Werken voor je geld

Binnen twee weken is het weer dringen aan de kieshokjes. Wat die verkiezingen in petto hebben, weten we uiteraard nog niet. Een zekerheid is er wel: Tobback zal na 24 jaar geen burgemeester van Leuven meer zijn.

Het minste wat je van Louis T. kunt zeggen, is dat hij één van de meest markante figuren uit de politieke geschiedenis is, en niet alleen op lokaal vlak. Niet dat ik hem meteen bij de kern van mijn vriendenkring reken maar ik mag hem wel. Dat is slechts door de jaren heen gegroeid; ooit is dat wel anders geweest. Zo lang hij het parlement maar op zijn kop zette en zetelende ministers het vuur aan de schenen legde, kon ik hem wel pruimen. Brussel is tenslotte Leuven niet en zo lang hij maar uit deze stad wegbleef en zich er niet mee bemoeide, was het voor mij wel dik in orde. Zijn constante sneren naar soixante-huitards, hun overdreven tolerantie en losse zeden, hingen mij de keel uit. Eerder in de jaren 70 had hij als schepen al een gedeelte van de Diestsestraat verkeersvrij gemaakt en in dat tijdperk van “Mijn auto = mijn vrijheid” werd dat niet gesmaakt. Vooral de koppige volharding waarmee hij zijn plannen onverhoeds doordrukte zorgde voor wrevel en zwarte vlaggen. Tja, wie kon toen beseften dat hij hiermee een eerste aanzet gaf om Leuven uit een eeuwenlang volgehouden duffe lethargie te doen ontwaken en het stugge provincialisme te laten ontgroeien. Voor het overige liet dorpspolitiek en aanverwante bezigheden mij volkomen koud; in mijn beperkte sociale kring waren wel andere interessante dingen te doen. Nog altijd dacht ik dat de wereld alleen te redden was met het rapport van de Club van Rome of de boeken van Kropotkin bij de hand. Nog altijd vond ik mezelf méér wereldburger dan Leuvenaar.

Op de sporen

En dan kwam het TGV-verhaal. In een interview met De Morgen vertelde Tobback dat hij zich op de sporen zou leggen als Herman De Croo (toenmalig minister voor Verkeer) zijn plannen voor een hoge snelheidstrein zou uitvoeren. In dat geval zou de TGV in Zaventem afbuigen, onder de E40 doorsteken en dan langsheen die snelweg richting Tienen knallen, onderweg een flinke hap uit Heverleebos knauwen en halve dorpen in puin leggen. Dat wilde Tobback niet. Wel dat de toen reeds overbelaste lijn 36 van Brussel tot Leuven ontdubbeld werd. Uit dat interview werd alleen dat ene zinnetje totaal uit zijn verband gerukt, begon een eigen leven te leiden en het werd te pas en te onpas tegen Tobback gebruikt. Het bredere verhaal werd er nooit bij verteld. Toen speelde mijn rechtvaardigheidsgevoel op. Zoveel domme kwaadwilligheid kon ik echt niet verdragen en ik begon voorwaar gevoelens van sympathie en bewondering voor Tobback te ontwikkelen. Dat hij met zijn standpunt ook het gelijk aan zijn kant had, werd pas later duidelijk. Die vier sporen maakten immers de ontwikkeling van de stationsbuurt mogelijk, waardeerde de Kop van Kessel-Lo stevig op, kreeg het station een nieuwe overkapping en werd een rechtstreekse treinverbinding naar de luchthaven mogelijk.

Petit pays, petit esprit

Als zoon van een voormalig brouwer/paardenkoopman uit het verre Haspengouw ben ik waarschijnlijk mijn kleinstedelijke, zeg maar dorpse roots nooit ontstegen en daarom voelde ik me in Leuven verdomd goed in mijn schik. Geen jachtigheid maar een lang vol te houden levensritme, groot genoeg om zowat aan elk aanbod te voldoen en te klein om onoverzichtelijk te zijn. Als je nood had aan echt ‘stadsgevoel’ deed je tussendoor wel een uitstapje richting Londen of Amsterdam. OK, je vond het wel belachelijk dat de burgemeester zich druk maakte over de duivenstront op de trappen van de stadhuispui of dat de eerste schepen je een felicitatiekaartje stuurde voor je verjaardag die je pas maanden later mocht vieren (Oei, foutje in mijn administratie) maar je kende hier iedereen bij naam en toenaam, je kon overal komen, je kon stappen op de Vismarkt, nu en dan gaf je een dolgedraaide student eens een verdiende muilpeer of je kreeg er een, en in een dronken bui brachten goedmoedige politieagenten je eventueel wel naar huis. Om maar te zeggen: in Leuven was gezapige gezelligheid troef.

