Italië 2012 – zaterdag 31 maart

Tja, we hadden dus beslist om hier een dagje uit te rusten, een dag niet te rijden. Dat is er dan ook van gekomen. Een tot 8 u kunnen slapen is meegenomen maar dan moet Huub er wel uit. Eerst de onaangename klussen opgeknapt zoals toiletpot ledigen en water aanvullen. Dan proberen op internet te gaan en dat betekende dus op het trottoir gaan zitten voor de receptie. Geen zicht voor toevallige passanten maar ook voor mij minder prettig want ongemakkelijk en er stond toch wat wind. Terloops, het was ook de eerste keer sinds ons vertrek dat de zon niet scheen van bij het opstaan. Pas tegen de middag kwam ze een beetje door de wolken priemen.

Wie niet zo lang op zich liet wachten waren de schutters in de schietstand. Klokslag 9 u begon het alweer te knallen zonder ophouden. Het enige negatieve punt aan deze mooie plek.

Om half twee weer op stap naar het oude centrum en die wandeltocht bracht ons alweer van de ene kerk naar de andere. Je kunt hier nauwelijks een hoek omslaan of daar staat er weer eentje en omdat Mieke geen kerk wil missen, iets wat ze in Rome geleerd heeft en toch één positief resterend punt uit haar Peerse opvoeding, zoek ik er op het stadsplannetje nog wel enkele op voor haar. Zowat heel de litanie van alle heiligen passeert de revue en voor mij is het een geluk dat de hond erbij is en dat ik niet mee naar binnen moet.

Lucca is een prachtige stad, op mensenmaat, heel overzichtelijk en met voldoende café’s en gelateria’s om de dag door te komen. Uiteindelijk beland op het terras van de Bohème, aan het standbeeld van Puccini en daar werd best aardige muziek gedraaid, vooral Bach en Vivaldi in elkaars bewerkingen van elkaars composities.

Rond de klok van vijven terug naar de camper want aperitieftijd. Tot onze verbazing staat vlak achter ons de Duitser die we twee dagen geleden nog binnen gelaten hebben in Torre Maina.  En zo wordt het verhaaltje van Piccolo Mondo van gisteren nog  maar weer eens bewaarheid.

En voor alle fervente niet-rokers en andere Antikankerliga’s: Puccini was een kettingroker en zelfs op de Piazza del Cittadella staat hij afgebeeld met een sigaret tussen de vingers. Toch een kerel, die Giacomo!

 

Advertenties

Italië 2012 – vrijdag 30 maart

Vrijdag  30 maart

Huub is er om iets voor 7 u alweer van overtuigd dat het voor hem, en dus voor de rest van de wereld, dag is. Ik had hem om 4 u al eens uitgelaten maar nu was hij niet meer te houden. Had waarschijnlijk te maken met het feit dat gisterenavond heel wat mensen hun hond hier hadden uit gelaten.

Vandaag een korte afstand tot Lucca maar wel een weg die kan tellen. De ene haarspeldbocht na de andere en dat over een weg die zijn beste tijd gehad heeft en heel sterk aan Belgische toestanden deed denken. Maar gelukkig geen vrachtwagens. Pas onderweg begreep ik goed waarom. Smalle rijbaan, bochten bij de vleet, omhoog, omlaag, maar vooral omhoog en schakelen en nog eens schakelen. De kar heeft afgezien en vandaag is geen 2 km in vijfde versnelling gereden.

Boven op de pas van Abetone (1388 m) even gestopt om de motor te laten afkoelen en bij onszelf een koffietje naar binnen te gieten. Verdorie, hier draaide de skilift nog vrolijk rond en bond men de latten nog onder. Wintersporters zijn rare mensen.

En dan denk je ‘we zullen nu het hoogste punt wel gehad hebben en dus zal het alleen nog bergaf gaan’. Tarara! Het bleef zwoegen en aan dat stuur sleuren, en naar tweede schakelen.

Hoe dan ook, om iets na 13 uur waren we in Lucca aan de camperplek Il Serchio. Tja, Italianen… gesloten tot 15 u. Zelfs als de man in zijn kantoor zit, blijft het wachten tot hij zin heeft om open te doen. Dus kan je twee uur lang op de parking blijven sudderen vooraleer men je erin laat. Maar de plek is OK, tussen netjes geschoren hagen en met de snuit van de kar halfweg in de rijweg. De plekken zijn tamelijk kort, net voldoende om je wat privacy te gunnen, en net breed genoeg om toch nog een stoeltje buiten te zetten. Het grootste nadeel van deze plek is dat ze vlak bij de schietbaan van Lucca ligt en Italianen zijn blijkbaar heel gek op vuurwapens. Het is hier heel de dag één en al geknal, met verschillende kalibers, de ene schot voor schot, de andere in salvo.

