Brel

Juist ja, het had hier twee weken eerder moeten staan maar wat wil je, zelfs in Leuven Actueel hink je soms de actualiteit achterna. Op 9 oktober was het 35 jaar geleden dat Jacques Brel overleed. Geen heuglijke herdenking maar bijna dag op dag vierde ik op die datum ook de 50ste verjaardag van mijn speciale band met die Grootste Belg (voor de Franstaligen dan toch; in Vlaanderen stond hij pas op nummer 7). In 1963 spoorde deze nog gedeeltelijk puisterige tiener dagelijks naar Brussel om daar volledig tegen de goesting een totaal nutteloze opleiding te volgen die desondanks met een diploma werd bekroond. De hemel mag weten welke oen het toen in zijn hoofd had gehaald om het leerprogramma van de donderdag te laten beginnen met 2 uur lichamelijke opvoeding. Een gedroomde uitdaging om enkele uren te laat te komen en in één van de beduimelde en rokerige ‘buvettes’ van Bruxelles Midi te blijven hangen, koffie zitten te slurpen en een boek te lezen.
Goed, ergens begin oktober zit ik weer in zo’n buvette en in het verste hoekje zit iemand heel ijverig bierviltjes vol te krabbelen. Jacques Brel, dames en heren! Je probeert je boek te lezen maar na elke komma en elk punt gaan je blikken toch weer zijn richting uit. Je kent die man alleen uit de kranten die hem verketteren vanwege enkele ‘Vlaamse kaaksslagen’ en daar zit hij nu in levende lijve drie tafeltjes verder. Na pakweg een half uur pakt Le Grand Jacques zijn koffertje, stopt er zijn stapel volgeschreven bierviltjes in en loopt naar het perron voor zijn trein naar Parijs. Ik hem achterna, m’n uiterste best doende om er uit te zien als iemand die toevallig ook die kant uit moet. Hij stapt in, gaat aan een raampje zitten en als de trein zich in gang trekt, zwaai ik hem verlegen uit. Hij lacht heel zijn paardengebit bloot, zwaait terug en laat een ietwat bescheten 19-jarige flapdrol achter met zichzelf.
Die dag heb ik de school gelaten voor wat ze was, nam de trein terug naar huis om dan in een Leuvens café verdwaasd van de opgedane indrukken te blijven hangen tot de schooltijd officieel is afgelopen. Pas weken nadien, tot ik genoeg gespaard had, kocht ik mijn eerste elpee van Brel, zijn live optreden in de Olympia 1961. Ik verstond er nauwelijks wat van. De diepere betekenis ontging me totaal. Daarvoor was ik nog veel te jong en was mijn kennis van de Franse taal net iets te abominabel. Elk schooljaar sloot ik wel af met een kanjer van een buis in het Frans en al mijn vakanties werden verbrod door bijlessen waarvoor mijn ouders zich blauw betaalden.
Nu had ik destijds een vriend en diens ouders waren helemaal wild van Franse chansons. Bij hem thuis kreeg ik Claude Nougarot over me heen, en Brassens, Juliet Gréco en Charles Trenet. Ook een beetje Brel. Samen met diezelfde vriend mocht ik vakantiewerk doen in Spa. Mét de goedkeuring van mijn ouders die dachten dat ik daar in de praktijk meer zou opsteken dan in de bijlessen. En jawel hoor, in Spa spijkerde ik mijn Frans bij, vooral nà de werkuren in de verscheidene danscafés en met dank aan de gewillige jongedames uit Pepinster, Sart, Malmédy en Francorchamps. En zo geschiedde dat ik in 1964 voor de allereerste keer in mijn leven zonder herexamen Frans naar huis kwam, zij het met de hakken over de sloot.
Maar we dwalen af; terug naar Brel. Die raakte in mijn leven lichtjes bedolven onder het geweld van rock-’n-roll en van het lichtere Franse werk, genre Johnny Hallyday, Adamo, Sylvie Vartan en andere France Galls. In de vrolijke meidagen van 68 en de zomer van ‘L’imagination au pouvoir’ werd zijn ‘Les Bourgeois’ – het refrein althans – nog wel eens luidkeels meegebruld maar daar bleef het dan wel bij. Tot je in bepaalde omstandigheden onvermijdelijk toch weer bij Brel uitkomt. Geen enkele aangename of rotte ervaring in je leven, geen enkel ambigue gevoel dat je onrust kwam aanwakkeren of hij had er wel een paleis van een lied over gemaakt. Bij hem vond je wel altijd kant en klare bewoordingen om je eigen miserie en knagende onmacht voor jezelf verstaanbaar te maken. Daarvoor moest je alleen tot de jaren van verstand zijn gekomen, voldoende klappen hebben gekregen, met volle teugen genoten hebben van ontvangen liefde en vriendschap. Hij heeft me vooral geleerd dat er in ieder van ons een kleine dromerige Don Quichote verscholen zit. Of een gezapige Sancho Panza, of een frivole Dulcinea. Of een onrustige reiziger, een intieme vriend of een eeuwige zoeker. Pour atteindre l´inaccessible étoile… Merçi Jacques.

