelijk bedanken voor alle moeite die ze gedaan hebben om het mij zo aangenaam mogelijk te maken. Geen namen want anders wordt het lijstje te lang. Toch een vermelding voor Dree Peremans en Greet en voor Jean-Pierre Janssens en Jeanine. Ik mocht in Hautefage-la-Tour en Couze-St.Frond weer fijne momenten beleven. En lekkere wijn drinken.

Dinsdag 23 april

Het is koud geweest deze nacht. Nu ja, alles is betrekkelijk, maar toch: slechts 6° als je buiten komt… je bent toch wel wat anders gewend. Ook Huub is anders gewend want hij springt mestnat van de dauw de kar in en ik kan de vloer opnieuw dweilen.
Iets na negen ben ik weer op pad. Het wordt dus Montargis en Sens. In die laatste stad neem ik de raad van Madame Garmin (ik had nog een Nüvi in reserve) niet au sérieux op de plek waar ze me de autosnelweg wilt opsturen (bleek dat achteraf toch wel de juiste beslissing) en dus reed ik rechtdoor, de stad in. Is me dat een gehannes geworden, ja. Veel tijd verloren, natuurlijk.
Achteraf heeft ze dan wraak genomen, die madame. Ze heeft me door de meest onooglijke maar wel best leuke dorpjes laten rijden, langs kleine D-wegen waar twee auto’s elkaar nauwelijks konden kruisen, en via allerlei kruispunten waar ik het noorden volledig kwijt raakte. Maar… ze had het bij het rechte eind.
Eerst dacht ik te stoppen in Provins maar daar was ik al iets na elven. Volgende doelstelling: Dormans aan de Marne. Daar was ik al iets na één. Dan maar door trekken tot Laon. Ook dat ging vlot. En dan zie je ineens een bord met daarop Bruxelles 128 km. Tja, dan heeft het ook geen zin meer om nog een camping op te zoeken.
Best jolig als je naar Mieke kunt bellen met de boodschap: ‘Schat, wat eten we vanavond?’ Antwoord: ‘Oei, ben je toch blijven rijden en ik moet deze avond gaan eten in ’t Zwart Schaap.’
Hoe dan ook, iets voor zessen draaide ik de Noormannenstraat in en Huub was heel blij dat hij weer thuis was. Ik ook trouwens. Een flesje witte wijn uit mijn koelkast mee naar binnen genomen, met het vrouwtje nog wat op het terras kunnen zitten en dan moest die naar haar afspraak.
Ik heb dan de straat maar overgestoken om met de familie Lombaerts iets (te veel) te drinken. Mieke was ook vroeg thuis want die moet er morgen om vijf uur uit.

Vandaag gereden: 512 km

Maandag 22 april

’t Is al kwart voor acht als ik wakker schiet. Ik ben nog net op tijd om de mannen JP, Jeremy en David uit te waaien. Ze hebben een betonwerk in Lalinde en JP kennende komt die niet voor half acht weer thuis. Ik speel met het idee om nog een dag te blijven hangen maar dat blijkt toch niet zo’n goed idee. De mensen mogen zich niet verplicht voelen en het begint toch te jeuken om weer thuis te zijn.
Ik praat nog wat met Jeanine maar tegen half tien ben ik weer op pad. Niet na alweer een jacht te hebben gemaakt op Huub die duidelijk te verstaan geeft dat hij geen zin heeft om weer een dag in de kar rond te tuffen.
Graag wil ik toch wat kilometers vreten vandaag. Dus gezwind naar Bergerac, Perigeux en Limoges en daar de A20 op tot in Vierzon. Daar neem ik richting Auxerre, een slechte gewoonte blijkbaar. Helaas heb ik op die weg nu af te rekenen met de ene omleiding na de andere. In Vailly-sur-Sauldre houd ik het voor bekeken. Het loopt tegen vier uur aan en mijn bobijn is af. Die van Huub nog veel meer. De zon schijnt maar het is fris. Het is een mooie plek met veel groen en bankstellen, zelfs WC’s. Er staat een camper of vijf, allemaal Fransen, maar geen mens te zien. Waarschijnlijk allemaal fietsen of wandelen. Iets na zessen komen ze toe en het is meteen een groot feest met veel gelach en er wordt zelfs gezongen. Mooi zo.
Na mijn portie spaghetti wil ik gaan afwassen als net de ontvangster toekomt. Staplaats = 3,50 euro + elektriciteit 2,50 euro. Een habbekrats voor wat je hier krijgt.
Morgen zie ik wel welke richting ik uitrijd. Het wordt Auxerre of Montargis en Sens.