Het is warm en ik ben behoorlijk kapot. Mieke stelt voor om even in bed te kruipen. Bah, een korte siesta is meegenomen. Als ik er na drie kwartuurtjes weer uitkom, ligt Mieke zelf te maffen op de bank. De wereld is dus weer heel eerlijk verdeeld.

En dan gaan we maar eens op stap naar de stad. In feite wel indrukwekkend, dat Lucca. Vestingsmuren die veel weg hebben van Vauban. Binnen die muren een schat van kleine straatjes waarvan er me meteen eentje opvalt: Piazza dei Malcontenti. Echt mijn straat, alsof ik hier altijd al gewoond heb. Tja, en dan kom je op het Citadelplein en daar staat dan een standbeeld van Puccini met in de achtergrond zijn geboortehuis.  Daar tegenover een bar die Tosca heet, daarnaast eentje dat Bohème heet, en iets verder een brasserie met de naam Turandot. En je kijkt Giacomo dan in de bronzen ogen en je voelt de waterlanders opkomen en bedankt dat stomme beeld voor alle mooie momenten die hij je al bezorgd heeft. En in heel de stad hangen bandeliers met daarop de boodschap ‘Puccini weer thuis’ naar aanleiding van zijn jaar, maar dat was dan wel in 2011.

En dan maar weer iets verder, naar de Sint-Michielskerk met daar bovenop dat beeld van die heilige met een veel te grote kop. En dan beginnen we maar weer te raden waarom dat zo is, want ik meen ergens gelezen te hebben dat daar voor reden, of toch minstens een aanleiding toe bestaat. En dus kopen we een toeristisch boekje om erachter te komen, maar daar vind je geen woordje uitleg over.

Daarna gaan we maar eten in Il Piccolo Mondo, want de wereld is inderdaad heel klein. En we krijgen daar een primo met verse calamares zoals ik je nooit eerder vers heb gekregen, met mosseltjes en gamba’s, overgoten met heerlijk olijfolie op een bedje van ruccola. Als secundo komt er bij Mieke een verscheidenheid van ravioli, gevuld met verschillende vissoorten, op tafel. Bij mij een pasta met langoustinesstaarten, waaruit spijtig genoeg het vlees al verdwenen is, en die enkel dienen om de saus op smaak te zetten. Maar die saus was dan ook heel erg lekker, tamelijk bisque d’homard-achtig. We zaten op het terras en het begon voldoende koud te worden om het dessert over te slaan en in te ruilen voor een koffie. Voor 20 euro de persoon hadden we weer lekker gegeten, een fles water en een fles wijn inbegrepen.

Overal werden de rolluiken naar beneden gelaten. Lucca ging slapen en wij dus ook maar terug naar de camperplek. Bij Il Serchio zegt men wel dat het 800 meter is tot aan de oude stad maar dat houdt dan ook 800 meter lang in dat je vreest voor je leven. Een voetpad is er nauwelijks of meer nog helemaal niet. Je moet met de hond dus op rijweg lopen en zoals Italianen rijden, sta jij als voetganger na minder dan 10 meter nat in het zweet.

Nog een beetje buiten gezeten, nog wat gedronken, nog wat gelezen en plannen gemaakt om morgen diezelfde martelgang naar het centrum weer te ondernemen.

Internet is hier in de prijs inbegrepen maar als je verder dan 10 meter van de receptie verwijderd bent, heb je geen ontvangst meer. Dus ga ik daar morgen een uurtje of zo op het trottoir zitten om wat contact met de buitenwereld op te zoeken.

Km-stand in Lucca: 55.835

Gereden: 135 km (maar wel héél moeilijke)

Italië 2012 – donderdag 29 maart

Donderdag 29 maart

Het was weer heel vroeg dag. De zon was om half zeven nog niet van de partij maar de deur kon wel blijven open staan. Huub was gefascineerd door de mussen die hier talrijk nestelen.

Opvallend: de kabelbaan vertekt op vaste tijd maar er zit nooit iemand in

Omdat de toilettenen en de douches er zo bijzonder goed uitzagen, hebben we  er dan ook overvloedig gebruik van gemaakt. Dat mocht ook wel tegen deze prijs.