’t Is niet al treurnis in de wereld

Van mijn baas mocht ik het in deze column nooit ofte nimmer over politiek hebben. Dat is een afspraak waar ik nu eens goed van zal afwijken, zie. Politici hebben me de voorbije dagen immers veel te hard doen schaterlachen, iets waar Geert Hoste nog altijd niet in slaagt. Ergens las ik dat onze voormalige premier Leterme verkozen was tot meest sexy politicus, weliswaar na Paul Magnette (PS) maar wel vòòr Melchior Wathelet (cdH), koning Filip (jawel, hij!) en Olivier Chastel (MR). Net voor ik in paniek naar VVOV (Vereniging voor Oogartsen in Vlaanderen) wilde bellen omdat er duidelijk een epidemie van staar, netvliesontsteking tot zelfs totale blindheid de ronde deed, merkte ik dat deze informatie afkomstig was van ww.gleeden.com, een website voor dames die graag eens een scheve schaats willen rijden. Waarom die dames het zo graag zouden doen met Yves uit Ieper is me nog altijd niet duidelijk, net zomin als waarom ze dat via deze site doen. Ze kunnen dat toch beter via twitter want met dat medium heeft Leterme veel meer ervaring. Iedereen herinnert zich nog zijn ‘Want to learn to know you’…
Diezelfde Leterme was – helemaal buiten zijn eigen wil om – heel erg grappig met zijn excuses ten opzichte van de ‘goede doelen’ die hij niet had kunnen helpen omdat hij zijn vertrekpremie niet had opgeëist. Sommige van zijn ex-collega’s waren op dat vlak heel wat minder terughoudend. Toen die op hun beurt uitpakten met hun motivatie en rond-de-pot-draaierij maakte mijn aanvankelijke plaatsvervangende schaamte plaats voor een lachkramp waar ik nu nog altijd buikpijn aan overhoud.
Al even kluchtig sprongen bepaalde politici om met het optreden van Stromae in Brussel waarop een vlaag van belgitude over ons heen dwarrelde wat vanuit een andere hoek dan weer even hardnekkig werd tegengesproken. Grappig. Ieder met zijn hymne, ieder met zijn vlag… zingt Johan Verminnen. De ene krijgt koude rillingen van de Brabançonne, de andere een krop in de keel bij het aanhoren van de Vlaamse Leeuw. Het ontgaat mij allemaal een beetje maar bij de eerste maten van de Matthäus Passion biggelen de tranen langs mijn neus. Maar ja, Bach was een Duitser. Zonder vlag. Wel met veel hymnes.
Dat onze Leuvense politie ook beestig grappig uit de hoek kon komen, werd pas in Brazilië duidelijk. In Belèm ving men de dagtaak aan met een gebed in groep. Onze dienders waren daarvan onder de indruk: “Dat schept echt een band, ’t is precies één grote familie.” Tja, denk ik dan, hopelijk gebeurt dat hier in de toekomst maar beter niet. Ik zie ons korps al elke ochtend op de pui van het stadhuis de litanie van alle heiligen afdreunen… Kwestie van een band te scheppen. Bij een routinecontrole mochten onze flikken een busje doorzoeken. Zei het haantje-de-voorste: “Het zou wel cool zijn mocht ik hier een blaffer vinden.” Hij keek sip toen hij zich moest tevreden stellen met een minder cool maar even gevaarlijk wapen: een aardappelmesje. Diezelfde stoere bink, die met de minuut in zijn Rambo-rol groeide, vond ook: “Stel je voor dat wij met zo’n blaffer de Oude Markt zouden opgaan; ze zouden ook wel netjes in een rijtje gaan staan.” Die man solliciteerde duidelijk naar promotie, liefst met de ster van een sheriff op de borst. Voor de rest hadden onze agenten het moeilijk met straatjes die smaller waren dan de Parijsstraat, met het fouilleren zonder handschoenen en vroegen ze zich af waarom er geen plannetje werd gemaakt bij een aanrijding. En voor de rest waren ze van mening dat elke Braziliaan uit de favela hun koeterwaals Engels maar moest verstaan. Ik begon zowaar te twijfelen aan de opleiding en het kunnen van ons veiligheidskorps en kon een vlaag van medelijden nauwelijks onderdrukken, maar toen moesten ze alweer afscheid nemen en daar kwamen tranen bij te pas. Het enige moment van dit tv-programma dat niet om te lachen was.
De studenten zijn weer in de stad en dat zullen we geweten hebben. De stoet van de togati had nog maar net de universiteitshallen verlaten of ik werd op het trottoir bijna uit mijn schoenen gereden door zo’n fietsende waaghals met aan zijn zadel met een plaatje met daarop ‘Weer een auto minder’. Hij zal er niet bij stilgestaan hebben dat er bijna een voetganger minder was. Toen liep ik langs de Dijle en zag daar alweer enkele fietsen in liggen. Tip voor de autolobby: waarom daar geen plakkaten bij zetten met de tekst: ‘Weer een fiets minder’. Iets verderop, aan de Dijleterrassen ligt onze Fiere Margriet nog heel even op het droge. Hoe lang nog?