Blijven hangen

Het is weer de periode dat je geen krant of tijdschrift kunnen openslaan, geen tv-uitzending kunt bekijken of er duikt wel ergens een lijstje en/of jaaroverzicht in op. Eigenlijk heb ik daar een gloeiende hekel aan maar gezien het hier voor het eerst sinds maanden weer eens regent, en je dus verhinderd bent om lekker buiten op je terras zitten na te denken, moet je dat binnen bij het gaskacheltje doen. Dan vliegen de gedachten nogal snel een eind noordwaarts, haal je herinneringen op aan de paar maanden dat je verbleef in de Lage Landen aan de Noordzee waar op dit eigenste ogenblik het dagelijkse leven totaal ontregeld wordt en in het honderd loopt vanwege een handvol vals romantische sneeuwvlokken. Bovendien is het vandaag 11 december, de verjaardag van m’n dochter Ann. Mocht die in 1982 het gezegde ‘Napels zien en dan sterven’ niet zo letterlijk hebben genomen, zouden we vandaag haar 52ste verjaardag gevierd hebben.

Allemaal geschikte omstandigheden om op een dag als deze de muizenissen in je hoofd de vrije loop te laten. De vraag die ik het afgelopen jaar – eigenlijk pas de laatste maanden – hier in mijn oord van overwintering het meest te horen kreeg was: “En heb je het deze zomer in België een beetje kunnen overleven?”. Waarmee in vredesnaam kun je daarop anders met enige twijfel op repliceren als met een terughoudend “Goed zeker”. Je hoeft de mensen immers niet meteen lastig te vallen met het feit dat je echt wel een rotzomer achter de rug hebt. Het begon al meteen in juni – ik was nog maar twee dagen weer thuis – en daar stond ik al aan het sterfbed van mijn zeer intieme vriend Eddy. Je hebt diens begrafenis nog niet helemaal verwerkt, en net vòòr ik weer naar het zuiden wilde vertrekken, moest ik dan nog eens voor altijd afscheid nemen van m’n dierbare kameraad Mark, plots overleden op zijn geliefde Griekse eiland. Neen, die zomer van 2017 was niet meteen de fijnste die ik me kan herinneren.

Ach ja, ik weet ook wel dat met het ouder worden wordt je persoonlijke verdwijnlijstje almaar langer wordt en het rijtje overlevenden almaar minder bevolkt. Een wetmatigheid met spijtige gevolgen. Zoals Brel het zegt in “Les Vieux”: “Ils ont peur de se perdre et se perdent pourtant (…) celui qui reste se retrouve en enfer.” En verdomme toch, zelfs al geloof je niet in god noch zijn gebod, dan voel je toch eventjes de verschroeiende hitte van de hel heel nabij van zodra je dierbaren moet missen. Je zit voor een tijdje toch minstens in een mentaal vagevuur, zeg maar.

Door een stom toeval – waarover later meer – ben ik er na bijna zes maanden eindelijk achter gekomen waarom uitgerekend die twee sterfgevallen zo alles overheersend tussen m’n oren bleven zitten. Twee totaal uiteenlopende persoonlijkheden die, mochten ze elkaar ooit ontmoet hebben, een bloedhekel aan elkaar hadden overgehouden of toch minstens elkaar totaal onverschillig hadden gelaten. En wat had ik er eigenlijk mee te maken? In niets, maar dan ook niet voor het minste greintje, heb ik met hen ook maar één karaktertrek gemeen. Waarom reken ik hen dan bij mijn beste vrienden?

Even terug naar dat stomme toeval. De laatste dag voor campingmaatje Jos weer naar België zou vertrekken, reden we samen naar Albir. Een hapje eten. Ergens onderweg maakte hij een schampere opmerking over een oudere man met lange, grijze haren in een paardenstaart gebonden. “Kijk, een hippie die is blijven hangen in de jaren 60,” grijnsde hij. Van Tobback kun je zo’n sneer verwachten; die kan zijn afkeer voor soixante-huitards nauwelijks verbergen. Van Jos – tenslotte maar vijf jaar jonger dan ik – snapte ik die opmerking niet. “En ik dan?” vroeg ik hem want tenslotte ben ik nog altijd een soort verwaaide hippie. Ik wees hem erop dat paardenstaarten bij mannen pas in de jaren 90 in de mode kwamen want in de jaren 60 liet het langharige, werkschuwe tuig toen de manen nog losjes wapperen. Verder dan die historische terechtwijzing kwam ik op dat ogenblik niet maar zijn opmerking bleef me de voorbije maanden wel constant plagen.