Vandaag gereden 416 km

Zondag 21 april

Als ik wakker word, is het al te laat om die andere camper te zien verdwijnen. Ook de tentbewoner is al op stap. Om het kort te houden, na een telefoontje naar JPJ en een pot koffie, ben ik op weg naar Couze-Saint-Frond. Iets meer dan een uur later rijd ik zijn parking op en moet ik ondervinden dat hoe meer noordelijk, hoe frisser het wordt. Je kunt met moeite buiten zitten. David is er, Nicolas met zijn verloofde ook, Jeremy is gaan sporten en komt later toe, en Julie woont nu met haar drie kinderen weer bij papa en mama. Ze is dan eindelijk toch gescheiden van haar bullebak van een militair.
We kletsen een stuk, drinken een roseetje en kletsen nog wat verder. De zon komt er later in de namiddag toch doorheen maar warm kun je het niet noemen. We gaan een kijkje nemen aan de Couze waar JPJ een vistrap heeft gebouwd, een serieus groot werk voor zijn bedrijf. Op het terrein ernaast ziet het zwart van het volk dat zich aan de nationale sport begeeft: pétanque.
Mijn tekst voor Leuven Actueel is dan toch klaar gekomen en met toegang tot internet, verdwijnt die richting Bartje Mertens.
Gisteren heb ik bij Dree ook even tijd gehad om de mail van F&F te beantwoorden. Telkens als ik denk (en dat doe ik zowat voortdurend) aan de mooie tijd die we samen hebben doorgebracht, vind ik het weer spijtig dat ik naar huis rijd. Maar… onderweg krijg ik vaak een lachkramp als ik me de grappen en grollen weer herinner.
JPJ en Jeanine hebben toch wel hun deel van de ellende gehad. Je mag dan al in een kasteel zitten, ze hebben het ook niet cadeau gekregen en wat JP daarin allemaal op eigen kracht gepresteerd heeft, mag velen tot voorbeeld zijn. Het ergste van die kerel is nog wel dat hij geen seconde kan stil zitten. Plots is hij weer ergens een machine aan het verplaatsen, dan zit hij weer zakken cement in te laden. “Als we morgen willen presteren, moet ik er ook klaar voor zijn,” is zijn commentaar.
Hij heeft nu al zes ezels in de wei lopen. “Als ik met pensioen ben, zal ik me daar intens mee bezig houden,” zegt hij dan wel maar hij weet zo goed als ik dat er nooit een pensioen of een rustperiode zal komen.
’s Avonds zitten we bij de open haard nog wat te kletsen met een goede fles Bergerac, maar rekening houdend met het feit dat de man morgen heel vroeg op moet, stap ik maar naar de kar. Huub heeft daar helemaal geen zin in en wilt niet binnen komen. Ik moet hem zelfs met de leiband naar de kar sleuren. Hij vindt het hier best naar zijn zin, krijgt van iedereen veel aandacht en kan lustig rond hossen zonder die verdomde leiriem waar hij nu al vier maanden aan vast heeft gehangen.
Ik probeer nog wat te lezen maar de ogen willen niet mee. Om 22 u lig ik al te maffen.

Zaterdag 20 april

Eigenlijk geeft het wel een fijn gevoel als je weet dat de stad Villeneuve een ambtenaar betaalt om alleen maar op jouw kar te passen. Nu mijn enigste metgezel hier weggereden is, sta ik weer moederziel alleen op deze camping waarvan ik weet dat de gemeente Villeneuve 0;20 euro verblijfttaks zal vangen. Met de andere 8,50 euro moeten ze dan maar zien het onderhoud en de bewaking van deze plek zien rond te krijgen.
Dree zal me vandaag komen oppikken om in Villeneuve naar de markt te gaan. Iets wat me in feite geen barst interesseert maar een terrasje doen er vlak naast is natuurlijk lekker meegenomen. Ik blijf het wel een leuke stad vinden die nu lichtjes in opspraak is gekomen vanwege een ex-burgemeester met nogal wat zwart geld op een Zwitserse rekening. Op het terras ontmoeten we Nederlandse dames waarvan er eentje nu al vier jaar in de omgeving woont. Vroeger was zij danseres bij Béjart en nu heeft ze zich moeten aanpassen aan het landleven. Een zeer aangename dame, trouwens. Had ik gisteren nog tegen Dree gezegd dat ik wel blij was eens geen Hollands te moeten horen…
Om het over en weer gerij tot een minimum te beperken, rijd ik met Dree en Greetje mee naar het einde van de wereld, meer bepaald naar huis dat ‘Le Bout du Monde’ heet. Greet heeft weer wat stenen gevonden om die heel kunstig tot een steunmuurtje bijeen te puzzelen. Dree moet zijn dutje doen en ik loop een beetje over het domein om te zien of alles er nog als voorheen bijligt.
Voor deze avond zijn er landgenoten uitgenodigd om pizza te komen eten. Immers, Dree heeft zich een pizzaoven aangeschaft, een gietijzeren monster van dicht tegen 200 kg aan. Gelukkig staat het ding op wieltjes. En dan klieven we hout, stoken dat ding op tot over 200 graden en dan is het tijd voor een aperitiefje, meer bepaald voor een trippel van Westmalle. Heel die tijd is Greet bezig geweest in de keuken. Dree heeft dan wel de reputatie de kok van het huis te zijn en zoals het bij alle grote chefs het geval is, worden de voorbereidingen door de staf gedaan, in casu Greetje. Zij moffelt de pizza’s zelfs in de oven en de hand van de meester beperkt er zich toe om de oven op temperatuur te houden en om de klaar zijnde pizza’s eruit te halen.
Het wordt een fijne avond met een prachtig wijntje uit Buzet. Het gesprek is van niveau (wat had je anders verwacht) en de drank gaat er vlot in. Het loopt toch al tegen 1 u aan voor Greetje de autosleutels neemt en me naar mijn tijdelijke thuis op camping Le Rooy voert. Er is intussen één camper + één tent bijgekomen. De bezettingsgraad van deze ochtend is dus verdrievoud. De stad Villeneuve doet goede zaken.
In bed maak ik me de bedenking nooit of te van mijn leven een pizzaoven aan te schaffen. Nu ik gezien heb hoeveel gehannes aan zo’n stuk brood met beleg erop vooraf gaat, prijs ik me toch gelukkig dat ik alleen een telefoontje hoef te doen en dan 300 meter lopen om mijn pizza Pavarotti op te halen bij de beste pizzeria van Leuven: Aurora aan de Blauwe Hoek.