Mieke ging haar identiteitskaart weer ophalen en vroeg de baas waarom je voor de hond moest betalen. Antwoord: dat is hier in Italië de gewoonte en ze doen het overal. Wat voor nonsens is me dit!

Dan op weg naar Merano en Bolzano en de SS12 zoeken naar het zuiden.

In Zuid-Tirol (of Alto Adige voor de romanisten onder ons) rijdt met toch nog min of meer gedisciplineerd. Het zijn hier tenslotte nog altijd een beetje Duitsers, nietwaar. Maar… hoe meer naar het zuiden, hoe meer men verstrikt raakt in Berlusconistan, m.a.w. het machismo haalt het op het gezond verstand. Iedereen  wacht tot er een volle witte streep op de weg geschilderd staat vooraleer men begint in te halen. Nog meer opvallend: de politie geeft hier zelfs het voorbeeld hoe je op de beste manier een van de meest zware overtredingen in ons land kunt omzeilen. Nog iets typisch Italiaans: wie uit een zijstraat komt, zet zijn auto tot minstens de helft in de rijweg waar jij toevallig opzit. Moet jij maar zien dat je hem/haar kunt ontwijken. Doodvermoeiend, die Silvionisti.

Madame Garmin brengt ons heel snel voorbij Bolzano, Trento, Verona en Modena maar dan loopt het wel een beetje fout. Bedoeling is te overnachten in Maranello maar ze brengt ons op een plek waar je nauwelijks een camperparking zou vermoeden, laat staan dat je er ook nog zou kunnen parkeren. Opnieuw de coördinaten van Facile ingevoerd en dat brengt ons dan weer naar een andere plek waar ook al geen camperplaats is. Dan de getalletjes ingetikt van Campercontact.nl en dat brengt ons naar een dorpje Torre Maina en verdorie toch, daar zie ik een camper staan, een Duitse Concorde van wel 8,50 meter lang. Daarheen, dus. Helaas staat er een slagboom tussen de inrit en de droomachtig mooie plaatsen. Zegt die Duitser (een vriendelijk man, trouwens) dat je eerst naar een nummer moet bellen, dan komt een man je een code geven en kan je naar binnen. Mieke belt maar krijgt een dame aan de lijn die alleen Italiaans praat en als je het in het Engels, Duits of Frans probeert, gewoon de hoorn neerlegt. Die vriendelijke Duitser (jaja, ze bestaan) tikt daarop gewoon zijn code in en laat ons binnen. We zullen later op de dag nog eens proberen.

Buiten was het alweer 29° en dus was het zoeken naar schaduw.

Mieke had uiteindelijk de man aan de lijn en we werden verzocht om te komen betalen in zijn restaurant, 200 meter verderop, tegenover de kerk van Torre Maina. Een geweldige truuc om volk aan zijn tafels te krijgen, natuurlijk. Even later kwam er nog een Duitser toe – in één ruk van Freiburg naar hier gereden – en wie goed ontmoet, moet ook maar goed doen. Dus heb ik de man binnen gelaten en hem ook maar naar het restaurant verwezen.

Toch tamelijk uitgebreid zitten aperitieven en dan naar de kerk van Torre Maina. Nu viel dat restaurant Zanichelli nogal mee. Pasta voorop, escalopje achteraf, koffie + grappa, twee flessen wijn en nog maar een grappa = 45 euro. Het (tweede) Duitse koppel met hun 2 kindjes + hond kwamen ook opdagen maar tegen die tijd was ‘mijn zjat al goe vol’. Terug in de kar toch nog aan het bier gezeten en daarna in de grote zwarte leegte verzeild geraakt.

 

Km-stand in Maranello (Torre Maina): 55.700

Gereden: 325 km

Italië 2012 – woensdag 28 maart

Woensdag 28 maart

Geslapen gelijk een os; alleen maar vier keer moeten opstaan om te plassen. Dat Duits bier loopt er gewoon doorheen, vind ik. Van het keelgat rechtstreeks naar de blaas. Huub begon om half zeven al te mekkeren en hoewel dat helemaal tegen mijn zin was, ben ik toch maar opgestaan voor een wandeling door het slaperige en doodse Nellingen. Je staat er wel verbaasd van hoe proper zo’n gat is, geen papiertje op de grond, terwijl er nergens afvalbakken te bespeuren zijn. Bij ons in Leuven zijn er daar voldoende van en toch smijt iedereen zijn smeerlapperij gewoon op de grond. Triestig.