Tsunami

Tja, en toen werd het 1994. Tobback vroeg mijn teerbeminde om op zijn lijst te staan. Plaats 24 kreeg ze. Mij kon het niet schelen, lokale politiek was niet mijn ding. Ik schreef voor de gazet en voelde me perfect in mijn rol als objectieve waarnemer. Dat hij zou scoren stond wel huizenhoog vast maar dat Leuven een Tobback-tsunami over zich heen zou krijgen, kon niemand voorspellen. Tot mijn grootste verbazing trok mijn madame rechtstreeks verkozen naar het stadhuis; met haar voorkeurstemmen kon je de toenmalige tribune van het al even toenmalige Stade Leuven vullen. Nooit heb ik begrepen hoe dat mogelijk was. Voortaan mocht ik een keer per maand vanaf de persbanken naar haar rug kijken en achteraf samen iets gaan drinken. Dat waren momenten om naar uit te kijken want de rest van de maand blonk zij vooral uit in uithuizigheid. Toch meer dan ik die toch zichzelf de titel ‘Kapitein Zeldenthuis’ had toebedacht.

Woordensalvo

Destijds hield burgemeester Vansina en/of zijn schepenen wekelijks een persconferentie. Een en ander was er gekomen op vraag van de persjongens zelf. Die ontmoeting verliep altijd buitengewoon strikt georganiseerd aan de hand van een op voorhand mooi uitgeprinte tekst, die dan ook meestal klakkeloos werd afgerateld. Zelf hoefden wij eigenlijk niets meer te noteren en bijkomende vragen werden nauwelijks gesteld, laat staan beantwoord. Nooit zal ik dat eerste persmoment met kersverse burgemeester Tobback vergeten. Die stak meteen van wal met een ratelende woordensalvo en toen iemand van ons vroeg of hij geen kant en klaar tekstje had voorbereid – waar wij tenslotte in volle verwachting op zaten te wachten – volgde het korte antwoord: “Vanaf nu zullen jullie moeten werken voor jullie geld.” Nooit heb ik de lokale journalisten zoveel weten te pennen als wel die dag. En alle daarop volgende weken. Was je voordien na een half uurtje wel klaar, dan liep de confrontatie met Tobback wel eens tot anderhalf uur uit. Tot hij die wekelijkse persbabbel ook niet meer nodig achtte. Als hij of zijn schepenen wat te vertellen hadden, zouden ze de pers wel zelf contacteren. Of vice versa; vragen staat vrij. Van een stijlbreuk gesproken; nu ja, het is niet bij ene stijlbreuk gebleven.

Inspraak

Wie in de gemeenteraad van hem niet meteen gelijk kreeg, verstopte de eigen zwakheid, of de stupiditeit van een door hen ingediende voorstel, nogal vlotjes achter zijn manier van aanpakken, achter zijn hoge bullebakkengehalte, zijn autoritaire karakter. Plots moest voor sommigen de mening van enkele verlichte geesten, die zichzelf uitgaven voor een ‘straatcomité’, in het stadsbeleid meer doorwegen dan wat de meerderheid daarover dacht. Inspraak van de bevolking, was ineens een nieuw woordje in de stadhuiswoordenschat. Holapola, en ik die meende dat de bevolking in het stemhokje om de zes jaar wel voldoende inspraak kreeg. Als je stadsbestuur kiest, moet je dat toch wel eventjes laten besturen ook. Dat is het spel, zo zijn de regels en zo dient het spel gespeeld te worden, dacht ik, Neerlands Hoop parafraserend. Naïef van mijnentwege, uiteraard.