Pas vandaag, denkend aan de verjaardag van m’n dochter (fabricagejaar 1965), valt mijn nikkel. Pas vandaag snap ik wat de bindende factor was tussen Eddy, Mark en mezelf: de jaren 60. Alle drie hebben we die periode totaal uiteenlopend ervaren, beleefd en doorleefd. En net als die grijsaard met zijn paardenstaart zijn we er alle drie in blijven hangen. Elk op zijn eigen manier weliswaar. Die jaren 60, voor ons prille twintigers zo’n beetje Sturm und Drang, de periode waarin eindelijk een streep werd gezet onder de ouderwetse waarheden. ‘This is the Age of Aquarius and Love will rule the World,” klonk het in de musical “Hair”. Wij waren hemelbestormers onder het motto “Houd ons tegen, maar waag het niet dat ook te proberen”. En vrijheid blijheid en l’imagination au pouvoir! Elke dag verschoven we onze horizon, zowel in de lengte als de breedte, en ontdekten we de wereld; we kropen van onder de kerktoren vandaan. Wij bepaalden zelf onze normen en waarden die compleet haaks stonden op wat generaties vòòr ons hadden gedicteerd. Dàt was onze bindende factor. Hoewel onze levens totaal verschillende richtingen uitliepen, bleven we de principiële lijn die we in die tijd voor onszelf hadden uitgestippeld, voor de rest van onze dagen vasthouden. Je mag dus wel stellen dat we in de jaren 60 zijn blijven hangen, net als die grijsaard met zijn paardenstaart. Wat in vredesnaam is daar fout mee?

Eddy die pianist wilde worden, zijn studies moest onderbreken, boekhouder werd en opklom tot één van de belangrijkste functies in een multinational, onderweg nog een succesvolle reisorganisatie uit de grond stampte en met miljoenen goochelde terwijl ik nog rekende in briefjes van 20 en 50 frank. Maar die wel nog altijd even hoog bleef oplopen met de muziek van Sylvie Vartan en Joe Dassin. En voor geen geld ter wereld zijn brilmontuur uit de jaren 60 wilde vervangen door een hipper model.

Mark die politieke en sociale wetenschappen studeerde voor zover hij daar nog tijd voor vond als beheerder van de fakbar Politika, die wel aan een barkruk vast gelast leek en zonder moeite een etmaal lang over politiek kon lullen, die helemaal getrouw aan zijn overtuiging naar de mijnen trok toen het in Zwartberg en omgeving begon te stinken en nadien als bouwvakker aan de kost probeerde te komen, die pendelde tussen België en Rhodos en nergens en toch overal een thuis vond.

Bij die twee heren mocht ik leentjebuur spelen. Bij de ene pikte ik dit, bij de tweede was dan weer wat anders te halen. Van beiden was iets op te steken en verdomme, wat heb ik daar gulzig gebruik van gemaakt. Op sommige ogenblikken tot tegen de indigestie af. Zonder die twee was ik nooit geworden wie ik nu ben, laat staan dat ik de voorbije halve eeuw zonder al te opvallende kleerscheuren zou overleefd hebben. Nu ik zelf stevig op weg om een bedaarde burgerman te worden – waar we ons destijds toch hevig tegen afzetten – lijkt het er sterk naar dat die tijd nog altijd niet helemaal verteerd is, en dat is maar goed ook. Al werden we intussen hopeloos ingehaald door het nieuwe egoïsme, het ikke-ikke-ikke-syndroom, door de conservatieve reflex van nationalisme, de zegepraal van het materialisme, enz. enz… Heel de maatschappelijke ontwikkeling van tegenwoordig is erop berekend om zo snel mogelijk komaf te maken met de erfenis van de jaren 60. We kunnen dat betreuren maar het is wel zo. Hoewel…

Binnen enkele maanden zal er weer grote bombarie ontstaan rond mei 68. Kranten zullen weer het ene na het andere katern vol schrijven over die woelige periode, die ik in alle bescheidenheid een breekpunt in de geschiedenis durf te noemen. Op 30 april 1968 eindigde de 19de eeuw en op 31 mei 1968 begon de 21ste eeuw. Spijtig genoeg heeft de mooie 20ste eeuw maar goed vijftig jaar geduurd. Twee exponenten van die eeuw zijn intussen weer verdwenen maar dank zij Jos werd ik er weer eventjes aan herinnerd dat het niet fout is om nog eventjes te blijven denken en zijn zoals zij; niet fout om nog eventjes te blijven hangen in de jaren 60 met de normen en waarden die we onszelf destijds hebben ingelepeld. Hun denkwereld en hun dromen nog eventjes te blijven koesteren, eventueel als ‘the last man standing’.

Dag Eddy, dag Mark, dag Ann, dag Vlado. Bedankt.

 

 

Advertenties

4 reacties op ‘Blijven hangen

  1. Ik heb het geluk om je nog regelmatig in levende lijve te kunnen ontmoeten, meestal op een zonnig terras. Toch ben ik blij dat je af en toe nog iets schrijft. Zolang je niet overdrijft, mag het van mij 🙂

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s