Maandag 16/10 Talent bestaat niet

Vandaag in mijn krant: een interview met Andreas Tirez, econoom en lid van de liberale denktank Liberales. Hij begrijpt de kritiek niet op het voorstel van N-VA om in scholen een IQ-test verplicht te maken. Want, zegt Tirez, met die tests kun je talenten tijdig ontdekken, ook uit kansarme gezinnen, en kun je onze toch al schaarse middelen voor onderwijs efficiënter inzetten.

Tja, als je onderwijs louter vanuit economisch oogpunt beschouwt, waarbij enkel en alleen maar meritocratische doelstellingen worden vooropgesteld, zal hij wel een punt hebben, zeker. Zelfs fervente pedagogen kunnen er toch wel geen bezwaar tegen hebben dat scholen hun krappe middelen efficiënt gebruiken. Waar Tirez geen woord aan besteedt, is aan de vraag of we in het huidige klimaat van besparingswoede wel voldoende middelen voor onderwijs inzetten.

Zelf ben ik geen pedagoog en nog minder econoom maar ik ken wel iets van geschiedenis, vooral die van mezelf. Andreas Tirez en onderwijsspecialist van N-VA Koen Daniëls zijn – gelukkig voor hen – veel jonger dan ik, en dus kunnen ze niet weten dat het voorstel van Daniëls niet zo nieuw is als het zich laat voordoen. Ik herinner me althans dat mijn generatiegenoten en ik op prille leeftijd – in het lager onderwijs al – aan dergelijke testen werden onderworpen. Het resultaat daarvan heeft misschien niet heel mijn jeugd verzuurd en verpest, maar mijn toenmalige toekomst – en intussen ook alweer voltooid verleden tijd – dan toch wel heel sterk bepaald. Een woordje uitleg.

Mijn pa (°1908), zoon van een boer/brouwer uit Haspengouw, zo goed als op de taalgrens, had voldoende talent om enkele jaren in het Frans te studeren aan het college van Waremme (Borgworm). Om daarna gewoon paardenkoopman te worden. Mij ma (°1916), dochter van een fruitboer/veekweker, moest al heel jong meewerken in het bedrijf en gezin. Ondanks haar talenten was er van studeren geen sprake. Na alle oorlogsellende ontdekten ze met een schok dat er zelfs in het zuiden van Limburg een einde was gekomen aan de 19de eeuw, in welke mentaliteit en waarden zij nog altijd waren opgegroeid. Zonder diploma zou je volgens hen in het leven niets kunnen bereiken en raakte je niet vooruit in de sociale pikorde. Toen de onderwijzer thuis die IQ-cijfertjes kwam toelichten – én die van de andere klasgenoten – met de boodschap dat ik gelijk welke hogere opleiding best zou aankunnen, blonk mijn ma van trots. Voor zover er iets fout mocht lopen met de voorbestemde roeping om priester te worden, zag ze in mij dan toch minstens een uitstekende geneesheer, succesvol advocaat of baanbrekende ingenieur. Aan mij werd niets gevraagd; inspraak moest nog worden uitgevonden. Nu wil het toeval dat mijn goede kameraad en buurjongen Leo identiek hetzelfde IQ-cijfers liet optekenen als ik. Dat maakte de competitiegeest in mijn vader wakker: ik zou en moest beter presteren dan Leo! Was dat niet het geval – ook maar een half puntje minder dan hij – kreeg ik een pak rammel waar men in Guantanamo nog een puntje aan zuigen kon. Omgekeerd bleek dat ook het geval te zijn. Beurtelings zat één van de primussen van de klas daar bont en blauw geslagen op de schoolbank.

En toen moesten we met zijn tweeën naar het middelbare onderwijs. Grieks-Latijnse, uiteraard. Onze voormalige klasgenoten mochten naar de landbouwschool, volgden een technische richting of werden gewoonweg leerling bij een timmerman. Wij jaloers. Dat eerste jaar spartelde Leo zich er met de hakken over de sloot doorheen; zelf had ik een klinkende buis over de hele lijn (voor de Nederlanders: hopeloos gezakt). Toen maakte ik wel helemaal kennis met bestraffingstechnieken die mijn pa in de Duitse concentratiekampen had moeten ondergaan. Weken nadien kon ik niet zonder kussen op een stoel zitten en al die tijd moest ik op mijn buik proberen te slapen. Weken nadien liep mijn ma nog met betraande ogen rond. “Weet je wel in welke schande je ons gestort hebt?” jammerde ze constant. Ik was me van geen kwaad bewust en het argument dat ik in Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde toch weer de beste van de klas was, kon haar niet troosten. Gelukkig verhuisden we die zomer naar het Leuvense en vloog ik onverbiddelijk met mijn klikken en klakken naar een ultra katholiek en edelgestreng internaat in Mechelen. Alleen tijdens de verplichte vakantieperiodes mocht ik naar huis. Waarschijnlijk een kwestie van het risico op nieuwe schandalen zo klein mogelijk te houden…

Aan heel dit verhaal van IQ-testen, en de gevolgen ervan, heb ik wellicht één positieve levenshouding overgehouden: een nog altijd durende afkeer voor competitie. En een gloeiende hekel aan puntensystemen, aan sport, aan examens, aan behaagziekte, aan haantjes-de-voorste, aan machocultuur, en vul zelf maar in. Daarom vind ik ook dat men de verplichte invoering van dergelijke testen ook maar beter kan vergeten. Als je als ouder de talenten van je kind niet zelf kunt ontdekken, doe dan zo’n test maar. Wel op vrijwillige basis en liefst zonder de uitslag ervan in de etalage te zetten. Je zult er je kind goede diensten mee bewijzen en hen een hoop trauma’s besparen.