Alweer een beetje zitten vloeken op Madame Garmin. Ik wilde terug de A8 op en zij wilde mij helemaal noordwaarts het binnenland in sturen.  Ik had wel een wegwijzer gezien naar de snelweg en dus reed ik die richting uit. Waar kwam ik uit? Juist ja, aan afrit 61 zoals ik intuïtief had voorop gesteld. Och ja.

Tot aan de Oostenrijkse grens verliep alles gesmeerd, erna ook. In Lermoos kom je via de tunnel (niet betalend) heel vlot over de Fernpass heen, zo van: oei, zijn we al boven? In Landeck opletten dat je daar niet de tunnel neemt want die is betalend. De Resiapas is andere koek, ook al omdat daar wel wat werken gaande waren. Vorstschade aan het wegdek wordt door de Oostenrijkers meteen aangepakt. Boven aan de top lagen nog dikke sneeuwtapijten en ik zag Mieke al huiveren. Het plan was om daar eens te stoppen maar wij, koukleumen, wilden toch liever een beetje zakken waar het warmer was. Ja watte, onderweg zeer moeilijk een parkeerplaats te vinden wat het stoppen wel erg moeilijk maakte.

Tja, en dan kom je in een gat dat Latsch/Laces heet, en dan stop je om te tanken, omdat je net voor de grens niet kon beslissen om dat nog in Oostenrijk te doen. Daar krijg je dan wel spijt van want in Italië kost een liter diesel al snel 20 à 25 cent meer dan bij de Grüss-gotters. Mieke had meteen gezien dat het volgende huisnummer van het tankstation een rasthof/hotel/camping is. En wij daar dus gaan kijken en Mieke wilde wel op die camping blijven. Die ziet er ook verdorie heel goed uit maar ik had al een vermoeden dat het ook gepeperde prijzen zouden zijn. Nu ja, zij regelde het allemaal en ging ons dan ook inschrijven en betalen. Laps mijn oor, 32,30 euro. Om hier één nachtje te staan. Het ergste van al is dat we voor Huub 3,90 euro moeten betalen. Als ik dat had geweten, was ik meteen terug in de auto gestapt en verder gereden. Ik blijf het een schande vinden, geld vragen voor een hond. Die neemt geen douche, die gebruikt geen toilet, die verbruikt geen stroom (waar je trouwens ook 3 euro moet voor betalen) en als hij ergens een hoopje achterlaat, ruim je dat toch op. Waarvoor dient dat geld dan? Om snel rijk te worden! En om toeristen op stang te jagen, en weg te sturen. Belachelijk, gewoonweg. Maar… ’t is wel een mooie plek met op de achtergrond besneeuwde bergtoppen waar de zon oogverblindend op schijnt. Buiten is het 26 graden, de zetels gaan uit de garage maar niemand gaat erin zitten. Té warm.

Er is hier ook een restaurant maar dat gaat pas op 1 april open. Er is hier ook een bar, annex winkel. In die bar tapt men een aardig potje koffie, in die winkel verkoopt men streekwijn, die achteraf gezien niet veel zaaks is. We schaffen er ons wat overlevingskost aan. Daarna gaat Mieke de sanitaire installaties controleren en  ik heb heel de avond om de tien minuten moeten aanhoren hoe netjes die er wel bij liggen. Mag ook wel voor dat dure geld, vind ik dan weer.

Tot 19 u in de zon gezeten, in T-shirt. Mieke: ‘Nog een geluk dat je niet boven op die berg een plek in de sneeuw gezocht hebt’. Waarop ik: ‘Ja maar daar was het wel gratis.’ Dat wederzijdse gelul stond natuurlijk al sterk onder invloed van het rijkelijke aperitief.

Het was nog maar pas donker en wij maakten al aanspraken om het bed in te trekken. Het zou een lange nacht worden zonder kou te hoeven lijden.

Km-stand in Latsch: 55.375

Gereden: 334 km

Italië 2012 – dinsdag 27 maart

Italië 2012

Dinsdag 27 maart

Deze nacht geen oog dicht gedaan, niet eens vanwege zenuwachtigheid want daar was geen sprake van. Als je alle uren van de nacht hebt meegeteld, is het bijna verlossend dat die wekker je om half zeven uit je bed haalt.