Vrijdag 19 april

Hartelijk welkom in het zonnige zuiden van Frankrijk. Mijn kont ook, ja. Het heeft van gisteren 18 u onophoudelijk geregend, van zodra het gemiezer ophield begon de stortregen. Dat heeft zo heel de nacht geduurd zodat ik er toch heel vaak van wakker geworden ben. Bij de eerste klaarte, het zal zowat half zeven zijn geweest, vertrok mijn Franse buurman die op weg was naar Spanje. Heel even heb ik eraan gedacht om zijn voorbeeld te volgen en weer naar de zon te rijden. Uiteindelijk werd het toch nog 10 u vooraleer ik weer op weg was. In Pau natuurlijk hopeloos verkeerd gereden en voor ik er erg in had, zat ik op de autosnelweg A64-A65. Iets voor Aire-sur-Adour er weer af en de départementals opgezocht. In Condom (jaja, dat is een best aardig stadje in de Armagnac-streek) bij de Intermarché gaan tanken maar boven die pompen stond een dak en daarop een plakkaat van 2,80 meter. Hola, dan maar liever weer achteruit maar de lieve dame in de kiosk (alweer een lieve dame, de tweede al in nog geen 12 u Frankrijk!) wenkte me dat het wel zou lukken. Ze kwam zelfs uit haar keet om te zeggen dat ik na het tanken misschien toch maar beter weer achteruit zou rijden, wilde ik mijn antenne niet kwijt spelen. Waarom zijn mensen niet overal zo behulpzaam?
Heel de dag is het blijven miezeren tot in Agen. Daar klaarde het een beetje op. Ik had het tamelijk goed berekend want om 13.30 u was ik in Villeneuve, net iets te vroeg om het camperbedrijf open te vinden. Dan maar naar Dree gebeld. In feite had ik hem uit zijn middagdutje vandaan gehaald. Hij zou me in dat bedrijf ontmoeten. Wat ik vreesde werd ook bewaarheid: de leefbatterij had droog gestaan en alle elementen waren naar de knoppen. Nochtans had ik voor mijn vertrek alle cellen opgevuld met gedistilleerd water. Zou het kunnen dat die batterij te veel heeft afgezien van het feit dat ze vier maanden onder stroom heeft gestaan? Een vraag die ik zeker en vast aan Johnny moet stellen, toch de specialist ter zake.
Intussen was Dree er komen aanrijden. Hij had toevallig toch een pinkerlichtje nodig. Omdat ik toch moest wachten tot die batterij geïnstalleerd was, zijn we dan met z’n beiden maar naar het centrum gereden, naar de brasserie Trotini om daar iets te drinken. Ik snakte naar een kop koffie. Dree is nog altijd bezig met de biografie van Wannes maar het blijkt heel moeilijk om zijn bronnen te vinden. Hij hoopt er in 2015 mee klaar te zijn. Als hij zo lang nog te leven heeft, natuurlijk.
Toen ik mijn factuur kreeg, was het toch even slikken. Maar liefst 485 euro! Goed gestolen, denk ik dan wel, maar wat moet je anders.
Dan maar direct naar camping Rooy gereden waar ik vorig jaar in augustus ook gestaan heb en bijna gesmolten was van de hitte. Ik stond er moederziel alleen tot 18.45 u. Toen kwam er nog een Fransman binnen rijden en omdat die zag dat ik een hond bij had, reed hij verder door tot helemaal op het einde van de camping. Eindelijk is de zon er doorheen gebroken zodat het toch nog een aangename avond is geworden. Niet zo warm als in Albir maar het is tenminste droog.
Een dealer van Garmin heb ik niet gevonden. Dree zegt dat er in Leclerq wel een shop is maar die zijn er ook alleen maar om te verkopen. Het blijft dus behelpen.
Misschien klinkt het heel melig maar ik mis Albir wel heel erg. Niet zozeer de plek als wel de mensen en hun eigenheden die ik er mocht beleven. Het is gevaarlijk om lang op voorhand te plannen maar bij leven en welzijn ben ik er volgende winter weer. Zoveel is wel zeker.