Ach, ik weet ook wel dat er achter dit voorstel een verborgen agenda schuilt. Een reactionair verwerpen van het idee ‘Democratisering van het onderwijs’, een betrachting uit die perfide jaren 60. Met de instroom van al die arbeiderskinderen raakten onze universiteiten overbevolkt en dat kost handenvol geld. Nu komt daar ook nog eens het kroost van immigranten bij. Weg ermee! Dus laat ons alleen de allerbesten toe te studeren. Toegangsexamens zijn duidelijk geen voldoende rem; het invoeren van een numerus clausus helpt ook al niet. Zullen we dan maar in de lagere echelons van het onderwijs strenger beginnen selecteren? Goed idee. Hoe doen we dat? Zullen we misschien een IQ-test invoeren? Verdorie, waarom hebben we daar niet eerder aan gedacht.

En dus zetten we de deur open voor scholen met twee snelheden. Concentratiescholen, maar dan in omgekeerde zin van wat we daar nu onder begrijpen. Immers, volgens bepaalde theorieën zouden er uit kansarme gezinnen minder intelligente kinderen voortspruiten. Voor zekere politici en/of economen alleszins aanleiding om het begrip “efficiënte verdeling van de weinige middelen” naar voor te brengen. Voor hen mogen alleen de bollebozen nog naar hogere regionen doorstromen en de rest moet zich maar uit de slag zien te trekken. De middenmoot kan nog altijd in technische vakken terecht en wie zelfs daarin niet mee kan, heeft brute pech. Nu ja, we moeten ook nog wel een contingent ongeschoolde arbeiders achter de hand houden, natuurlijk.

Wat ik in die voorstellen nergens terugvind, zijn de gestelde voorwaarden en de bepalende grens. Ligt die op 85, 100 of 130? En wat met kinderen die slechts 84, 99 of 129 scoren? En wie stelt die grenzen vast? Politici? Zouden die dan eerst niet zelf op intelligentie moeten onderzocht worden? Goed idee lijkt me: vooraleer je kunt verkozen worden en in het parlement zetelen, eerst een IQ-test afleggen. En mag ik dan de grenswaarde bepalen?

Zelf ben ik al heel lang geleden het resultaat van die test vergeten; ik weet alleen dat die iets beter dan het gemiddelde bedroeg. Alleen ontbrak het me aan structuur, aan werklust, misschien zelfs aan plichtsbesef. Ik kon niet “blokken”. Er was wel altijd dat mij véél interessanter te ontdekken leek. Nooit heb ik teksten klakkeloos uit het hoofd kunnen leren en papegaai-achtig op een examen afdreunen. Wiskunde was een hel, scheikunde een raadselachtig mysterie, Latijnse verbuigingen een plaag. De wetmatigheid “Waarom is dat zo? Omdat het zò is en omdat ik het jou zeg” heb ik nooit goed verteerd. Gevolg: nu ben ik oud en versleten, en zit nog dagelijks geschiedkundige werken uit te pluizen om verbanden met het heden te kunnen leggen. En te begrijpen.

Verdorie, geef ons meer loodgieters, bouwvakkers, automonteurs met een hoge intelligentiegraad die meteen weten wat er loos is en hoe eraan te verhelpen. En laat mensen, onafhankelijk van een hoger of lager IQ uiteindelijk eens doen waarin ze zin hebben en kunnen uitblinken. Ik denk hierbij aan die vriend van me die met enkel een humanioradiploma het toch wist te schoppen tot de hoogste financiële functie in een groot bedrijf, ik denk aan die vriend van me die van thuis uit rechten moest studeren en nu een hoog aangeprezen professor ‘houtrestauratie’ is, ik denk aan die vriend van me die filosofie moest studeren en daarna toch naar de kunstacademie ging om te leren schilderen, ik denk aan die vriend van me die architect was en toch een gevierd televisiereporter werd. Die hadden lak aan allerlei testen en diploma’s maar wel voldoende ballen aan het lijf om te doen wat ze wilden. Tegen de stroom in, tegen de wind in, tegen alle voorstellen van Koen Daniëls en Andreas Tirez in. Geweldige mensen.

En om te besluiten, de wijze woorden van Jacques Brel:

“Je suis convaincu d’une chose : le talent ça n’existe pas. Le talent c’est d’avoir l’envie de faire quelque chose. Je prétend qu’un homme qui rêve tout d’un coup qu’il a envie de manger un homard. Il a le talent, à ce moment là, pour manger un homard, pour le savourer convenablement et je crois qu’avoir envie de réaliser un rêve, c’est le talent. Tout le restant, c’est de la sueur, c’est de la transpiration, de la discipline. Je suis sure de ça. L’art je ne sais pas ce que c’est. Les artistes, je connais pas. Je crois qu’il y a des gens qui travaille à quelque chose.”

 

https://youtu.be/xlklBo3ls4U

 

 

 

 

Advertenties

2 reacties op ‘Maandag 16/10 Talent bestaat niet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s