Tegen alle verwachtingen in waren om kwart voor negen onderweg. Luik en het pislelijke Verviers voorbij, Prüm, een stukje naar Trier en dan Kaiserslautern, afrit 17 om zo door te steken naar de A6 richting Landau en Karlsruhe. Zo was het gepland maar Madame Garmin had weer haar kuren en wilde me absoluut op weg B10 houden. Dat was niet naar mijn zin want anders was ik wel over Pirmassens gereden. Haar gezever bleef maar duren zodat ik haar definitief het zwijgen oplegde tot een eind voorbij Stuttgart, waar het – tussen haakjes gezegd – behoorlijk vlot ging. Bij een vorige gelegenheid stonden we daar bijna twee uur in de file.

Tijdens een tank- en plasstop even de Facile geraadpleegd. Als je alleen bent is dat een heel stuk eenvoudiger; nu moest Mieke ook inspraak krijgen. Ik opteerde voor Blaubeuren (afrit 61) omdat het daar iets natuurlijker uitzag zodat Huub er ook nog wat aan had. Een andere optie was Nellingen, aan Landgasthof Krone. Daar mogen klanten gratis op de parking staan. Hola zag ik Mieke denken, daar is een restaurant aan. Dus daarheen! Stuurt Moeder Garmin me al op afrit 58 eraf en moet ik door de grootste negorijen van Moffonia rijden om dan uiteindelijk aan afrit 59 te belanden om daar alweer het land te worden ingestuurd. Hoe dan ook, we vonden het. Dure eden gezworen dat ik nooit meer doorheen Duitsland trek zonder detailkaarten. Die meende ik nu niet nodig te zullen hebben maar zo zie je maar.

Dat Krone zag er allemaal picobello uit, de diensters waren zeer vriendelijk, en de Biergarten was open. Zo had ik er ook nog wat aan.  Komt ineens de madame van het huis aan gefietst, mét hààr hond, een zwarte Briard. Huub in alle staten en zegt die madame: laat hem maar los, kunnen ze samen spelen. Tot Huub ineens een apart spelletje wil spelen, waarop die madame vraagt of hij gecastreerd is. Euh, neen. Ineens betrok haar gezicht en riep ze dat we hem weer moesten vastleggen want haar teef was loops en ze had geen zin in pups. Zeker niet met Huub als medeplichtige want met die zwarte van haar zou dat misschien zebrahonden hebben gegeven.

Het eten was op zijn Duits maar Mieke vond het lekker, en de lokale wijn ook. Dus had ik geen klagen, hoewel de rekening weer eens bewees dat wij altijd wel meer drinken dan eten.

Intussen begon de vermoeidheid toch wel heel erg toe te slaan en na nog enkele slokken rosé, begon ik toch maar mijn bed op te maken. Wat Mieke daarna nog gedaan heeft, weet ik niet. Ik had nog maar net mijn bril afgezet of ik was al helemaal van de wereld af.

 

Vertrek: 54.463 km

Aankomst Nellingen: 55.041

Gereden: 578 km

Italië: waarom?

Op 13 april 1982 kreeg ik ’s morgens vroeg een telefoontje uit Italië. Mijn kameraad Gigi – ooit nog uitbater van restaurant Pirata in de Mechelsestraat – vertelde me dat mijn dochter betrokken was in een auto-ongeval en dat ik er misschien goed aan zou doen om zo spoedig mogelijk naar Napels over te komen. Op mijn vraag om met mijn ex te kunnen spreken, antwoordde hij dat die in het ziekenhuis was. Dus dacht ik meteen: dit gaat niet over een verstuikte enkel of een gebroken arm.

Ik boekte een vlucht en pas na 23 u kwam ik in Napels toe. Daar kreeg ik het rauwe nieuws te horen dat Ann op slag dood was en dat de drie andere inzittenden in de kliniek lagen met zware verwondingen.

Daags nadien heb ik mijn dochter begraven, in omstandigheden die mijn meteen aan de films van Federico Fellini deden denken.

Paasvakantie 2001, met vakantie ergens in Spanje, maakte plannen om het jaar nadien – 20 jaar na datum – naar Napels te gaan. Dat is er niet van gekomen. Daarna maakte ik plannen om in 2006 met de motor naar ginder te rijden. Ook dat viel in het water.

Dit jaar is het dus 30 jaar geleden en die verjaardag wil ik niet missen. Gewoonweg omdat ik misschien geen volgende gelegenheid meer krijg. Dus vertrekken we op 27 maart naar ginder. Deze keer met de camper.