Schaakgrootmeester

Wat ik wel weet, is dat ik heel mijn schrijvende loopbaan lang geen last had van het predicaat dat Tobback een autoritaire Zonnekoning Louis XIV zou zijn. Nooit ofte nimmer heb ik van hem enige poging tot rechtstreekse beïnvloeding mogen ondervinden. Voor zover ik kan nagaan, en voor zover ik in hun naam mag spreken, ook mijn toenmalige perscollega’s niet. Op donderdagochtenden – Passe-Partout zat dan net in de brievenbussen – kreeg ik vanuit het stadhuis wel eens een telefoontje met de krassende boodschap: “Missotten, welk indianenverhaal heb je nu alweer geschreven?”. Heuh, tja, dat is toch wat ik uit uw mond meen gehoord te hebben, burgemeester. “Ja, maar je hebt niet goed geluisterd, hé” klonk de repliek, waarop er een heel exposé volgde over het belang van wat hij nu net niet gezegd had, welke drijfveren en achterliggende gedachten hem tot die uitspraken of besluiten hadden gebracht en welke diepere betekenis erachter schuilging en wat daarop zou volgen. Nadien was je wel dringend aan een opkikkerende kop koffie toe. Je voelde je als journalist nog maar een halve pink groot. Waarom was jouw vermogen tot redeneren in hemelsnaam nog altijd niet verder dat een neuslengte geëvolueerd? Tja, dan moest je wel bewonderend toegeven dat Tobback een geniaal schaakspeler was die minstens twintig zetten vooruit kon denken. Zo’n beetje het niveau van Karpov, Kasparov, Fisher, Spasski, Kortsjnoj, Magnus Carlsen en andere grootmeesters. Maar dan wel op het politieke vlak.

Je hoefde helemaal zijn spreekbuis niet te zijn, in tegendeel zelfs, aan kontlikkers en jaknikkers heeft hij nog altijd een gloeiende hekel. Wat hij wel wilde, was dat je wel eerst aan enige hersengymnastiek deed vooraleer je iets schreef. Daarna hoefde je het nog altijd niet met hem eens te zijn maar hij wilde wel dat je geen flauwekul de wereld in stuurde. Zo begon ik hem steeds beter te begrijpen. Bij alles wat hij zei, moest je wel eerst goed afwegen wat hij vooral niet over het puntje van zijn tong kreeg. Bij elk van zijn ideeën, hoe controversieel die in het begin ook mochten klinken, moest je wel vooruit kijken naar de gevolgen en consequenties daarvan. Bij hem geen gedoe van “Waarom? Daarom!” maar hij zette je wel langzaam op weg in een logisch denkproces. Als hij A zei, moest jij niet B, C, D denken – dat was iets te beperkt – maar wel doorgaan tot X, Y en Z. Hoed af, burgemeester!

Terloops: dat kon je van andere politici helaas niet zeggen. Die wentelden zich nogal makkelijk in hun vermeende machtspositie, tilden zichzelf over het paard. Twee van hen – ik zal geen namen noemen, maar respectievelijk brachten ze het wel tot minister en staatssecretaris – kwamen met veel bombarie mijn ontslag, of toch minstens gemeende excuses, eisen omdat ik hen iets te stout tegen de haren had ingewreven. Aan me hoela! Grootsheid is niet iedereen gegeven.

Bedankt Louis

Ben ik nu een tot idolatrie gedreven, slaafse fan van Tobback? Bwa, neen. Net als jij en ik heeft ook hij zijn kleine menselijke kantjes en gebreken. Misschien zelfs een tikkeltje meer. Heeft hij het altijd bij het rechte eind. Bwa, neen. Vaker dan wel ben ik het met hem niet eens. Daarover zal ik hier nog wel eens uitgebreider op terug komen. Wel probeer ik de man te beoordelen op zijn merites als burgemeester, op wat hij voor deze stad betekend heeft en nog betekent. Ik vrees dat we nog heel lang moeten wachten vooraleer we er nog eentje van zijn kaliber zullen krijgen. Wel ben ik hem eeuwig dankbaar dat hij me heeft leren nadenken en relativeren. En dat hij me heeft aangezet om van Machiavelli nog veel meer te lezen dan alleen maar ‘Il Principe’. En ons er ook aan herinnerd heeft dat je moet werken voor je geld. Maar dat wisten uiteraard al veel langer dan vandaag.

 

 

Advertenties

3 reacties op ‘Werken voor je geld

    1. Welke rest, Rudi? Wacht maar af. Na die 24 jaar beleid zijn er wel enkele minpuntjes te noteren, hoor. Die volgen nog en zeker nog vòòr de verkiezingen. Kwestie van objectiviteit, nietwaar.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s