Mieke heeft enkele belangrijke vergaderingen in de tweede week van haar paasvakantie en zal al op 9 april met het vliegtuig terugkomen uit Napels. Zelf zal ik in een rustig tempo terug rijden, nog even blijven genieten van de lente in Italië. By the way: Huub gaat natuurlijk mee.

Voor zover we onderweg beschikking hebben over internet zal ik weekverslagen posten. Misschien wel met hier en daar een fotootje erbij, voor zover ik intussen geleerd krijg hoe dat te doen.

 

Benidorm Bastards 3

Het klassieke wielerseizoen is in Vlaanderen op gang geschoten en dus spendeer ik mijn laatste dagen in Spanje, weliswaar in de buurt maar toch nog altijd op veilige afstand van Benidorm. Het ging hier voorheen al over dronken Noren, als Fransman vermomde Britten en vooral over onze lieve maar iets té overal en té zelfbewust aanwezige noorderburen. En hoe zit het met de Belgen, hoor ik u vragen. Uiteraard zitten die hier ook, zij het op een iets meer bescheiden manier dan de Nederlanders. Hier op deze camping heb ik maar drie Belgische nummerplaten ontdekt maar iets verderop krioelt het wel van landgenoten die liever niet op Klein Holland komen staan. Die bezoeken hier in de stad wel een als Belgisch vermomde frituur, met snacks van Vanreusel en sausjes van Vleminckx!

Een eind verderop heb je café Sprint, weliswaar voor honderd procent door Spanjaarden gerund, maar dat zowat geclaimd is als stamcafé van de Belgen. Sommige landgenoten menen dat ze de Noren in hun drinkgedrag moeten voorbij sprinten zodat je daar soms wel getuige bent van schabouwelijke taferelen.

Hier net achter de hoek ligt mijn ‘stamrestaurant’, voor zover zoiets al mag bestaan. Het wordt gerund door een Nederlander – die zijn naam de Koster netjes verspaanst heeft tot El Sacristan – maar het personeel is Belgisch. Wellicht gekozen omwille van hun uitgebreide talenkennis. Hoewel, of ze het cliënteel nu in het Spaans, Frans, Engels of Duits aanspreken, het klinkt wel altijd heel sterk alsof je ergens in het Schipperskwartier van Antwerpen bediend wordt. Hoe dan ook, je kan er een behoorlijke kwak eten voor slechts 9,50 euro, en daar is dan nog een halve fles wijn inbegrepen.

Wie het iets hogerop wilt zoeken, gastronomisch gezien dan, moet dan weer wel bij een echte Belg terecht, richting Altea uit. Tegenover de jachthaven aldaar ligt restaurant Sabor en je moet de chef daarvan al in een dwangbuis steken om hem ervan te weerhouden binnen de kortste keren in de Michelin en de Gault-Millau vermeld te staan. Het weekmenu kost er ocharme 15 euro maar voor het lekkers dat je voor dat geld op je bord krijgt, zit je bij ons al gauw aan vier, vijf keer die prijs. (www.restaurantsabor.com)

En heb ik al iets verteld over die andere Leuvenaar hier op de camping? Ik mag zijn naam niet verklappen maar zijn voornaam – en die van zijn vrouw – begint met een F. Hij is er ooit in geslaagd om van een verlaten beenhouwerij een goed draaiend café te maken. Die zaak droeg de naam van een straf streekbier maar gaf even zo goed de diepste aard en karaktertrekken van de baas helemaal weer. F. komt hier al een jaar of drie overwinteren en is uitgegroeid tot een fervent liefhebber van petanque, door zijn Nederlandse medespelers hardnekkig ‘sjeutepoel’ geheten. Haast elke dag, stipt om 14 uur, staat hij aan de petanquebanen ‘om die Hollanders eens goed af te drogen’. Hij converseert met hen consequent in het Leuvens dialect en als de ‘cochonette’ niet wil landen waar hij het graag zou hebben, volgt een stormvloed vloeken, wat door de diepgelovige omstaanders niet graag gehoord wordt maar voor F. het signaal is om er nog een schepje bovenop te doen.

Als we na het spelletje aan het aperitieven gaan – uiteraard pastis want met petanque vormt dat drankje een twee-eenheid – worden gemeenschappelijke herinneringen bovengehaald en passeren Leuvense figuren, Leuvense café’s, Leuvense toestanden, Leuvense evenementen de revue. Tout court het gaat wel altijd over Leuven. Zou je kunnen geloven dat ik heimwee begin te krijgen? Zet die Stella maar al klaar!